Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 20

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-Gravenhage, 5 februari 1990

De mondelinge behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel 20890 (gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de bovenwettelijke sociale zekerheid) d.d. 31 januari jl. geeft mij aanleiding het volgende nog eens nader onder uw aandacht te brengen.

Artikel 7, onderdeel b. van de 4e EG-richtlijn verplicht de lidstaten tot de nodige maatregelen opdat regelingen die discriminerende bepalingen bevatten niet door bestuursrechtelijke maatregelen kunnen worden goedgekeurd. Aan deze verplichting wordt voldaan door het feit dat krachtens de bestaande wetgeving inzake gelijke behandeling en ingevolge artikel 12e, opgenomen in het wetsontwerp, iedere bepaling in pensioenregelingen die strijdig is met het verbod van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen nietig is. Uit deze nietigheidsbepaling vloeit voort dat van goedkeuring, algemeen verbindendverklaring of verplichtstelling geen sprake kan zijn. Zou dit toch plaatsvinden, dan mist een dergelijke bestuursrechtelijke maatregel rechtsgevolg.

Toegezegd is, dat van geval tot geval zorgvuldige toetsing op strijd met de wet zal plaatsvinden en dat, als daarvan duidelijk sprake is, verzoeken om verplichtstelling alsmede wijzigingen in verplichtgestelde bedrijfs-en beroepspensioenregelingen zullen worden afgewezen. Het probleem kan zich echter voordoen dat die duidelijkheid ontbreekt. Of bijvoorbeeld verboden indirect onderscheid wordt gemaakt is afhankelijk van het effect naar geslacht van de toepassing van een bepaling en van de vraag of in dat geval een objectieve rechtvaardiging in de zin van de wet aanwezig is. Doorgaans zijn in zo'n geval onvoldoende gegevens beschikbaar om op voorhand te kunnen oordelen over de al dan niet rechtsgeldigheid van de betrokken bepaling. Wel zullen betrokkenen, als het vermoeden bestaat dat toepassing van de bepaling onderscheid tussen mannen en vrouwen tot gevolg kan hebben, daarop worden 011918F ISSN 0921737 ISDU uitgeverij '

s Gravenhage 1990

gewezen en zal onder de aandacht worden gebracht, dat in dat geval een objectieve rechtvaardigingsgrond moet kunnen worden aangetoond. Met het bovenstaande wordt naar mijn oordeel op zo zorgvuldig mogelijke wijze invulling gegeven aan de in artikel 7 van de richtlijn aan de overheid opgelegde verplichting. Het opnemen van een bepaling in de wet, zoals voorgesteld door de leden Soutendijk en Kalsbeek (20890, nr. 12), voegt daaraan juridisch noch feitelijk iets toe. Bovendien zou, in situaties waarin een oordeel over de rechtsgeldigheid door het ontbreken van voldoende zicht op de omstandigheden niet mogelijk is, terwijl achteraf de bepaling door de rechter in de concrete situatie onrechtmatig wordt geoordeeld, een dergelijke bepaling op ongewenste wijze de schijn van rechtsgeldigheid, die door verplichtstelling of goedkeuring wordt gewekt, kunnen versterken. Naar mijn oordeel is daarom het opnemen van een dergelijke bepaling ongewenst. Onderzoek naar de wijze waarop een eventuele beroepsprocedure, wellicht via de Commissie Gelijke Behandeling, kan worden aangegaan voor mensen die menen dat er onjuist is gehandeld bij het omzettingsproces van hun huidige naar hun nieuwe pensioenaanspraken vergt bij nader inzien meer tijd. Ik zal de Tweede Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.

Wat betreft het amendement van het lid Soutendijk-Van Appeldoorn (20890 nr. 15) tenslotte heb ik tijdens de mondelinge behandeling laten blijken geen voorstander te zijn van het lang laten voortduren van een situatie waarin mannen en vrouwen ongelijk worden behandeld. De juridische risico's daarvan zijn groot, terwijl er bovendien een aandrang zal kunnen ontstaan om ook mannen de keuze te geven eerder dan op 65-jarige leeftijd met pensioen te gaan. Wel ben ik bereid de in het wetsvoorstel door mij voorgestelde overgangstermijn met drie jaar te verlengen. Bijgevoegde nota van wijziging strekt daartoe.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.