1: V.l.n.r. minister Boersma, van Veen (VNO) en De Wit (NCW) 

2: V.L.n.r. staatssecretaris Kraaijeveld-Wouters, staatssecretaris de Vries en minister Til Gardeniers
3: V.l.n.r. J.P. van der Reijden, Annelien Kappeyne van de Coppello, Ien Dales
vergadering met Kappeyne van de Coppello
Bron: Croes, Rob C. / Anefo / Nationaal Archief

Bron: Croes, Rob C. / Anefo / Nationaal Archief

In de opbouw van het sociale zekerheidsstelsel hadden vrouwen niet altijd dezelfde rechten als mannen. Het oude sociale stelsel was ingedeeld op basis van een traditioneel rolpatroon: de man was kostwinner en de vrouw deed het huishouden en werkte niet. De sociale zekerheidswetten moesten herzien worden en meegroeien met de emancipatie van de vrouw.

Zo stond het kostwinnersbeginsel ter discussie begin jaren 80. Maar ook de gelijke beloning van arbeid, toegankelijkheid van arbeid, ouderschapsverlof en de verbetering van de veiligheid op werk.

Tegenwoordig hebben mannen en vrouwen voor de wet in principe gelijke rechten binnen het sociale zekerheidsstelsel. Er blijven echter discussiepunten: zoals het aantal dagen verlof van een man bij het krijgen van een kind en de inkomensgelijkheid voor mannen en vrouwen in hogere posities.

Ontwikkeling in vogelvlucht

In de jaren 50 was Nederland in sterke mate een kostwinnerssamenleving: de man was verantwoordelijk voor het gezinsinkomen en de vrouw nam de zorgtaken voor haar rekening. In 1956 werd een wet aangenomen die een einde maakte aan het principe van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw.

Datzelfde jaar kwam tevens de Algemene Ouderdomswet (AOW i ) tot stand. Er werd bewust voor gekozen om deze sociale verzekering als ‘volksverzekering’ op te zetten. Toch had de getrouwde vrouw hier geen recht op. Deze uitsluiting duurde tot 1985. Ook bij de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW i ) waren gehuwde vrouwen uitgesloten. Deze uitsluiting werd in 1980 teruggedraaid.

Jaren 70

In de jaren 70 verschoven geleidelijk de opvattingen over de verhoudingen tussen de seksen en de daaraan gekoppelde rolpatronen. Het beeld van een mannelijke kostwinnaar werd steeds minder toonaangevend. Een belangrijke ontwikkeling kwam met het wetsvoorstel van Minister Jaap Boersma i van Sociale Zaken in 1974 (13.031 i ). Hij stelde voor om de lonen van mannen en vrouwen gelijk te stellen. Dit voorstel kwam voort uit de bepaling in het EEG-verdrag dat lonen tussen mannen en vrouwen in de lidstaten gelijk moesten worden getrokken.

In dit jaar werd ook de Emancipatiekommissie opgericht om de regering te adviseren op het gebied van roldoorbreking, herverdeling, participatie en gelijkheid van mannen en vrouwen. Deze commissie werd later door staatssecretaris voor emancipatiezaken Jeltien Kraaijeveld-Wouters i omgevormd naar de Emancipatieraad i .

Derde richtlijn Europese Gemeenschap

In 1978 voerde de Europese Gemeenschap het ‘beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid’ in. Deze zogenoemde ‘derde richtlijn’ had als doel een kader te scheppen om de discriminatie op grond van geslacht te bestrijden, zodat lidstaten het beginsel van gelijke rechten mannen en vrouwen konden toepassen. Lidstaten kregen zes jaar de tijd om de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om aan deze richtlijn te voldoen. Dit was ook voor Nederland aanleiding om de sociale verzekeringswetten te herzien.

Voorafgaand aan de invoering van deze richtlijn, deed het ministerie van Sociale Zaken in 1977 een adviesaanvraag bij de Sociaal en Economische Raad (SER i ) over de ontwerprichtlijn van de EEG. De SER concludeerde dat de Werkloosheidswet (WW i ) en de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV i ) gewijzigd zouden moeten worden om aan de EEG-richtlijn te voldoen.

Zelfstandigheid gehuwde vrouw

In 1979 werd de nota ‘gelijke behandeling voor de loon- en inkomstenbelasting van de (werkende) gehuwde vrouw en haar man, en van deelgenoten aan vormen van samenleving en samenwonen’ (15.835 i ) aangeboden aan de Tweede Kamer door staatssecretaris van Financiën Ad Nooteboom i . Dit betekende de fiscale verzelfstandiging van de vrouw. Staatssecretaris Louw de Graaf i diende bovendien eind jaren 70 een wetsvoorstel in over het nadere wijzigen van de AOW en de Wet Arbeidsongeschiktheid (WAO i ). Daarmee kregen mannen en vrouwen gelijke uitkeringsrechten (15.706 i ). Zo kreeg de gehuwde vrouw voortaan zelfstandig recht op AOW. Tweede Kamerlid Ed Nijpels i van de VVD noemde dit een ‘historisch moment’.

In 1983 hielden honderden Rotterdamse vrouwen een fakkeloptocht om te protesteren tegen de verscherping van de kostwinnersbepalingen in de sociale zekerheid en tegen nieuwe belastingmaatregelen voor tweeverdieners. De demonstratie werd gesteund door de AbvaKabo, de PvdA en kleine linkse partijen.

Kappeyne van de Coppello

Staatssecretaris Annelien Kappeyne van de Coppello i streed voor de gelijke rechten van mannen en vrouwen. In 1985 diende zij een beleidsplan in met daarin de maatregel om vrouwen met kinderen ouder dan twaalf jaar die een beroep doen op een uitkering sollicitatieplichtig te maken (19.052 i ). Al in 1984 lekte het conceptbeleidsplan uit, met een golf van verontwaardiging over de ‘arbeidsplicht’ voor vrouwen tot gevolg.

Kappeyne van de Coppello diende in 1984 bovendien een wetsvoorstel in voor een nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene Kinderbijslag, de Algemene Bijstandswet (ABW) en de AWW. Dit voorstel werd ingediend om de gelijke rechten van man en vrouw door te voeren in de sociale zekerheidswetten.

In datzelfde jaar gaf het kabinet verder gevolg aan de richtlijn van de Europese Gemeenschap met het wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AOW, de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), de Algemene Kinderbijslagwet, de AWBZ en de WAO (18.515 i ). Het uitvoeren van het beginsel van gelijke behandeling mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid staat in dit wetsvoorstel centraal. Zo verviel de kostwinnerseis voor gehuwde vrouwen om aanspraak te maken op WWV. Gehuwde vrouwen, die geen kostwinnaar waren, hadden hier geen aanspraak op, terwijl mannen dit wel altijd hadden. Na deze wijziging konden vrouwen met terugwerkende kracht toch nog WWV aanvragen.

De aanpassing kwam later tot stand dan gewenst: volgens de derde richtlijn van de EEG had al het jaar daarvoor hieraan voldaan moeten worden. In navolging hierop werd een nadere wijziging van het wetsvoorstel ingediend (18.625 i ).

Een ander initiatief van Kappeyne van de Coppello was een wetsvoorstel tot het wijzigen van de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV). De toelichtng stelde dat het wenselijk was de wet te wijzigen om vrouwen een gelijk recht op uitkering te geven (18.683 i ). Het wetsvoorstel werd echter verworpen, enkel de leden van de SGP, de RPF, het GPV en 26 leden van het CDA stemden voor, de overige leden stemden tegen het wetsvoorstel. Volgens de partijen moest de kostwinnerseis uit het wetsvoorstel gehaald worden om te kunnen voldoen aan de Derde Richtlijn. Louise Groenman i van D66 noemde het wetsvoorstel ‘een blamage’. Het voorstel bleef volgens Groenman vasthouden aan indirecte seksediscriminatie.

Staatssecretaris de Graaf diende snel na de verwerping van dit wetsvoorstel een nieuw, verbeterd voorstel in (18.849 ), hierin had hij de kritiek op het voorgaande voorstel meegenomen. Dit voorstel werd op 28 maart 1985 aangenomen; het CDA, de VVD en D'66 stemden voor.

Herziening sociale zekerheidsstelsel

In 1985 en 1986 vond een algehele herziening plaats van het sociale zekerheidsstelsel. Hierbij was er ook aandacht voor de gelijke rechten van mannen en vrouwen. Zo diende staatssecretaris Kappeyne van de Coppello samen met De Graaf een wetsvoorstel in tot wijziging van de Algemene Bijstandswet. Dit wetsvoorstel werd in mei 1986 aangenomen, de fracties van CDA, VVD en RPF en het lid Wagenaar stemden voor dit wetsvoorstel. Hier werd ook de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en een gelijkstelling van niet gehuwde personen met gehuwden in meegenomen (19.259 i ). Ongehuwde samenwonende partners kregen slechts een bijstandsuitkering.

Tot de jaren negentig voerde de regering meerdere wijzigingen door om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bewerkstelligen. Zo werd in 1987 een wijziging ingediend voor meerdere wetten betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen (19.908 i ). Daarnaast kwam het kabinet-Lubbers II het "beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de onderneming en sectoriële regelingen" van de Europese Gemeenschap (Vierde Richtlijn) tegemoet met een wijziging van het burgerlijk wetboek en een wijziging van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (20.890 i ). Hierdoor kwam er een verbod op direct en indirect onderscheid maken op basis van geslacht in de uitoefening van ambt, beroep en bedrijf, alsmede de pensioenvoorziening.

Niet alleen vrouwen wonnen meer rechten op het gebied van sociale zekerheid, ook mannen kregen meer rechten. Zo werd in 1988 besloten dat ook weduwnaars recht hadden op een nabestaandenuitkering op basis van de AWW.

In 1990 bracht staatssecretaris van Sociale Zaken Ter Veld i een wijziging in de WWV tot stand. Voorheen waren gehuwde vrouwen uitgesloten van de WWV, dit werd nu afgeschaft. De maatregel ging met terugwerkende kracht in: vrouwen die voor 1984 werkloos waren, konden alsnog een WWV-uitkering aanvragen. De emancipatie van de vrouw had eveneens tot gevolg dat vrouwen minder aanspraak kregen op verzekeringen. Zo bracht Staatssecretaris Linschoten i in 1995 de Algemene Nabestaandenwet (ANW) tot stand die de Algemene Weduwen- en Wezenwet verving (24.169 i ). Doordat het principe van zelfstandigheid van vrouwen het uitgangspunt was, werd het beroep dat op de regeling kon worden gedaan beperkt.

Parlementaire bronnen

15835 i – Notitie gelijke behandeling voor de loon- en inkomensbelasting van de (werkende) gehuwde vrouw en haar man, en van deelgenoten aan vormen van samenleving en samenwonen (1979) - fiscale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw

13031 i – Gelijk loon vrouwen en mannen (1975)

15706 i – Gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen in de AAW, WAO en Ziektewet (1979)

17351 – Voorjaarsnota 1982

18515 i – Invoering gelijke behandeling mannen en vrouwen in AOW 1984

18625 i - Invoering gelijke behandeling mannen en vrouwen op terrein van premieheffing

18683 i – Invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen - wijziging Wet Werkloosheidsvoorziening (wetsvoorstel verworpen)

18849 - Nieuw wetsvoorstel wijziging Wet werkloosheidsvoorziening

19259 i – Wijzing Algemene Bijstandswet, inzake gelijke behandeling mannen en vrouwen (1986)

20890 i – Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen op terrein van de bovenwettelijke sociale zekerheid (1990)

24169 i – Algemene Nabestaandenwet (1995)

Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.