1:

Dit project is een initiatief van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG) en wordt gefinancierd door Instituut Gak. De website is ontwikkeld door het PDC in opdracht van het CPG.

Relevantie van het project en van de website

Dit project richt zich op de aanpassingen van het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel vanaf 1980. Naast gedegen kennis van de regelgeving en van de architectuur van het stelsel is inzicht in het politiek-parlementaire besluitvormingsproces van cruciaal belang voor een goed begrip van het effect van die aanpassingen.

Anders dan juridische, bestuurskundige, economische en sociologische studies richt dit project zich vooral op de politiek-parlementaire kant, minder op de architectuur. Op deze wijze wordt de kloof zichtbaar gemaakt tussen het normatieve ideaal en de politieke praktijk. Politieke machthebbers laveren voortdurend tussen sociaaleconomische, financiële en demografische feiten enerzijds, en pressie van politieke partijen, sociale partners en maatschappelijke actiegroepen anderzijds. Welke politieke factoren waren van invloed op de aanpassingen in de sociale wet- en regelgeving? Vaak wijkt de uitkomst van het politieke besluitvormingsproces af van de ideale lijn die deskundigen vooraf hadden geadviseerd. Onbedoelde effecten leiden dan weer tot noodzakelijke aanpassingen. In een bestel met alleen minderheidspartijen moeten altijd compromissen worden gesloten: Nederlandse politici zijn voortdurend op zoek naar evenwicht.

Meer begrip van deze besluitvormingsdynamiek is in de eerste plaats van belang voor politici van nu: hun voorgangers blijken immers regelmatig het wiel te hebben uitgevonden, te beginnen bij allerlei niet ronde varianten. In de tweede plaats is dit onderzoek van belang voor beleidsmakers. Zij krijgen meer inzicht in de manier waarop zij beleidsinstrumenten politiek effectief kunnen inzetten. In de derde plaats is de studie nuttig voor journalisten die de complexe thematiek willen duiden. Daarnaast kunnen toezichthouders, gemeenten en uitvoeringsinstanties met de verkregen inzichten hun voordeel doen. Tot slot kunnen de resultaten van het onderzoek veel waarde hebben bij discussies over de toekomst van de sociale zekerheid en de invloed die politici, sociale partners en experts daarop hebben.

Deze website is een belangrijk onderdeel van het project. Eindelijk worden de vele wetswijzigingen op een overzichtelijke tijdbalk geplaatst en bovendien gekoppeld aan parlementaire stukken en relevante rapporten. Een lange hervormingsperiode wordt goed in kaart gebracht. Dat is handig voor iedereen die geïnteresseerd is in de ontwikkeling van het sociale zekerheidsstelsel en kan grote waarde krijgen bij toekomstig onderzoek i op dit terrein.

Historische context

In de periode 1880-1945 kwamen met horten en stoten de eerste aanzetten tot sociale wet- en regelgeving tot stand ten aanzien van werklozen, zieken en ouderen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het sociale zekerheidsstelsel opgebouwd met een scala aan wetgeving: de Werkloosheidswet (WW, 1949), de Algemene Ouderdomswet (AOW, 1956), de Algemene Kinderbijslagwet (AKB, 1961), de Algemene Bijstandswet (ABW, 1963) en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO, 1966). Deze laatste wet kan als het sluitstuk van het sociale vangnet worden gezien. De uitbreiding van het stelsel had een sterke toename van de kosten voor de overheid tot gevolg. Bedroegen deze in 1950 nog ruim vier procent van het bruto nationaal product, in 1970 waren de kosten al gestegen naar twaalf procent. Daarmee was het Nederlandse stelsel uitgegroeid tot een van de duurste ter wereld. De volgende jaren kwam het verder onder druk te staan doordat de economie verslechterde en het aantal uitkeringsgerechtigden fors toenam.

Politici kregen steeds vaker het verwijt voor de voeten geworpen geen oog te hebben voor de kosten van het stelsel en het misbruik dat er soms van gemaakt werd. Karikaturen werden daarbij niet geschuwd. Zo schreef Pim Fortuyn i in zijn boek De puinhopen van acht jaar Paars uit 2002: ‘De verzorgingsstaat heeft tegen alle goede bedoelingen in een waar monster gebaard. Ze heeft mensen het recht gegeven zich te onttrekken aan het arbeidsproces door hen te voorzien van een inkomen, huisvesting, gezondheidszorg, tal van subsidies, zonder daar ook maar enige tegenprestatie voor te verlangen. Het is scheppen geworden, van de grote hoop, die in de beleving van de mensen van niemand is, dus van ons allemaal.’

De eerste voorstellen om de explosieve kosten en het misbruik van sociale voorzieningen tegen te gaan, dateren echter al uit de jaren zeventig. Fundamentele hervormingen van sociale wet- en regelgeving bleven niettemin lange tijd uit. Pas in de jaren tachtig vonden de eerste belangrijke aanpassingen plaats en na het rapport van de parlementaire enquêtecommissie-Buurmeijer i, dat eind 1993 verscheen, veranderde geleidelijk aan de organisatie en uitvoeringspraktijk.

Steevast liep de politieke spanning in Den Haag hoog op als geprobeerd werd onderdelen van het socialezekerheidsstelsel aan te passen. Wetsvoorstellen moesten soms schielijk worden ingetrokken als bleek dat er bij voorbaat geen steun was in het parlement. Vakbonden wisten herhaaldelijk tienduizenden mensen op de been te brengen om te protesteren tegen kabinetsvoornemens; verschillende politici en bewindslieden verslikten zich in hun ambitie de sociale zekerheid te hervormen en sommigen van hen werden zelfs gedwongen de politieke arena te verlaten.

Proefschrift en overige onderzoeksresultaten

De verkregen inzichten van het project zullen bijdragen aan de discussie over de toekomst van de sociale zekerheid. De resultaten vinden hun neerslag in een proefschrift, een internationaal congres, een bundel naar aanleiding van dat congres, een policy paper met daarin concrete aanbevelingen voor politici en beleidsmakers, artikelen en deze website.

Promovendus Leon van Damme zal aan de hand van drie soorten sociale wetten een analyse geven van de ontwikkeling van sociale wet- en regelgeving in de periode 1980-2014, te weten:

  • de Werkloosheidswet en haar opvolgers (werknemersverzekering)
  • de Algemene Bijstandswet en haar opvolgers (sociale voorziening)
  • de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet (beide volksverzekeringen).

Daarbij zal hij ook de uitvoeringspraktijk betrekken – voor zover die aanleiding gaf tot veranderingen en aanpassingen. Wat waren de belangrijkste actoren in het besluitvormingsproces, en welke rol hadden zij? Welke argumenten brachten de actoren in om al dan niet tot hervormingen over te gaan en welke sturingsmechanismen hadden zij daarbij voor ogen? Werd er aangedrongen op aanpassingen vanuit het idee van grotere efficiëntie en effectiviteit? Of prevaleerden politieke overwegingen en vonden aanpassingen vooral plaats op politieke en strategisch-electorale gronden? En hoe werden de effecten van de aanpassingen beoordeeld door onder meer toezichthouders en wetenschappers?

Naast secundaire literatuur zal gebruik worden gemaakt van primaire bronnen. Het onderzoek zal zich wat dit betreft richten op parlementaire stukken, notulen van de Ministerraad en adviezen en rapporten van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Sociaal-Economische Raad en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Om de ontwikkelingen van een bredere context te voorzien en nader te kunnen duiden, zullen deze bronnen waar nodig en mogelijk worden aangevuld met archiefonderzoek en interviews. Ook zal gebruik worden gemaakt van krantenbestanden en verkiezingsprogramma’s.

Deelnemende instituten en onderzoekers

Het project ‘Op zoek naar nieuw evenwicht. Een parlementaire geschiedenis van het socialezekerheidsstelsel, 1980-2014’ wordt gefinancierd door Instituut Gak, een vermogensfonds dat subsidie verstrekt aan projecten op de terreinen sociale zekerheid en arbeidsmarkt in Nederland. Meer informatie is te vinden op de site van het instituut

Overheadkosten van het project – huisvesting, kantoorfaciliteiten – komen voor rekening van de Faculteit der Letteren van de Radboud Universiteit.

Het project wordt uitgevoerd door een onderzoeksgroep onder leiding van prof.dr. Carla van Baalen, directeur van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG) dat verbonden is aan de Faculteit der Letteren van de RU. De samenstelling van de onderzoeksgroep is als volgt:

  • Prof. dr. Carla van Baalen, projectleider en eerste dagelijks begeleider van de promovendus, promotor
  • Mr. dr. Johan van Merriënboer, onderzoeker CPG, plaatsvervangend projectleider, tweede dagelijks begeleider van de promovendus en onderzoeker
  • Drs. Anne Bos, onderzoeker CPG, begeleider en onderzoeker
  • Drs. Jan Ramakers, onderzoeker CPG, begeleider en onderzoeker
  • Drs. Leon van Damme, promovendus, verbonden aan het CPG
  • Dr. Margit van der Steen, verbonden aan het CPG en het Huygens Instituut voor Nederlandse geschiedenis, organisator internationaal congres
  • Dr. Bert van den Braak, verbonden aan het Parlementair Documentatie Centrum (PDC), Universiteit Leiden, verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de website
  • Drs. Hans Nielen, verbonden aan PDC, verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de website

Een externe begeleidingscommissie adviseert de onderzoeksgroep bij de uitvoering van zijn taken, en met name over de inhoud en de voortgang van het proefschrift. De samenstelling hiervan is als volgt:

Voortgangscontrole over het project namens Instituut Gak wordt uitgeoefend door

Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.