Voorlopig verslag van de vaste commissies voor sociale zaken en voor financiën - Vervanging van kinderaftrek van de loon- en inkomstenbelasting door verhoging van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en de Algemene Kinderbijslagwet voor het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1978 en voor het kalenderjaar 1979, voorts een verhoging van de kinderbijslag voor het vierde en elk daaropvolgend kind en voor de kalenderjaren 1979, 1980 en 1981 een wijziging van het aanpassingssysteem van de kinderbijslagbedragen, alsmede het treffen van een voorziening tot handhaving van de structuur van de belastingvrije sommen van de loon- en inkomstenbelasting

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Zitting 1977-1978 Nr. 86a

14184

Vervanging van kinderaftrek van de loon-en inkomstenbelasting door verhoging van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en de Algemene Kinderbijslagwet voor het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1978 en voor het kalenderjaar 1979, voorts een verhoging van de kinderbijslag voor het vierde en elk daaropvolgend kind en voor de kalenderjaren 1979,1980 en 1981 een wijziging van het aanpassingssysteem van de kinderbijslagbedragen, alsmede het treffen van een voorziening tot handhaving van de structuur van de belastingvrije sommen van de loon-en inkomstenbelasting VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR SOCIALE ZAKEN EN VOOR FINANCIËN Vastgesteld 29 augustus 1978

De leden van de fractie van de P.v.d.A. konden zich met het onderhavige wetsontwerp verenigen. Zij gaven intussen te kennen, dat hun instemming met deze eerste fase van de herstructurering van kinderbijslag en kinderaf­trek niet inhoudt dat ook voor de tweede fase op hun steun mag worden ge­rekend.

Met de Regering vooruitlopend op deze tweede fase, vroegen zij haar uit­een te zetten welke de relatie is tussen de door de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en van Financiën op de blzn. 2968 en 2971 van de Handelingen genoemde bedragen van respectievelijk 167 en 101 min. en de bedragen van respectievelijk 230 en 167.mln. welke voorkomen in en onder de tabel op blz. 48 van Bestek 1981. In Bestek 1981 wordt voorgesteld op grond van de regeling tegemoetko­ming studiekosten een leeftijdstoeslag voor 16-en 17-jarigen toe te kennen, waarvan de kosten zullen bedragen f 167 min. in 1981. Kan in een tabel wor­den aangegeven wat nu de inkomenseffecten in 1979,1980 en 1981 zullen zijn voor het eerste plus tweede deel kinderbijslagplan inclusief de compen­satieregeling voor respectievelijk: a. een gezin met een 16-of 17-jarige scholier of invalide; b. hetzelfde gezin met ook nog een ouder kind; c. hetzelfde gezin met nog twee oudere kinderen; d. hetzelfde gezin met nog een 16-of 17-jarige scholier of invalide bij res­pectievelijk het minimum inkomen, het modale inkomen, een inkomen van f 50 000 en een inkomen van f 100 000? Voorts stelden de hier aan het woord zijnde leden de vraag, waarom bij de voorgestelde compensatieregeling in de tweede fase slechts is gedacht aan een leeftijdstoeslag voor kinderen van ouders met een inkomen tot en met ' Samenstelling: vaste Commissie voor Sociale Zaken Kloos (PvdA), Versloot (PvdA), Heij (CDA) (voorzitter), Franssen (CDA), Louwes (VVD), Van Tets (VVD). Van Kleef (PPR), Kremer (CPN), Meuleman (SGP), Van der Jagt (GPV), Vogt (PSP), Maris (-).

vaste Commissie voor Financien: Zoon (PvdA), Simons (PvdA), Terwindt (CDA) (voorzitter), Vrouwenvelder CDA). Van Tets (VVD), Voute (VVD), Van Kleet (PPR), Kremer (CPN). Meuleman (SGP), Van der Jagt (GPV), Vogt (PSP), Mans (-).

Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86a

het minimumloon van 75% voor de kinderbijslag. Wat zou het extra kosten als deze leeftijdstoeslag 100% zou bedragen en vervolgens zou dalen als be­oogd tot nihil bij een bruto-inkomen van f 34000? Verder zouden deze leden gaarne vernemen, welke extra bedragen het zou vergen indien de leeftijdstoeslag 100% zou bedragen en de afbouw zou plaatsvinden vanaf een bruto-inkomen van f 40 000 tot nihil bij een bruto-in­komen van f 50 000. Vervolgens werd de vraag gesteld, of de bewindslieden kunnen medede­len hoe de Minister van Onderwijs en Wetenschappen denkt over de nega­tieve invloed van de zogenaamde tweede fase op de onderwijskansen van kinderen met ouders uit lagererespectievelijk middeninkomens. Dezelfde leden vroegen, of het uitgebrachte concept-SER-advies inzake de tweede fase van de herstructurering van de kinderbijslag en de kinderaftrek aan de Kamer kan worden toegezonden. Ten slotte stelden deze leden de vraag, hoe het kabinet oordeelt over de brief van de SER, waarin gewag gemaakt wordt van het onbehagen in de SER. Zijn de bewindslieden van Sociale Zaken van plan een nieuwe advies­aanvrage over de tweede fase van de herstructurering aan de SER te doen toekomen? De leden van de fractie van het C.D.A. betreurden het, dat de moeilijke economische situatie van ons land de ingrepen in de gezinsbudgetten, wel­ke dit wetsontwerp inhoudt, blijkbaar noodzakelijk maakt. Dit geldt te meer nu een totaalinzicht in de uiteindelijke lastenverdeling over het gehele volk, uiteraard naar draagkracht, nog ontbreekt. Bovendien wordt het oordeel over de billijkheid van de nu van de gezinnen gevraagde offers bemoeilijkt door het nog steeds ontbreken van voldoende inzicht in de inkomensver­houdingen van kostwinners met name wat de draagkracht van gezinnen c.q. huishoudens betreft. Toch achtten deze leden het gewijzigde ontwerp van dit kabinet minder bezwaarlijk dan het oorspronkelijke wetsontwerp. In het bijzonder de verankering van ook het horizontale draagkrachtbeginsel sprak hen aan. Ook de bij de behandeling van dit wetsontwerp in de Tweede Ka­mer aangebrachte wijzigingen achtten deze leden verbeteringen. Overigens hadden de hier aan het woord zijnde leden nog moeite met de beleidsvoornemens tweede fase met betrekking tot de 16-en 17-jarigen. Met begrip voor de complexiteit van de materie en eventuele uitstralingseffekten op de loonontwikkeling vroegen zij zich toch af, of de offers van het uitstel niet meer gespreid zouden kunnen worden in een combinatie van alternatie­ven. Daarenboven zullen de slechts gedeeltelijk compenserende toeslagen en het relatief lage inkomensplafond voor die toeslagen toch nog hard aan­komen. Ernstige bezwaren hadden deze leden tegen de gevolgen voor de gezinnen met noodgedwongen thuis verblijvende gehandicapte 16-en 17-jarige kinderen. Zijn er, mede naar aanleiding van de gevoelens in vele fracties van de Tweede Kamer reeds beleidsvoornemens, waarbij deze ge­zinnen meer worden ontzien? Kan ook worden toegelicht hoe dit wets­ontwerp zich verhoudt tot de kinderbijslagregeling voor overheidspersoneel en welke invloed dit wetsontwerp daarop zal hebben, ook gezien in het kader van de bevoegdheden voor de lagere publiekrechtelijke lichamen?

De leden van de fractie van de V.V.D. zouden gaarne vernemen, of de Mi­nister van Sociale Zaken zich sinds zijn uitlatingen in de Tweede Kamer, die hebben geleid tot de intrekking van de motie-Hermsen (nr. 18) en het amen­dement-De Korte (nr. 14), nadere gedachten heeft gevormd over de wijze waarop de terugsluizing van de aan de eerste fase ontleende middelen naar de werkgelegenheidsdoelstelling van Bestek '81 het best zal kunnen plaats­vinden. Voorts vroegen deze leden of er enige reden is waarom een wets­ontwerp studiefinanciering met daarbij behorende afschaffing van de kin­derbijslag voor studerende kinderen ouder dan 18 jaar zou moeten wachten tot na de behandeling van de tweede fase. Is het niet mogelijk en is het ook niet logisch dat het wordt behandeld in het kader van die tweede fase, waar-Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86a

?

in immers een sterk parallel probleem van verlaging van kinderbijslag en daartegenover te geven compensatie door middel van tegemoetkoming in studiekosten een hoofdrol speelt? Heeft nadere overweging tot de conclusie geleid, dat de in de Tweede Kamer aangekondigde compensaties inderdaad voldoende zijn om aantasting van ontplooiingskansen beslist te voorko­men? Indien hieromtrent nog ruimte voor twijfel zou kunnen blijven bestaan, verdient het dan niet toch nog aanbeveling deze compensaties te verruimen door daartegenover de bijslagen voor 0-tot 3-jarigen of voor 0-tot 5-jarigen te beperken c.q. voor 0-tot 10-jarigen of 0-tot 12-jarigen te bevriezen? Wat zouden macrofinancieel (budgettair) en microfinancieel (effect op gezins­budgetten) de gevolgen van dergelijke maatregelen zijn? Is het kabinet, zo vroegen de hier aan het woord zijnde leden verder, be­reid mede te werken aan het tot stand brengen van een geheel nieuw, gemo­derniseerd en gerationaliseerd stelsel van kinderregelingen, dat zal ingaan voor nog niet verwekte kinderen, zodat deze hervormingen niet zullen wor­den geremd of benadeeld door de onvermijdelijk ontstaande verschillen met het huidige in vroegere tijden gegroeide systeem? Zijn de bewindslieden het ermee eens, dat daarbij de kosten per kind en derhalve het leeftijds-en het rangorde-effect (dit laatste dan andersom dan nu) een grote rol zullen moe­ten spelen? Waarom zou de hoognodige herstructurering van deze materie in de tijd niet samen kunnen lopen met de derde fase? Is de indruk juist uit de stukken en uit het betoog van de Staatssecretaris van Sociale Zaken in eerste termijn in de Tweede Kamer, dat het kabinet deze herstructurering enigszins voor zich uit schuift? Houdt dit niet het gevaar in, dat na w i j ­zigingen in drie opeenvolgende fases een behoefte aan rust op dit terrein zal intreden, waardoor deze echte herstructurering (maatschappijhervorming als men wil) op de tocht zou komen te staan? Kan men het daarom niet beter aanpakken nu een en ander toch op de helling moet? Wil het kabinet toezeg­gen, dat het deze herstructurering met voortvarendheid ter hand zal nemen en dat deze met name zal worden geïncorporeerd in de gerichte adviesaan­vrage aan de SER, die naar de bewindslieden toezegden, rond de jaarwisse­ling zal uitgaan? Is het kabinet, zo vroegen deze leden ten slotte, ook bereid aan deze adviesaanvrage toe te voegen het verzoek na te gaan of en hoe me­chanismen in het bestaande stelsel verantwoord kunnen worden inge­bouwd, die ertoe leiden, dat na de derde fase het bestaande stelsel geleide­lijk naar het nieuwe stelsel toegroeit, zodat de overgang in minder dan 18 jaar zou kunnen worden voltooid? Hebben de bewindslieden er al hun ge­dachten over laten gaan of een zodanige vraagstelling zinvol zou kunnen zijn? Zou de ingewikkeldheid van een dergelijke vraagstelling ertoe kunnen leiden, dat aan de SER een antwoord t i j d ig voor invoering per 1 januari 1980 wordt gevraagd voor de herstructurering voor nieuwe kinderen en de ove­rige reeds ter tafel liggende zaken en een antwoord eventueel op een later tijdstip voor wat betreft deze mogelijke verdere geleidelijke aanpassing?

De voorzitter van de vaste Commissie voor Sociale Zaken, Heij De voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën, Terwindt De griffier der Commissies, Ploos van Amstel.

Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86a

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.