Eindverslag van de vaste commissies voor sociale zaken en voor financiën, memorie van antwoord - Vervanging van kinderaftrek van de loon- en inkomstenbelasting door verhoging van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en de Algemene Kinderbijslagwet voor het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1978 en voor het kalenderjaar 1979, voorts een verhoging van de kinderbijslag voor het vierde en elk daaropvolgend kind en voor de kalenderjaren 1979, 1980 en 1981 een wijziging van het aanpassingssysteem van de kinderbijslagbedragen, alsmede het treffen van een voorziening tot handhaving van de structuur van de belastingvrije sommen van de loon- en inkomstenbelasting

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

MEMORIE VAN ANTWOORD

Het verheugt ons dat de leden van de fractie van de P.v.d.A. zich met dit wetsontwerp konden verenigen. Wij hebben kennis genomen van hun stand­punt, dat dit niet inhoudt, dat ook voor de tweede fase op hun steun mag worden gerekend. Deze leden vroegen welke de relatie is tussen de door de Staatssecretaris­sen van Sociale Zaken en van Financiën genoemde bedragen van respectie­velijk 167 en 101 min. en de bedragen van respectievelijk 230 en 167 min. welke voorkomen in en onder de tabel op blz. 48 van Bestek '81. Het bedrag van 167 min. (op basis van cijfers 1981) is het bedrag dat is uitgetrokken voor de met het inkomen aflopende leeftijdstoeslag op de tegemoetkoming stu­diekosten voor ouders van 16-en 17-jarige kinderen. Om te voorkomen dat de belasting en premie over deze leeftijdstoeslag achteraf bij wege van aan­slag door de ouders zullen moeten worden betaald, bestaat het voornemen de belasting en de premie reeds bij de uitkering van deze leeftijdstoeslagen in te houden. Het bedrag van 101 min. stelt het bedrag voordatna aftrek van de verschuldigde belasting en premie van de f 167 min. -voor de ouders netto overblijft. Voorts bestaat het voornemen om ook de huidige tegemoetko­mingen in de studiekosten te brengen onder een voorheffingsregime, zoals we dat op het ogenblik reeds kennen bij de individuele huursubsidies ten einde het opleggen van relatief hoge belasting-en premie-aanslagen in de-1 Samenstelling: Sociale Zaken Kloos (P.v.d.A), Versloot (P.v.d.A), Heij (CDA.), (voorzitter), Franssen (CDA.), Louwes ( V V D ) , Van Tets ( V V D ) , Van Kleef ( P P R ) , Kremer ( C P N ) , Meuleman ( S G P ) , Van der Jagt ( G P V I, Vogt ( P S P ) , Maris (-).

Financien Zoon ( P v d A ) , Simons (P.v.d.A), Terwindt ( C D A ) , (voorzitter), Vrouwenvelder ( C D A ) , Van Tets ( V V D . I, Voute ( V V D ) , Van Kleef (PPR.), Kremer (C.P.N.), Meuleman (S.G.P.), Van der Jagt ( G P V ) , Vogt ( P S P ) , Maris (-).

Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86b

ze gevallen te voorkomen. Voor het mogelijk maken van inhouding van be­lasting en premie op de uitkeringen van de thans reeds bestaande regeling tegemoetkoming studiekosten is een (bruto)bedrag uitgetrokken van 63 min. (op basis van cijfers 1981). Het uittrekken van dit bedrag dat te zamen met het eerder genoemde bedrag van 167 min. leidt tot extra uitgaven tot een bedrag van 230 min., is erop gericht om voor de meerderheid van de huidige categorie ontvangers de overgang naar een inhoudingssysteem zonder moeilijkheden te laten verlopen door middel van nog nader uit te werken verhogingen van de thans bestaande uitkeringen.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. vroegen om in een tabel de inko­menseffecten aan te geven van de eerste en tweede fase van de herstructu­rering van de kinderbijslag (met compensaties) voor een aantal gezinssitu­aties voor de jaren 1979,1980 en 1981. Wij zouden de te geven informatie willen beperken tot het jaar 1979, op basis van cijfers 1978. Zoals de eerste ondergetekende bij de openbare behandeling van dit wetsontwerp in de Tweede Kamer reeds stelde, zijn ramingen van de inkomenseffecten voor la­tere jaren zo afhankelijk van zeer verfijnde veronderstellingen met betrek­king tot inkomensontwikkeling, uiteraard gedifferentieerd, prijsontwikke­ling, belastingen en premies, dat die inkomenseffecten geen betrouwbaar beeld geven. De gevraagde gegevens voor 1979 zijn opgenomen in onder­staand overzicht. Hierbij zij opgemerkt, dat het verband tussen de inkomens­effecten van de eerste en de tweede fase soms direct aanwezig is, maar in andere gevallen ver verwijderd en in weer andere gevallen in het geheel niet aanwezig is. Voorts zijn de effecten van de compensaties apart weergegeven omdat deze alleen gelden voor studerende kinderen. Het overzicht bestaat ter wille van de duidelijkheid daarom uit drie afzonderlijke tabellen, waarvan de bedragen niet zijn samengeteld.

Inkomenseffecten van de herstructurering kinderbijslag en kinderaftrek in guldens per jaar (1979, basis 19781' 1 Met nadruk wordt erop gewezen, dat de cijfers zijn gegeven op jaarbasis. Door het feit dat enkele onderdelen van het wets­ontwerp betreffende de eerste fase eerst op 1 april 1979 ingaan, zullen de werkelijke cijfers lager uitvallen. Dit wordt enigermate gecompenseerd doordat is gerekend met cijfers op basis van 1978. ; Het systeem voor compensaties is nog slechts in grote lijnen uitgewerkt. De mogelijkheid bestaat dat de veimelde bedragen nog wijziging ondergaan, met name waar het gaat om grotere gezinnen. 1e fase a. Een gezin met een 16-of 17-jarig kind (2 telkinderen) en hetzelfde gezin met: b. 1 ander kind (3 telkinderen) c. 2 andere kinderen (4 tel­kinderen)

  • nog een 16-of 17-jarig kind (4 telkinderen)

2e fase a. Een gezin met een 16-of 1 7-jarig kind en hetzelfde gezin met: b. 1 ander kind (3 telkinderen) c. 2 andere kinderen (4 tel­kinderen)

  • nog een 16-of 1 7-jarig kind (4 telkinderen)

Bruto inkomens

21750 (minimum)

  • 121 + 203
  • 271
  • 271

-1539 -1572

-1911

-3483

29900 (modaal)

+ •

+ --

-

-

45111

179

179

21501-57 2

1911

3483

50000

-

110 -

12153

-1539 -1572

-1911

-3483

10000

-

510 -

650

-

582

-

582

-1539 -1572

-1911

-3483

Compensaties 2e fase"' a. Een gezin met een 16-of 17-jarig studerend kind en het­zelfde gezin met: b. 1 ander kind (3 telkinderen) c. 2 andere kinderen (4 tel­kinderen) d nog een 16-of 1 7-jarig studerend kind (4 telkinderen)

  • 1138 1 1138

f 1138

» 2276

+ +

+

  • 380 380

380

760

Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86b

In antwoord op een desbetreffende vraag van deze leden, menen wij dat een leeftijdstoeslag ter grootte van 75% van de kinderbijslag voor het twee­de kind voldoende is om te voorkomen dat door de voorgestelde maatrege­len financiële drempels tot het volgen van onderwijs zouden ontstaan. Zou de leeftijdstoeslag 100% bedragenbij een afbouw tot f 34000-dan zijn de extra kosten f 34 min. op nettobasis en f 56 min. op brutobasis. Een toeslag van 100% tot een brutoinkomen van f 40000 met een afbouw tot f 50 000 brengt resp. f 450 min. (netto) en f 750 min. (bruto) aan extra kosten met zich mee. Hierbij moet worden bedacht dat in de inkomenstrook van f 40 000 tot f 50 000 de marginale effecten dan zeer groot worden. Met betrekking tot de mogelijke negatieve invloeden van de zgn. tweede fase op de onderwijskansen van kinderen met ouders uit de lagere resp. middeninkomensgroepen vreesde de Regering dat er voor deze kinderen in­derdaad financiële drempels zouden worden opgeworpen. Op grond echter van de thans voorgestelde compensaties in de vorm van leeftijdstoeslagen, waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen van de ouders, is de Re­gering echter van oordeel, dat voor deze vrees geen grond behoeft te be­staan.

Als bijlage I bij deze memorie is het concept-SER-advies inzake de tweede fase van de herstructurering van de kinderbijslag en de kinderaftrek ge­voegd. Hiermee is voldaan aan een desbetreffend verzoek van de hier aan het woord zijnde leden. Ons standpunt over de bedoelde brief van de SER is verwoord in een na­der aan de SER gerichte brief dd. 11 juli 1978, die als bijlage II aan deze me­morie is toegevoegd.

De opmerkingen van de leden van de fractie van het C.D.A. met betrekking tot de noodzaak van het ingrijpen in gezinsbudgetten, het ontbreken van een totaalinzicht in de uiteindelijke lastenverdeling over het gehele volk en het gewijzigde wetsontwerp kunnen wij in hun algemeenheid onderschrijven. De wijzigingen aangebracht bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer hebben wij -zoals bekend -niet toegejuicht. Bij de behandeling van dit wetsontwerp in de Tweede Kamerdit in ant­woord op een desbetreffende vraag van de leden van de fractie van het C.D.A. -zijn uitvoerige beschouwingen gewijd aan alternatieven voor de tweede fase. In dit verband mogen wij in het bijzonder verwijzen naar de no­ta naar aanleiding van het eindverslag (14184, nr. 11, blz. 12 t/m 16), Zoals hieruit blijkt heeft een zorgvuldige afweging van diverse alternatieven ons niet kunnen overtuigen van de noodzaak c.q. wenselijkheid van een anders samengesteld pakket van maatregelen. Wij hebben er kennis van genomen, dat deze leden ernstige bezwaren hebben tegen het ontbreken van compensaties voor 16-en 17-jarige invalide kinderen. Vooralsnog zien wij geen aanleiding bijzondere (compenserende) maatregelen te nemen voor deze categorie kinderen. Voor deze kinderen geldt niet, dat zonder compensaties een financiële drempel wordt opgewor­pen tot het volgen van onderwijs. In theorie zouden compensaties voor deze kinderen gerechtvaardigd kunnen zijn op grond van extra uitgaven die ver­band houden met hun invaliditeit. Voor deze uitgaven bestaan echter in het kader van de AAW ruime voorzieningen, bij voorbeeld voorzieningen met betrekking tot lopen, zitten, slapen, hulpmiddelen voor algemene dagelijkse levensverrichtingen, zoals het aan-en uitkleden, eten en drinken, enz., hulp­middelen voor communicatie, voorzieningen in het kader van de woning en vervoersvoorzieningen. Komen er toch nog ziektekosten van het kind ten laste van de ouder dan bestaat nog de mogelijkheid van buitengewone lastenaftrek.

Overigens zal de Regering -overeenkomstig een door de Tweede Kamer op 29 juni 1978 aangenomen motiezich beraden over een studie betreffen­de ouders met een thuiswonend gehandicapt kind en ouders met een in een erkende AWBZ-inrichting opgenomen kind. De voorbereiding tot deze studie zal geschieden door de Interdepartementale Stuurgroep Revalidatiebeleid. De studie zal betrekking hebben op alle gehandicapte kinderen ongeacht de leeftijd.

Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86b

Ten slotte vroegen deze leden hoe dit wetsontwerp zich verhoudt tot de kinderbijslagregeling voor overheidspersoneel (KTO) en welke invloed dit wetsontwerp daarop zal hebben, ook gezien in het kader van de bevoegdhe­den voor de lagere publiekrechtelijke lichamen. De KTO verschilt in materië­le zin niet met de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden. De voorgestelde maatregelen zullen dus ook moeten gaan gelden voor de KTO. De KTO is op alle overheidspersoneel van toepassing en afwijkingen voor lagere publiek­rechtelijke lichamen zijn dan ook niet toegestaan.

De leden van de fractie van de V.V.D. stelden een vraag over de terugsluizing van de aan de eerste fase ontleende middelen naar de werkgelegenheidsdoelstelling van Bestek '81. In dit verband moet een onderscheid ge­maakt worden tussen ombuigingen die betrekking hebben op de rijksbegro­ting en ombuigingen die in direct verband staan met de sociale fondsen. Bij de sociale fondsen leidt een vermindering van uitgaven in principe automa­tisch tot premiedaling. Dit impliceert vermindering van collectieve lasten en dus een bijdrage tot de werkgelegenheidsdoelstelling. Bij de rijksbegroting is het gebruikelijk en gewenst om de door de ombui­gingsoperatie vrijgemaakte middelen in een macrocontext te bezien. Al­leen dan kunnen alle beïnvloedende factoren worden betrokken in een be­schouwing en goede afweging van het te voeren budgettaire beleid. Alleen dan ook is een evenwichtige «policymix» die rekening houdt met de diverse doelstellingen, randvoorwaarden en instrumenten alsmede hun onderlinge verwevenheid bereikbaar. In de Miljoenennota 1979 zal het kabinet dan ook als totaliteit aangeven welke maatregelen in de sfeer van de koopkracht, de kosten en het gerichte beleid voor volgend jaar worden voorgesteld. De mo­gelijkheid om de collectieve lastendruk te stabiliseren is daarbij in zeer ster­ke mate afhankelijk van het welslagen der ombuigingen. In dit geheel draagt de eerste fase van de herstructurering uiteindelijk 300 min. bij. Met betrekking tot de vraag of een wetsontwerp studiefinanciering niet gelijktijdig moet worden behandeld met de voorstellen herstructurering kin­derbijslag en kinderaftrek tweede fase voor 16-en 17-jarige kinderen wordt opgemerkt, dat er tussen die voorstellen en een wetsontwerp studiefinancie­ring geen relatie bestaat, daar een nieuw stelsel van studiefinanciering in be­ginsel ouderen in het secundair en tertiair onderwijs zal betreffen. De Rege­ring acht het logisch en gewenst om pas met voorstellen voor een nieuw stelsel van studiefinanciering te komen, nadat zij haar beleidsuitgangspun­ten voor een nieuw stelsel van studiefinanciering mede in samenhang met het beleid ten aanzien van kinderbijslag en kinderaftrek heeft vastgesteld. Mede gezien hetgeen reeds eerder is gesteld over het wegnemen van finan­ciële drempels acht de Regering de aangekondigde compensaties van een voldoende omvang ter realisering van de ontplooiingskansen. Deze leden vroegen voorts of, indien er ruimte voor twijfels zou kunnen blijven bestaan, het aanbeveling zou verdienen de compensaties te verrui­men en daartegenover de bijslagen voor de jongere leeftijdscategorieën te beperken c.q. te bevriezen. Uit het voorgaande moge blijken dat er naar onze opvatting geen reden is verhoging van de compensaties in overweging te nemen. Voorts menen wij dat beperking c.q. bevriezing van kinderbijslag voor jongere kinderen in feite neerkomt op partiële differentiatie van de kin­derbijslag naar leeftijd. In de nota naar aanleiding van het eindverslag (14184, nr. 11, blz. 15) hebben wij hiertegen uitvoerig onze bezwaren uiteen­gezet. De vragen omtrent de «macrofinanciële» effecten van de door deze leden gesuggereerde maatregelen zijn moeilijk te beantwoorden omdat de­ze leden niet de mate van beperking, noch de modaliteiten (vermindering van bestaande bijslagen of uitstel voor nieuwe gevallen) aangaven. Wel kun­nen wij in dit verband verwijzen naar blz. 15 van eerdergenoemde nota naar aanleiding van het eindverslag waarin is aangegeven dat verlaging van kin­derbijslag tot 50% voor kinderen tot 3 jaar, geboren na 1 januari 1979 een besparing in 1981 van f 265 min. zal opleveren. Bij een verlaging tot 75% voor dezelfde categorie is de besparing in 1981 f133 min. Treft men overeen-Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86b

komstige maatregelen voor kinderen van 0 tot 5 jaar, dan zijn de uiteindelijke besparingen uiteraard hoger, doch deze meerdere besparingen worden nog niet in 1981 gerealiseerd. Kinderen die na 1 januari 1979 zijn geboren heb­ben immers in 1981 nog niet de driejarige leeftijd bereikt. Bij bevriezing van de kinderbijslag voor 0 tot 10 jarige kinderen en voor 0 tot 12 jarige kinderen zouden naar globale schatting de besparingen in 1981 400 min. resp. 500 min. bedragen. Deze ramingen zijn, uitgaande van gemengde indexering, gebaseerd op dezelfde veronderstellingen als de overige bij dit wetsontwerp vermelde bedragen. Verandering van de loon-en prijsveronderstellingen kunnen deze bedragen ingrijpend doen wijzigen. Het microfinancieel effect van de gesuggereerde maatregelen is moeilijk te geven omdat een veelheid van gezinssituaties denkbaar is (aantal kinderen, rangorde, tijdstip waarop het effect wordt gemeten). In een slotbetoog toonden de leden van de fractie van de V.V.D. zich duide­lijk voorstander van een kinderbijslagsysteem gebaseerd op de z.g. kostentheorie, waarbij de kinderbijslag toeneemt met de leeftijd en afneemt met de rangorde. Zij zouden een dergelijk systeem op vrij korte termijn ingevoerd willen zien en adviseren dit aspect bij de gerichte adviesaanvrage aan de SER omtrent de derde fase te betrekken. In de meer genoemde nota naar aanleiding van het eindverslag zijn wij uit­voerig ingegaan op de complicaties van principiële, inkomenspolitieke en technische aard die de invoering van een dergelijk systeem met zich mee­brengt. Wij menen dat het niet mogelijk is een definitief oordeel over dit systeem te geven, dan na uitvoerige en diepgaande studie. De derde fase (volledige integratie kinderaftrek en kinderbijslag, invoering van één kinderbijslagregeling voor alle ingezetenen, wijziging indexering) is voor een groot deel een logisch gevolg en een vervolmaking van de eerste fase. Het is ten zeerste gewenst dat deze derde fase zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd. De derde fase is bijzonder gecompliceerd. Niet anders dan met de grootste inspanning zal de derde fase binnen de voorgenomen tijd kunnen worden gerealiseerd. Het belasten van de derde fase met een studie over een fundamentele systeemwijziging op een geheel ander terrein zal de realisering van de derde fase per 1 januari 1980 reeds bij voorbaat on­mogelijk maken. Bedoelde studie zal evenwel na de derde fase ter hand worden genomen. In zoverre wordt verdere herstructurering inderdaad -noodgedwongen -enigszins vooruit geschoven. Dit betekent echter geenszins dat de zaak op de lange baan wordt geschoven. Met de derde fase is de herstructurering van de kinderbijslag zeker niet afgesloten. Ten slotte zij nog vermeld dat in dit wetsontwerp een onjuistheid voor­komt in de kinderaftrekregeling van de loon-en inkomstenbelasting voor het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1978 en voor het kalenderjaar 1979. Ten einde deze onjuistheid die voorkomt in artikel I, onderdeel D, eerste lid, en artikel II, onderdeel C, eerste lid, zo tijdig mogelijk te herstellen is aan de Tweede Kamer een nota van wijziging gezonden op het ontwerp van Wet houdende aanvulling van de voorzieningen met betrekking tot de jaarlijkse bijstelling van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, zulks ten einde rekening te kunnen houden met een verlegging van de basis voor de bij die bijstelling in aanmerking te nemen prijsindexcijfers. Met de nota van wijzi­ging wordt buiten twijfel gesteld datna de vervanging van kinderaftrek door kinderbijslag -werknemers die recht hebben op de (verhoogde) kin­derbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden géén kinder­aftrek meer genieten. Daartoe is het noodzakelijk gebleken om voor de ge­vallen waarin nog wèl kinderaftrek wordt genoten, duidelijker de voorwaar-Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

den te formuleren dat dan géén der echtgenoten recht op kinderbijslag inge­volge de KWL mag hebben.

De Minister van Sociale Zaken, W. Albeda De Ministervan Financiën, F. H. J. J. Andriessen De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf De Staatssecretaris van Financiën, A. Nootenboom De commissies hebben gemeend met de mededeling van dit antwoord aan de Kamer hun eindverslag te kunnen sluiten.

De voorzitter van de vaste Commissie voor Sociale Zaken, Heij De voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën, Terwindt De griffier van de commissie, Ploos van Amstel Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

BIJLAGE I

SOCIAAL-ECONOMISCHE RAAD

Bestemd voor de vergadering van de Raad van 30 juni 1978

Aan de Minister van Sociale Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken Ontwerp-Advies met betrekking tot de tweede fase van de herstructurering van de kinderbijslag en kinderaftrek

  • Inleiding

Bij brief van 21 april 1978, nr. 51.989, Stafafdeling Beleidsontwikkeling, afd. VV, heeft u het oordeel van de Sociaal-Economische Raad gevraagd over de tweede fase van de herstructurering van de kinderbijslag en kinder­aftrek, waarbij u in verband met de beoogde ingangsdatum -1 januari 1979 -op een spoedige advisering heeft aangedrongen. De adviesaanvrage welke als bijlage hierachter is gevoegd, is ter opstel­ling van een ontwerp-advies in handen gesteld van de Commissie Sociale Verzekeringen. Deze heeft op haar beurt een speciaal daartoe ingestelde werkgroep belast met de voorbereiding van het gevraagde ontwerp-advies. Deze werkgroep is als volgt samengesteld: dr. J. Vermeijden (voorzitter), drs. D. E. Cnossen, dr. J. H. J. Crijns, drs. H. G. Fijn van Draat, drs. J. P. de Heij, J. F. Hoogland, drs. A. van Ooyen en J. W. Verdonk (leden); drs. J. Mensonides (deskundige CPB); drs. W. P. Huizing en drs. L. van der Ende (minis­teriële vertegenwoordigers van resp. Sociale Zaken en van Financiën). Het aldus gereedgekomen ontwerp-advies is behandeld in de vergadering van de Raad van 30 juni 1978 hetgeen in de vaststelling van het navolgende advies heeft geresulteerd.

  • Het standpunt van de Regering

In de adviesaanvrage en de memorie van antwoord op het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsontwerp betreffende de integratie van de kinderaf­trek en de kinderbijslag' worden de plannen van de Regering uiteengezet met betrekking tot de uiteindelijk te realiseren herstructurering van de kin­deraftrek en kinderbijslag. Volgens deze plannen zal de herstructurering in drie fasen geschieden.

  • In de eerste fase wordt de kinderaftrek van de loon-en inkomstenbelas­ting -met uitzondering van die voor de eerste twee kinderen van zelfstandi­gen -vervangen door een opslag op de kinderbijslag. Dit wordt zodanig gere aliseerd dat personen met een inkomen van f 40 000 -het zgn. draaipuntinkomen -geen voor-of nadeel van deze operatie ondervinden, terwijl zij voor de er beneden liggende inkomens een voordeel en voor de er boven liggen­de inkomens een nadeel betekent. Dit voordeel is groter naarmate het inko­men lager is, terwijl het nadeel toeneemt met de stijging van het inkomen. Deze eerste fase van de herstructurering geschiedt overeenkomstig het op 27 oktober 1976 door het vorige kabinet ingediende wetsontwerp, met dien verstande dat het draaipuntinkomen is verschoven van het inkomen van de modale werknemer naar dat van f 40 0002. Voor het overige staat de huidige Regering uiteindelijk een ander stelsel van kindervoorzieningen voor ogen dan bij het vorige kabinet het geval was. Bij deze laatste was de nu aanhangige eerste fase de eerste stap om te ko­men tot een systeem van inkomensafhankelijke kinderbijslagen. Dit doel wordt nu verlaten omdat een dergelijk systeem tot een te rigoureuze aantas­ting van het fiscale draagkrachtbeginsel zou leiden, verder de uitvoering bij­zonder gecompliceerd zou maken en ten slotte in samenhang met de beoog­de ombuigingen de inkomenspositie van de middengroepen te zeer zou aan­tasten.

1 De adviesaanvrage en de memorie van ant woord zijn van dezelfde datum 1 In cijfers voor 1978; voor de jaren na 1978 vindt aanpassing van dit draaipuntinkomen plaats overeenkomstig de ontwikkeling van de belastingvrije voet Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr.86b

Realisering van de eerste fase per 1 oktober 1978 betekent dat de kinder­bijslagbedragen per kwartaal voor het eerste, tweede en derde kind ver­hoogd moeten worden met resp. f 72,54, f 37,44 en f 37,443. Per 1 januari 1979 wordt deze verhoging herzien als ware het nu geldende systeem van kinderaftrek gehandhaafd. Voor de rijksbegroting heeft de realisatie van de eerste fase de volgende effecten (in min. gld.):

1978

1979

1980

1981

Transactiebasis: Meeropbrengst belastingen door wegvallende kinderaftrek Opslagen kinderbijslag

Ombuigingen

Btygrotingsbasis:

31526

1370 1135

1470 1205

1575 1275

235

265

300

Meeropbrengst belastingen Opslagen kinderbijslag

Ombuigingen

10523

-130

1355 940

415

1455 1135 320

1555 1255 300

In genoemde memorie van antwoord tekent de Regering aan «dat het integratievoorstel leidt tot extra middelen voor de collectieve sector. Het integratievoorstel levert echter toch een bijdrage aan de ombuigingsoperatie. Im­mers, er worden voor de realisering van de doelstellingen van de ombui­gingsoperatie per saldo middelen vrijgemaakt».

1 Aangezien vanaf 1 januari 1977 ingevolge het nu nog bestaande systeem voor vierde en volgende kinderen geen kinderaftrek meer be­staat, behoeft voor deze kinderen geen verho­ging van de kinderbijslagbedragen plaats te vinden. 4 Hieronder wordt verstaan de kinderbijslag ingevolge de AKW, KWL, KTO en KKZ (incl. de eventuele opslag op grond van de eerste fase), alsmede de dan nog bestaande kinderaftrek voor bijzondere categorieën als zelfstandigen, gemoedsbezwaarden, grensarbeiders, ge­scheiden vrouwen, e.a. 5 In de adviesaanvrage wordt een bedrag van f 170 min, genoemd. Nadien is van de zijde van het Departement van Sociale Zaken mondeling medegedeeld dat dit f 130 min moet zijn. 6 Het feitelijke bedrag is afhankelijk van de rang­orde van het voor het recht op kinderbijslag meetellende kind, het z.g. telkind: tweede en derde kind f 1 517,-, vierde en vijfde kind f 1 788,-, zesde en zevende kind f 1 978,-, acht ste en volgende kind f 2.187,-. Deze bedragen zijn berekend naar de toestand per 1 januari 1978 Zij zijn belastingvrij. ' Memorie van toelichting op het op 26 okto­ber 1957 ingediende wetsontwerp AKW, blz 29

  • Wat de tweede fase betreft, wordt voorgesteld voor studerende en in­valide thuiswonende kinderen en voor zgn. huishoudkinderen die na 31 de­cember 1962 zijn geboren en die dus na 31 december 1978 16 jaar worden, het eventuele recht op tweevoudige kinderbijslag* niet te laten ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 16 jaar, maar bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Dit impliceert dan tevens dat voor dezelfde categorie, doch uitwo­nend, het eventuele recht op drievoudige kinderbijslag ook pas ingaat bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Kort samengevat houdt dit voorstel in dat per 1 januari 1979 één kinderbijslag extra voor studerende en invalide kinderen van 16 en 17 jaar komt te vervallen. Ten aanzien van de beoordeling van deze maatregel acht de Regering vier aspecten van belang, t.w.: -hij levert op betrekkelijk korte termijn besparingen op zonder dat er sprake is van feitelijke vermindering van inkomen. De besparingen bedra­gen in 1979 f 130 min.5 en in 1981 f 820 min. (= f 650 min. in prijzen 1979). Wat de inkomensontwikkeling betreft, wordt erop gewezen dat de voorge­stelde maatregel er niet toe leidt dat iemand er in inkomen op achteruitgaat, maar dat voor de duur van twee jaar uitstel van inkomenstoeneming plaats­vindt van op basis van 1 januari 1978 gemiddeld f 1680 belastingvrij per jaar6; -hij leidt tot een vereenvoudiging van de kinderbijslagwetgeving; -hij leidt tot een logischere opzet op het gebied van de meervoudige kin­derbijslag;

-hij laat de situatie ten aanzien van studerende kinderen van 18 jaar en ouder onverlet.

Ten aanzien van deze laatste drie punten merkt de Regering op dat de hui­dige leeftijdsgrens van 16 jaar voor één kinderbijslag extra betrekkelijk wille­keurig is. Als een motivering gevonden kan worden in het feit dat «onder­houdskosten als direct gevolg van studie aanwijsbaar hoger zijn dan de on­derhoudskosten van kinderen in het algemeen»7, dan zou het eerder in de Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86b

rede liggen om de leeftijdsgrens te leggen bij het begin van het middelbaar onderwijs (ca. 12 jaar) of bij de aanvang van het tertiaire onderwijs (ca. 18 jaar) De Regering concludeert dan ook dat het verschil in behandeling tus­sen enerzijds kinderen van 12 t/m 15 jaar en anderzijds kinderen van 16 en 17 jaar ten aanzien van het recht op kinderbijslag niet gehandhaafd behoeft te worden. Gelet op de noodzaak van een beperking van de toeneming van de collectieve lasten, wordt vervolgens geopteerd voor een leeftijdsgrens van 18 jaar. Zowel in de adviesaanvrage als in meergenoemde memorie van ant­woord wordt voorts opgemerkt dat «de maatregel (-) in bepaalde situaties beperking van onderwijskansen tot gevolg (zal) kunnen hebben. Dit zal zo­veel mogelijk moeten worden voorkomen. Wellicht geeft dit aanleiding tot compensaties voor bepaalde categorieën. Eventueel zullen hieromtrent voorstellen worden gedaan na afweging in het kader van het totale ombui­gingspakket ». In genoemde memorie van antwoord tekent de Regering verder nog aan «dat naar haar mening de invoering van de eerste en de tweede fase nauw samenhangende maatregelen zijn, noodzakelijk als onderdeel van de om­buigingsoperatie ». Over deze tweede fase van de herstructurering van de kinderaftreken kin­derbijslag wordt nu het oordeel van de Raad gevraagd.

  • De derde fase is in de gedachtengang van de Regering een logisch ge­volg van de eerste fase en houdt een afronding in van de integratie van de kinderaftrek in de kinderbijslag. Zij zal o.m. betekenen het vervangen van de huidige kinderbijslagregelingen door één volksverzekering op grond waar­van ook voor de eerste twee kinderen van zelfstandigen kinderbijslag zal worden gegeven. Deze derde fase zal zodanig moeten worden gerealiseerd, aldus de memorie van antwoord, dat de gehele operatie (vrijwel) neutraal kan worden gefinancierd. In de adviesaanvrage zegt de Regering toe over de plannen voor de derde fase welke per 1 januari 1980 in maatregelen omgezet moeten zijn, tijdig een gericht advies aan de Raad te zullen vragen.
  • Standpunt van de raad

3.1. Alvorens zijn mening over de beleidsvoornemens van de Regering ten aanzien van de tweede fase van de herstructurering van de kinderbijslag en de kinderaftrek kenbaar te maken, brengt de raad in herinnering het oor­deel dat hij op 26 november 19768 heeft gegeven over de door de toenmali­ge regering ingediende en nu door de huidige Regering op hoofdpunten ge­handhaafde plannen ten aanzien van de eerste fase. In dit advies heeft de raad zich in meerderheid een tegenstander getoond van het afschaffen van de kinderaftrek en het vervangen ervan door een voor ieder gelijke ooslag op de kinderbijslag. De raad heeft toen als belangrijkste argument voor dit afwijzende standpunt aangevoerd dat de kinderaftrek geen belastinguitgave is, doch een wezenlijk en integrerend onderdeel van de belastingheffing naar draagkracht. Daarom heeft hij overheveling ervan naar de sfeer van de kinderbijslagen ongerechtvaardigd genoemd. Aan het bestaan van de kin­deraftrek heeft de raad vanuit dit gezichtspunt voorts een zo grote betekenis toegekend dat zijns inziens teruggekeerd zou moeten worden naar de situ­atie van vóór 1 januari 1973, dat wil zeggen naar een herstel van een met het inkomen tot een bepaalde grens en met het kindertal oplopende kinderaftrek en naar het wederom aan de belastingheffing onderwerpen van de kinder­bijslagen. Verder heeft de raad tegen het toen aanhangige voorstel inge­bracht dat op deze wijze de collectieve lastenstijging niet wordt beperkt maar juist wordt vergroot. Geplaatst voorde noodzaak van beleidsombui­gingen heeft de raad er verre de voorkeur aan gegeven om wat de kinder­voorzieningen betreft, de nodige besparingen te zoeken in de sfeer van de kinderbijslagen. Hiertoe zijn door hem verschillende mogelijkheden aanges Advies inzake enkele beleidsvoornemens vervat in de Nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid, uitgave van de Sociaal-Eco­nomische Raad, 1976, no. 24. 9 Ter toelichting wordt verwezen naar de tabel op blz. 3 van het voorliggende advies Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr.86b

geven, zoals bevriezing van de kinderbijslag voor het tweede kind -met een mogelijke waardevastheid ervan voor de lagere inkomensgroepen -en waardevaste kinderbijslagen voor derde en volgende kinderen. Enige leden van de raad hebben voornoemd principieel bezwaar tegen de afschaffing van de kinderaftrek onderschreven en eveneens gepleit voor we­derinvoering van een ruimere en naar kindertal gedifferentieerde kinderaf­trek en het wederom als een onderdeel van het belastbaar inkomen be­schouwen van de kinderbijslagen. Als mogelijke beleidsombuiging hebben zij genoemd de invoering van een kinderbijslagstelsel waarin voorbij een be­paald draaipuntinkomen de kinderbijslag voor het eerste kind vervalt en ver­volgens bij stijging van het inkomen ook de kinderbijslag voor het tweede kind en volgende kinderen. Daarnaast hebben zij de mogelijkheid naar voren gebracht van een gemengde indexering van de kinderbijslagen en/of gedeeltelijke indexering van de kinderbijslag voor het tweede kind. Een minderheid van de raad, bestaande uit een vrij groot aantal leden, heeft instemming betuigd met de keuze van de toenmalige regering om de huidige kindervoorzieningen uiteindelijk onder te brengen in één kinderbij­slagregeling die gekenmerkt wordt door belastingvrije kinderbijslagen, gedif­ferentieerd naar inkomen, gezinsgrootte en leeftijd der kinderen. Deze min­derheid heeft de aan deze keuze ten grondslag liggende uitgangspunten kunnen onderschrijven. Ook zij heeft het standpunt ingenomen dat de kin­deraftrek een belastinguitgave is, hetgeen vertaling ervan in kinderbijslagen in beginsel mogelijk maakt. Hierbij heeft deze minderheid gewezen op het feit dat ook bij een vervanging van de kinderaftrek door een verhoging van de kinderbijslagen een bepaalde vorm van kinderaftrek wordt gehandhaafd doordat voor de dan te verlenen kinderbijslagen belastingvrijdom geldt. De nominale betekenis van deze belastingvrijdom neemt toe met de stijging van het belastbaar inkomen. Daarnaast heeft deze minderheid van de raad zich kunnen verenigen met de inkomenspolitieke doeleinden die de toenma­lige regering met de destijds aangekondigde maatregelen ten aanzien van de herstructurering van de kinderaftrek en de kinderbijslag voornemens was te realiseren. Voorts is geconstateerd dat de beoogde integratie op zich zelf reeds tot een overzichtelijker en helderder systeem van kindervoorzieningen kan leiden dan het huidige stelsel van kinderbijslag en kinderaftrek. In het licht van het uiteindelijke doel van de herstructurering, t.w. inkomensafhankelijke belastingvrije kinderbijslagen, heeft deze minderheid van de raad zich dan ook in het algemeen akkoord verklaard met de toen voorliggende plannen, zij het dat naar haar mening het zgn. draaipuntinkomen in de eerste fase hoger vastgesteld zou moeten worden, en wel op de verzekeringsplichtige loon­grens van de Ziekenfondswet.

3.2. Nu de Regering de destijds bestaande beleidsvoornemens ten aan­zien van de eerste fase van de integratie van de kinderaftrek en de kinderbij­slag in hoofdzaak handhaaft, concludeert (de meerderheid van) de raad dat aldus vanwege de effecten op de individuele inkomens, met name van de middengroepen, de mogelijkheden om in een volgende fase tot een beper­king van de kinderbijslagen te komen, in aanzienlijke mate worden beperkt. Deze beperking van mogelijkheden in een volgende fase geldt ook voor de enige leden van de raad die in plaats van afschaffing van de kinderaftrek een systeem van inkomensafhankelijkheid van het recht op kinderbijslag be­pleit hebben omdat in de nu om advies voorliggende tweede fase van de herstructurering tevens de doelstelling van inkomensafhankelijke kinder­bijslagen wordt verlaten.

3.3. Op basis van de nu voorliggende stukken met betrekking tot de her­structurering van de kindervoorzieningen constateert de raad dat hem hierin geen enkel inzicht wordt geboden in de waarde van de stelling van de Re­gering dat het integratievoorstel in de eerste fase een bijdrage levert aan de 9 Ter toelichting wordt verwezen naar de tabel op biz. 3 van het voorliggende advies ombuigingsoperatie omdat per saldo voor de realisering van de doelstellin '° Voor 1977 f33650; voor 1978f 36200.

gen ervan middelen worden vrijgemaakt Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86b

Ten gevolge van de afschaffing van de kinderaftrek stijgt immers de belas­tingdruk uiteindelijk met 0,45% NNI, terwijl de opslagen op de kinderbijsla­gen een verhoging van de collectieve uitgaven betekenen van 0,35% NNI". Bovendien wordt in het geheel niet aangegeven op welke wijze de extra be­lastingmiddelen als resultante van de afschaffing van de kinderaftrek en de opslagen op de kinderbijslagen ter grootte van 0,1 % NNI zullen worden aan­gewend in de collectieve sector. Hierdoor is het hem niet mogelijk om zich een oordeel te vormen over de afweging welke ter zake binnen het kabinet heeft plaatsgevonden. Aangezien inzicht in deze afweging ook voor de be­oordeling van de verdere fasen van de herstructurering van de kinderbijsla­gen en de kinderaftrek van betekenis kan zijn, betreurt de raad het dat hem hieromtrent geen gegevens zijn verschaft.

3.4. Een gebrek aan gegevens constateert de raad eveneens ten aanzien van de nu om advies voorliggende tweede fase van de herstructurering van de kindervoorzieningen. Weliswaar wordt het beleidsvoornemen van de Re­gering geplaatst in het kader van de beperking van de groei van de collectie­ve lasten, maar dit kader is niet kwantitatief nader uitgewerkt. Daarom ont­breekt voor de raad de mogelijkheid te beoordelen of in de sfeer van de kin­dervoorzieningen in 1981 minder uitgegeven moet worden en zo ja of het beoogde bedrag van f 820 min. al dan niet voldoende is. Aan de hand van de hem op dit moment ter beschikking staande stukken is het de raad niet mo­gelijk om de voorgestelde maatregelen ten aanzien van het recht op kinder­bijslag voor 16-en 17-jarigen op een juiste wijze af te wegen in het licht van de verwachte economische mogelijkheden voor de naaste toekomst en te­gen de achtergrond van de bestaande wenselijkheden op het terrein van de collectieve voorzieningen, met name de sociale voorzieningen. Van een oor­deel over de noodzaak dan wel de wenselijkheid van het nu om advies voor­liggende beleidsvoornemen moet de raad zich derhalve onthouden. Hij kan zich alleen in meer technische zin een mening hieromtrent vormen. In dit verband wijst de raad er nog op dat het hem verbaast dat de Regering gemeend heeft in het kader van de bezuinigingsoperatie maar vooruitlo­pend daarop, op dit moment wel met de genoemde beleidsvoornemens naar buiten te kunnen treden maar dat zij eventuele compenserende maatre­gelen om het effect op de mogelijke beperking van onderwijskansen te miti­geren, volledig afhankelijk heeft gesteld van het resultaat van de afweging in het kader van het totale ombuigingspakket.

" In de theorie dat de kinderaftrek een belas­tinguitgave is, is de belastingdrukstijging van 0,45% NNI slechts statistisch Hierop mag dan de vervangende kinderbijslag van 0,35% NNI in mindering worden gebracht, zodat een reële belastingdrukstijging resulteert van 0,1 % NNI. Wordt de theorie van de belastinguitgave ver worpen -wat de huidige Regering doet (me­morie van antwoord, wetsontwerp 14184, no. 7. blz 10) -dan resulteert een reële belasting­drukstijging van0,45% NNI. ' 2 In dit verband wordt nog aangetekend dat ook het definitieve standpunt van de Regering over het in voorbereiding zijnde nieuwe stelsel van studiefinanciering nog niet bekend is. Dit nieuwe stelsel kan inhouden dat de kinderbij­slag voor kinderen van 18 jaar en ouder komt te vervallen waartegenover aan elke student van overheidswege een basistoelage wordt ver­strekt 3.5. Uitgaande van de regeringsbeslissing ten aanzien van de eerste en de tweede fase van de herstructurering van de kinderaftrek en de kinderbijslag, komt de raad met betrekking tot het voorstel om één kinderbijslag extra voor studerende en invalide kinderen van 16 en 17 jaar te laten vervallen tot het volgende, in hoofdzaak technische oordeel.

3.5.1. Zuiver rekenkundig is het juist dat het vervallen van deze kinder­bijslag extra voor de betreffende gezinnen niet leidt tot een directe achteruit­gang in besteedbaar inkomen maar alleen tot een achteruitgang in de ver­wachte inkomensontwikkeling. Hierbij moet echter uitdrukkelijk worden op­gemerkt dat in een wettelijk vastgelegd systeem van recht op inkomen in bepaalde omstandigheden -waaronder ook begrepen in de toekomst gele­gen omstandigheden -elke blijvende wijziging in dit recht een verandering in de totale inkomenspositie van de desbetreffende personen tot gevolg heeft. Uit dien hoofde is in het onderhavige geval waarin een vermindering van aanspraken wordt voorgesteld, wel sprake van, zij het in de toekomst gelegen, feitelijke inkomensvermindering. Hiermee wil overigens niet ge­zegd zijn dat een maatregel als de nu om advies voorliggende, daarom on­aanvaardbaar zou zijn. Dit wordt namelijk bepaald door de consequenties welke deze maatregel voor de verschillende inkomensgroepen heeft, en door de waarde welke in sociaal-politieke zin aan deze consequenties wordt gegeven.

Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184. nr. 86b

Wat de overige drie door de Regering genoemde aspecten betreft, moet worden geconstateerd dat deze op zich zelf geen voldoende grond kunnen zijn om het voorstel te motiveren. Zij hebben derhalve slechts een bijkomsti­ge en betrekkelijk geringe betekenis. In elk geval is het onjuist om te stellen dat de voorgenomen maatregel leidt tot een vereenvoudiging van de kinder­bijslagwetgeving : de overige criteria voor het recht op kinderbijslag blijven immers ongewijzigd.

3.5.2. De achteruitgang in verwachte inkomensontwikkeling bedraagt, zoals vermeld, gemiddeld f1680 belastingvrij per jaar (cijfer op basis van 1 januari 1978). Het is duidelijk dat het effect op het besteedbaar gezinsinko­men groter is naarmate het inkomen lager is, dat wil zeggen dat de laagste inkomensgroepen relatief het meest door deze maatregel getroffen zullen worden. Verder dient het gezamenlijke effect van de regeringsvoorstellen ten aanzien van de eerste en de tweede fase van de herstructurering van de kin­dervoorzieningen bij de beoordeling van de tweede fase in aanmerking ge­nomen te worden, ook voor de boven het z.g. draaipuntinkomen gelegen inkomensgroepen. Hierbij wordt evenwel aangetekend dat tussen de inko­menseffecten van de eerste fase en de achteruitgang in verwachte inko­mensontwikkeling ten gevolge van de tweede fase soms een direct ver­band, soms een verder verwijderd verband en soms in het geheel geen ver­band bestaat. Slechts in die gevallen waarin de ouders op zeer korte termijn de nadelen ondervinden van de maatregel met betrekking tot de 16-en 17-jarigen kan van een direct verband worden gesproken. Daarom wordt in de hierna volgende tabel volstaan met het aangeven van het verband voor degene, die een kind heeft dat in het 1ste kwartaal 1979 16 jaar wordt. In dit verband wijst de raad ook nog op de positie van de studerende kin­deren van 16 en 17 jaar in het kader van de ziekenfondsverzekering, met na­me de vrijwillige ziekenfondsverzekering. Voor deze verzekering vervalt met het bereiken van de 16-jarige leeftijd de gratis medeverzekering uit hoofde van de vrijwillige ziekenfondsverzekering van de ouders. Studerende kinde­ren kunnen dan tegen een gereduceerde premie (per 1 januari 1978 f 57,65 per maand) medeverzekerd blijven op de verzekering van de ouders. In de verplichte en de bejaardenziekenfondsverzekering daarentegen blijven de kinderen van 16 jaar en ouder gratis medeverzekerd, indien voor hen recht op kinderbijslag bestaat. Dit betekent dat door het vervallen van één kinderbijslag extra voor studerende kinderen van 16 en 17 jaar, het besteed­bare inkomen van de ouders die vrijwillig verzekerd zijn, relatief meer wordt beperkt.

Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

1?

Tabel. Inkomenseffecten wan de eerste en de tweede fase van de herstructurering van de kinderbijslag en de kinderaftrek voor degene die een kind heeft dat in het eerste kwartaal 1979 16 jaar wordt, bij verschillende inkomens op jaarbasis 1978. Tussen haakjes de mutaties in procenten van het belastbaar inkomen minus belasting Eerste fase Gezinnen met 1 kind geb. in het eerste kwartaal 1963 en 0 andere kinderen 1 ander kind 2 andere kinderen Tweede fase Gezinnen met 1 kind geb. in het eerste kwartaal 1963 en 0 andere kinderen 1 ander kind 2 andere kinderen To taal Gezinnen met 1 kind qel). in het eerste kwartaal 1963 en 0 andere kinderen 1 ander kind 2 andere kinderen

Inkomens

21750 (min. inko

+

99 + 148 +

148

-1517 -1517 -1788

-1418 -1369 -1640 men)

(+ H (+

(-(-1-

(-1-(-0,6) 0,9) 0,9)

9,5) 9,5) 11,2) 8,9) 8,6) 10,3)

29900 (modaal inkomen)

+ + +

_ --

_ --

23 56 56

21501-51 7 1788

1494 1461 1732 (+ 0,1) (+ 0,3) (+ 0,3)

1 -7,21 ( -7,2) ( -8 , 5 )

(-7,1) ( -7,0) ( -8,3)

40 000 0 0 0

-1517 -1517 -1788

-1517 -1517 -1788 (0) (0) (0)

( -5,9) ( -5,9) ( -6,9)

( -5,9) [ -5,9) 1 -6,9)

50000

-

13217 6 -

176

-1517 -1517 -1788

-1649 1693 -1964 (-0,4) ( -0 , 6 ) I -0,6)

( -5,0) ( -5,0) ( -5,8)

I 5,3) I -5,5) ( -6,3)

75000

-

444 -

595 -

595

-1517 -1517 -1788

-1961 -2112 -2383 1-1,0) (-1,4) ( -1,4)

( 3,5) ( 3,51 ( -4 , 2 )

1-4,6) 1 -4,9) 1 -5,5)

Bron: Ministerie van Sociale Zaken.

3.5.3. Wat de onderwijskundige aspecten betreft neemt de raad als vrijwel zeker aan dat van de maatregel een negatieve invloed uitgaat op de onder­wijskansen van kinderen van ouders uit de lagere en middengroepen. Deze mogelijke negatieve invloed welke uiteraard niette kwantificeren is, is niet in overeenstemming te brengen met het streven allerwege om de belemmerin­gen voor kinderen om tot ca. 18 jaar volledig dagonderwijs te volgen weg te nemen. Daarom bevreemdt het de raad dat niet gelijktijdig met het voorstel tot vermindering van de kinderbijslag voor 16-en 17-jarigen compenserende maatregelen in overweging worden gegeven voor die ouders voor wie door eerstgenoemd voorstel de mogelijkheden om hun kinderen volledig dagon­derwijs te laten volgen, verminderd worden. Dit geldt te meer omdat deze ouders -gelet op de positieve correlatie tussen inkomenshoogte van de ou­ders en schooltype van de kinderen -in hun motivering om hun kinderen tot 18 jaar volledig dagonderwijs te laten volgen, het meest kwetsbaar zijn. Verder moet in aanmerking worden genomen dat het deelnemen aan het volledig dagonderwijs niet alleen als een goed op zich zelf genomen gesti­muleerd moet worden maar dat dit vanwege de verminderde gelegenheid om werk te vinden ook uit dien hoofde gewenst is. Zouden de jongeren van 16 en 17 jaar door het vervallen van de extrakinderbijslag zich eerder voor de arbeidsmarkt beschikbaar stellen, maar zou er voor hen geen werk zijn, dan zouden zij werkloos worden. Naast de algemeen erkende nadelige effecten welke aan werkloosheid zijn verbonden, heeft dit tot gevolg dat zij dan inge­volge de Algemene Bijstandswet een uitkering kunnen ontvangen. Op deze wijze zou een deel van de beoogde besparing verloren kunnen gaan.

Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

3.5.4. Wat de positie van de invalide kinderen van 16 en 17 jaar betreft, moet de raad constateren dat in de adviesaanvrage elke aanwijzing voor een compenserende maatregel ontbreekt. In de nota naar aanleiding van het eindverslag bij het momenteel bij de Tweede Kamer aanhangig wets­ontwerp met betrekking tot de eerste fase van de integratie van de kinderaf­trek en de kinderbijslag wordt opgemerkt dat de huidige situatie voor uitwo­nende invalide kinderen van 0-18 jaar ongewijzigd blijft. Voorts wordt ge­zegd dat voor zover thuis wonende invalide kinderen onderwijs volgen de positie van hun ouders geen andere is dan die van ouders van gezonde kin­deren die aan het onderwijs deelnemen. In aanmerking dient immers te wor­den genomen dat de extrakosten voor invalide kinderen geheel of vrijwel ge­heel worden opgevangen door andere wettelijke voorzieningen zoals de AAW, de AWBZ, de Ziekenfondswet en de buitengewonelastenregeling in de inkomstenbelasting. Naar de mening van de raad laat deze argumentatie onverlet dat de ouders van thuis wonende invalide kinderen niet duidelijk aanwijsbare, aan bepaalde algemene bestedingscategorieën toe te rekenen extrakosten hebben, waardoor zij door de voorgestelde maatregel relatief zwaarder in de ontwikkeling van hun besteedbaar inkomen worden getrof­fen dan ouders van gezonde kinderen. Dit spreekt te meer waar de positie van ouders van uitwonende invalide kinderen wat hun kinderbijslagaanspra­ken betreft, ongewijzigd blijft. De raad tekent hier voorts nog bij aan dat de buitengewonelastenregeling in de inkomstenbelasting mede als gevolg van de in dit verband gehanteerde drempels slechts van beperkte betekenis kan zijn, in het bijzonder voor de lagere-inkomenscategorieën.

'3 Uit de nota blijkt dat het aantal thuis wonen­de invalide kinderen van 16 en 17 jaar dat geen onderwijs volgt, bijzonder klein is, te weten ca 500

3.5.5. Op grond van het vorenstaande komt de raad overigens niet tot een eensluitend standpunt in meer technische zin over het nu om advies voorlig­gende beleidsvoornemen. Een deel van de raad is van mening dat de voorgestelde maatregel meer aanvaardbaar zou zijn indien gelijktijdig met het in werking treden ervan de nodige gerichte compenserende maatregelen zouden zijn voorgesteld. Hier­bij denkt dit deel van de raad ten aanzien van de studerende kinderen aan het verleggen van de leeftijdsgrens voor de schoolgeldplicht naar eveneens 18 jaar, aan een wijziging van de maatstaf waarnaar het schoolgeld wordt geheven, en aan een verruiming van de voor middelbare scholieren be­staande regeling tegemoetkoming studiekosten. Overigens is het duidelijk dat door deze noodzakelijke compensaties een deel van de beoogde bezuini­gingen teniet wordt gedaan, terwijl het stelsel geenszins aan doorzichtigheid wint, integendeel in zijn totaliteit wellicht ingewikkelder wordt. Een ander deel van de raad kan zich vooralsnog niet uitspreken over het meer aanvaardbaar of het onaanvaardbaar zijn van de voorgestelde maatre­gel. Het is van oordeel dat een eindconclusie -ook in meer technische zin -pas kan worden gegeven nadat het gehele complex van bezuinigingsmaat­regelen bekend is en in zijn onderlinge samenhang met inbegrip van com­penserende maatregelen kan worden beoordeeld. Weer een ander deel van de raad komt tot de slotsom dat de om advies voorliggende maatregel onaanvaardbaar is. De substantiële inkomensda­ling die voor de lagerbetaalden met kinderen in de leeftijdsklasse van 16 en 17 jaar het gevolg is, past niet in een inkomensbeleid dat juist gericht dient te zijn op het versterken van de positie van dergelijke kwetsbare inkomens­categorieën. Daarenboven is dit deel van de raad van mening dat aan de on­derwijskundige consequenties van de maatregel onvoldoende aandacht is besteed. Het acht het onaanvaardbaar dat in de adviesaanvrage volstaan wordt met de mededeling dat eventuele voorstellen tot compensatie voor bepaalde categorieën pas gedaan zullen worden na afweging in het kader van het totale ombuigingspakket. In dit verband wijst dit deel van de raad er op dat het verleggen van de leeftijdsgrens voor de schoolgeldplicht voor studerende kinderen naar 18 jaar geen enkel soelaas kan bieden voorde la­gerbetaalden, omdat deze vrijwel geheel zijn vrijgesteld van schoolgeldbeta­ling. In een verruiming van de voor middelbare scholieren bestaande rege-Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

ling tegemoetkoming studiekosten ziet dit deel van de raad alleen dan een wezenlijke bijdrage tot het oplossen van de te verwachten knelpunten wan­neer de inkomensgroepen tot aan het zgn. draaipuntinkomen van de eerste fase langs deze weg een volledige compensatie krijgen voor de gederfde bijslagen. Dit zal het beoogde besparingseffect echter aanzienlijk verminde­ren. Dit deel van de raad geeft de Regering dan ook in overweging af te zien van de voorgestelde tweede fase en terug te keren naar de oorspronkelijke uitgangspunten van de integratie van de kinderbijslag en de kinderaftrek, zo­als deze in de nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voor­zieningen en de werkgelegenheid van 9 juni 1976 zijn uiteengezet. Hierbij kent dit deel van de raad een bijzondere betekenis toe aan de inkomenspoli­tieke doeleinden van de in deze nota vermelde herstructureringsplannen. In dit verband constateert dit deel van de raad overigens met instemming dat aan zijn wens om het draaipuntinkomen in de eerste fase van de herstructu­rering te verhogen, door de Regering is tegemoetgekomen.

's-Gravenhage,

Voorzitter

Wnd. algemeen secretaris

Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN

Aan de Sociaal-Economische Raad Bezuidenhoutseweg 60 's-Gravenhage

's-Gravenhage, 21 april 1978

Onderwerp: Adviesaanvrage m.b.t. de tweede fase van de herstructurering van de kinderbijslag en kinderaftrek In de heden aan de Tweede Kamer gezonden memorie van antwoord op het op 27 oktober 1976 ingediende wetsontwerp betreffende de integratie van de kinderbijslag en kinderaftrek zijn de plannen van de Regering uiteen­gezet met betrekking tot de herstructurering van de kinderbijslag en kinder­aftrek. Volgens deze plannen zal de herstructurering zich voltrekken in drie fasen. In de eerste fase zullen kinderbijslag en kinderaftrek (excl. die voor eerste en tweede kinderen van zelfstandigen) worden geïntegreerd, waarbij hetzgn. draaipunt ligt bijeen bruto inkomen van f40000. Omtrent dit voor­stel adviseerde u reeds op 26 november 19761, zij het dat er toen sprake was van een zgn. draaipuntinkomen, dat gelijk was aan het inkomen van de mo­dale werknemer. De volgende fasen van de herstructurering wijken sterk af van de voorstellen, die indertijd zijn verwoord in de Nota collectieve voorzie­ningen en werkgelegenheid. Deze verdere herstructurering bestaat uit het vervangen van de tweevoudige kinderbijslag (en kinderaftrek) voor thuiswo­nende 16-en 17-jarige kinderen per 1 januari 1979 door enkelvoudige kinder­bijslag (tweede fase), alsmede een afronding van de integratie per 1 januari 1980 (derde fase). Deze afronding zal o.m. inhouden dat de huidige kinder­bijslagregelingen worden vervangen door één volksverzekering op grond waarvan ook voor de eerste twee kinderen van zelfstandigen kinderbijslag zal worden gegeven. De plannen voor de derde fase zijn nog niet geconcreti­seerd; hieromtrent zullen wij u tijdig gericht advies vragen. Thans vragen wij u advies over de tweede fase van de herstructurering.

Met betrekking tot de tweede fase wordt voorgesteld voor studerende en invalide thuiswonende kinderen en zgn. huishoudkinderen die na 31 decem­ber 1962 zijn geboren en die dus na 31 december 1978 16 jaar worden, het eventuele recht op tweevoudige kinderbijslag niet te doen ingaan bij het be­reiken van de leeftijd van 16 jaar, maar bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Dit impliceert dat voor dezelfde categorie, doch uitwonend, het eventu­ele recht op drievoudige kinderbijslag eerst ingaat bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. De omvang van dit onderdeel van de ombuiging blijkt uit de onderstaande tabel. Ombuigingen in min. guldens ' Advies inzake enkele beleidsvoornemens vervat in de nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid (1976, nr. 24). 2 Bij deze formulering gaat het om een éénma­lige maatregel nl om de kinderen die in 1979 16|aar en dus m 1980 17 jaar worden Formu leert men de maatregel in leeftijden in plaats van in geboortedata dan kunnen per 1 januari 1979 de 16-|arigen en per 1 |anuari 1980 de 17-jarigen worden uitgesloten; materieel gaat het evenwel om dezelfde maatregel 5 Kinderbijslagen (AKW, KWL, KTO en KKZ) alsmede de alsdan nog bestaande kinderaftrek voor bijzondere categorieën.

1979 1981

17082

De voorgestelde maatregel leidt er niet toe dat iemand er in inkomen op achteruit gaat. Wel vindt er -voor de duur van twee jaar -een uitstel van in-komenstoeneming plaats. Deze inkomenstoeneming, die anders zou plaats­vinden als het kind de 16-jarige leeftijd bereikt, vindt nu eerst plaats als het kind 18 jaar wordt. Hierbij gaat het om een bedrag van gemiddeld f 1680 (ba­sis 1 januari 1978) per jaar gedurende twee jaren. Het feitelijke bedrag is af­hankelijk van de rangorde van de kinderen (bij voorbeeld 2de kind: f 1517, 4de kind: f 1788, 6de kind: f1978). Bij deze maatregel zijn vier aspecten van belang:

Eerste Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 86b

  • hij levert op betrekkelijk korte termijn besparingen op, zonder dat er sprake is van feitelijke vermindering van inkomens; b. hij leidt tot vereenvoudiging van de kinderbijslagwetgeving; c. hij leidt tot een logischer opzet op het gebied van de meervoudige kin­derbijslag;
  • hij laat de situatie ten aanzien van studerende kinderen van 18 jaar en ouder onverlet.

De huidige opzet van de kinderbijslag voor studerende kinderen is als volgt: -voor niet thuiswonende studerende kinderen bestaat een mogelijkheid van kinderbijslag voor één kind extra; -voor thuiswonende studerende kinderen vanaf 16 jaar bestaat een mo­gelijkheid van kinderbijslag voor één kind extra. Deze extrakinderbijslagen cumuleren zodat voor niet-thuiswonende stude­rende kinderen vanaf 16 jaar een mogelijkheid bestaat van drievoudige kin­derbijslag.

Tot 1 januari 1963 bestond alleen de mogelijkheid van enkelvoudige kin­derbijslag voor kinderen van werknemers en kleine zelfstandigen; meervou­dige kinderbijslagen bestonden niet. Met ingang van 1 januari 1963 werd de mogelijkheid van tweevoudige kinderbijslag geopend voor studerende kin­deren van 16 tot 27 jaar. Voor uitwonende studerende kinderen beneden de 16 jaar is met ingang van 1 juli 1965 het recht op tweevoudige kinderbijslag ingevoerd en op 1 januari 1966 de mogelijkheid van drievoudige kinderbij­slag voor studerenden van 16 tot 27 jaar. De leeftijdsgrens van 16 jaar voor tweevoudige kinderbijslag is betrekke­lijk willekeurig. De motivering werd gevonden in de omstandigheid dat «on­derhoudskosten als direct gevolg van studie aanwijsbaar hoger zijn dan de onderhoudskosten van kinderen in het algemeen»4. Bij deze motivering past eigenlijk niet de leeftijd van 16 jaar omdat deze midden in de middelbare schoolperiode valt. De als zodanig aan te merken extra onderhoudskosten beginnen óf bij de aanvang van het middelbaar onderwijs (ca. 12 jaar) óf bij de aanvang van het tertiair onderwijs (ca. 18 jaar). Een verlaging van de hierbedoelde leeftijdsgrens van 16 jaar is indertijd door de Regering afgewezen op grond van de hoge collectieve lasten en de omstandigheid dat de school­geldplicht bij 16 jaar begint. Het verschuiven van de leeftijdsgrens voor twee­voudige kinderbijslag van 16 naar 18 jaar is nimmer aan de orde geweest. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het verschil in behandeling tussen enerzijds kinderen van 12 t /m 15 jaar en anderzijds kinderen van 16 en 17 jaar ten aanzien van de tweevoudige kinderbijslag niet behoeft te worden gehandhaafd. Deze ongelijke behandeling kan op twee manieren worden opgeheven, nl. door voor de eerste groep ook tweevoudi­ge kinderbijslag te geven of door voor de laatste groep geen tweevoudige kinderbijslag meer te geven. In het kader van de beperking van de groei van de collectieve lasten ligt de tweede keuze voor de hand. De maatregel zal in bepaalde situaties beperking van onderwijskansen tot gevolg kunnen heb­ben. Dit zal zoveel mogelijk moeten worden vermeden. Wellicht geeft dit aanleiding tot compensaties voor bepaalde categorieën. Eventueel zullen hieromtrent voorstellen worden gedaan na afweging in het kader van het to­tale ombuigingspakket. Een spoedige advisering door uw raad zouden wij bijzonder op prijs stel­len. Het ligt nl. in de bedoeling dat het desbetreffende wetsontwerp vóór het zomerreces bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Latere indiening zou be­tekenen dat de ingangsdatum (1 januari 1979) zou moeten worden verscho­ven. Dit zou betekenen dat de beoogde ombuigingen in gevaar komen.

De Minister van Sociale Zaken, ^ _ _

W.AIbeda

' Memorie van toelichting op het op 26 okto

.

  • , . -. ber 1957 ingediende wetsontwerp AKW, biz

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, 29.

  • L. 
    de Graaf

Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

BIJLAGE II

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN

Aan de Sociaal-Economische Raad Bezuidenhoutseweg 60 's-Gravenhage

's-Gravenhage, 11 juli 1978

Onderwerp: Herstructurering kinderbijslag en kinderaftrek tweede fase Bij uw brief van 30 juni j l . deelde u ons mee, dat u in uw vergadering van die datum hebt besloten tot het uitstellen van uw oordeel over het op 21 april j l . gevraagde advies over de tweede fase van de herstructurering van de kinderbijslag en kinderaftrek. Blijkens uw brief hebt u niet in uw oordeel kunnen betrekken de brief van 28 juni j l . , waarin uw op de hoogte werd gesteld van het besluit van het kabi­net om compenserende maatregelen te treffen ten einde te voorkomen dat de beperking van de meervoudige kinderbijslag de onderwijskansen nadelig beïnvloedt. Evenmin was het u mogelijk in uw oordeel te betrekken de door de Tweede Kamer op 29 juni j l . aanvaarde amendementen op het Regerings­voorstel ten aanzien van de eerste fase van de herstructurering. Naar aanleiding van uw brief willen wij met nadruk tot uitdrukking bren­gen, dat ook wij het betreuren dat u eerst enkele dagen voor uw vergadering van 30 juni j l . over de aard en de omvang van de compenserende maatrege­len kon worden geïnformeerd. Wij hebben er dan ook begrip voor, dat u uw oordeel over de tweede fase van de herstructurering hebt moeten uitstellen totdat u de consequenties van de voorgestelde compensaties en de aange­brachte wijzigingen in het wetsvoorstel over de eerste fase nader kan bezien. Inmiddels heeft u eveneens kennis kunnen nemen van de hoofdlijnen van het financiële en sociaal-economische beleid voor de middellange termijn zoals die zijn weergegeven in de nota «Bestek '81». De recente ontwikkelingen met betrekking tot de eerste fase hebben de Regering geen aanleiding gegeven de tweede fase van de herstructurering nader in overweging te nemen. In verband hiermede menen wij dat er geen aanleiding is om onze adviesaanvrage van 21 april j l . te vervangen door een nieuwe adviesaanvrage. Wel zouden wij in verband met de door u terecht ter sprake gebrachte recente ontwikkelingen te uwer oriëntatie nog het volgen­de aan de adviesaanvrage willen toevoegen.

Compensaties Met betrekking tot de compensatie voor het beperken van de meervoudi­ge kinderbijslag voor 16-en 17-jarigen is bij de schriftelijke voorbereiding van het wetsontwerp eerste fase met de Kamer ter sprake geweest om deze compensaties gedeeltelijk te zoeken in (wijziging van) de schoolgeldregeling. Nadere bestudering heeft geleid tot de conclusie dat op dit punt geen compensaties van enig gewicht, gericht op de lagere inkomens, mogelijk zijn. Het kabinet heeft daarom besloten zich bij de uitwerking van de com­pensaties te concentreren o p een uitbreiding en herziening van de regeling tegemoetkomingen studiekosten. In de brief van 27 juni 1978 aan uw raad is reeds uiteengezet dat de ge­dachten uitgaan naar een met het inkomen aflopende leeftijdstoeslag op de tegemoetkoming studiekosten voor ouders van 16-en 17-jarige kinderen. Hiervoor is een bedrag uitgetrokken van bruto 167 min. (op basis van cijfers 1981). Zoals u wellicht bekend is doen zich de laatste jaren knelpunten voor bij de belasting-en premieheffing over de tegemoetkomingen studiekosten. Het gaat daarbij om ouders waarvoor de loonbelasting eindheffing zou zijn, wa­re het niet dat zij naast hun loon een tegemoetkoming studiekosten ontvan­gen, waardoor, eventueel te zamen met andere neveninkomsten, de grens Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

voor neveninkomsten van f 600 wordt overschreden. De inkomstenbelasting kan relatief hoog zijn in de gevallen dat het opleggen van een aanslag in de inkomstenbelasting leidt tot het verloren gaan van de voordelen, die kunnen optreden ingeval de loonbelasting eindheffing is. De aanslag kan dan bij voorbeeld mede betrekking hebben op «inhaalbelasting» over bijzondere beloningen etc. Op dit probleem hebben de Kamerleden Hermsen en Noten­boom vorig jaar door middel van schriftelijke vragen reeds de aandacht ge­vestigd. Een uitbreiding van de regeling tegemoetkomingen studiekosten zou zonder het treffen van nadere maatregelen het aantal knelpuntgevallen bij de belasting-en premieheffing aanzienlijk doen toenemen, terwijl in een groot aantal gevallen de loonbelasting niet meer als eindheffing zal kunnen fungeren. Om deze effecten belangrijk te beperken bestaat het voornemen om alle tegemoetkomingen in de studiekosten te brengen onder een voor­heffingsregime, zoals we dat op het ogenblik reeds kennen bij de individuele huursubsidies. Daarbij zou dan moeten worden voorkomen dat ouders uit­sluitend op grond van het ontvangen van een tegemoetkoming onder de in­komstenbelasting zouden gaan vallen. Voor het mogelijk maken van inhou­ding van belasting en premie van de uitkeringen van de thans reeds be­staande regeling tegemoetkomingen studiekosten is een bedrag uitgetrok­ken van 63 min. (op basis van cijfers 1981). Het uittrekken van dit bedrag is erop gericht om voor de meerderheid van de huidige categorie ontvangers de overgang naar een inhoudingssysteem zonder moeilijkheden te laten verlopen door middel van nog nader uit te werken verhogingen van de thans bestaande uitkeringen. Deze nadere uitwerking van de verhoging van de be­dragen van de TS-regelingen zal nog enige tijd vergen.

Wijziging wetsontwerp eerste fase Door het amendement De Korte/Hermsen (Gedrukte stukken 14184, nr. 22 Herdruk) zijn de volgende wijzigingen in het desbetreffende wetsvoorstel aangebracht: -verlegging van het draaipunt van f40000 naar f 44140 voor het tweede kind en naar f 50000 voor het derde kind met ingang van 1 april 1979, het­geen per die datum resulteert in een verhoging van de opslag voor het twee­de kind van f 37,44 tot f 46,02 en voor het derde kind van f 37,44 tot f 48,36; -een opslag op de kinderbijslag voor vierde en volgende kinderen van f22,62 per kwartaal met ingang van 1 april 1979; -omschakeling van het aanpassingssysteem van de kinderbijslag van loonindex naar de gemengde index voorde jaren 1979, 1980 en 1981.

Zoals uit de toelichting op dit amendement en uit de Handelingen van de Tweede Kamer (blz. 2868 e.v.) blijkt, is de wens tot verhoging van de draai­punten voor het tweede en derde kind voortgevloeid uit de zorg van de in­dieners van het amendement voor middengroepen met meer kinderen. Met name werd in dit verband ook betrokken de offers die van deze gezinnen in de tweede fase van de herstructurering zullen worden gevraagd. De midde­len ter financiering van de verlegging van de draaipunten voor het tweede en derde kind en de opslag op de kinderbijslag voor vierde en volgende kin­deren werden gevonden in de omschakeling van de loonindex naar de ge­mengde index. Van de zijde van de Regering zijn bezwaren tegen het amendement naar voren gebracht. Desondanks zijn de bij amendement voorgestelde wijzigin­gen door een meerderheid van de Tweede Kamer aanvaard. Als gevolg van dit amendement zullen de ombuigingen in 1979 verminde­ren. In 1981 is de omvang van de ombuigingen gelijk aan die van het rege­ringsvoorstel.

Voor een gedetailleerd overzicht moge worden verwezen naar bijlage 1. Voorts is in bijlage 2 een overzicht gegeven van de inkomenseffecten van het wetsontwerp zoals dat op 29 juni 1978 door de Tweede Kamer is aan­vaard.

Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

Wij vertrouwen dat deze nadere uiteenzetting u in staat zal stellen om tot een spoedige afronding van uw oordeel te komen.

De Minister van Sociale Zaken, W.AIbeda De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf

Bijlage 1

Ombuigingen in min. guldens en in lopende prijzen van wetsontwerp 14184, zoals dat door de Tweede Kamer is aanvaard 1978

1979

1980

1981

Transactiebasis Meeropbrengst belastingen door wegvallende kinderaftrek Opslagen op kinderbijslag eerste, tweede en derde kind Opslagen op kinderbijslag vierde en volgende kinderen Gemengde indexering 1979/ 1980/1981

Ombuigingen

Begrotingsbasis Meeropbrengst belastingen door wegvallende kinderaftrek Opslagen op kinderbijslag eerste, tweede en derde kind Opslagen op kinderbi|Slag vierde en volgende kinderen Gemengde indexering 1979/ 1980/1981

Ombuigingen

315

-265 -

-

1370

-1195 50

1470

-1280 70

1575

-1350 75

150

165

210

130

380

265

300

105

-235 -

-

1355

-

98035

1455

-1210 70

1555

-1330 75

150

300

Inkomenseffecten wetsontwerp 14184, zoals dat door de Tweede Kamer is aanvaard, voor werknemers in 1979 (op basis van 1978) in guldens per jaar. Tussen haakjes de mutaties in procenten van het belastbaar inkomen minus belasting

Bijlage 2

Gezinnen met

1 kind 2 kinderen 3 kinderen 4 kinderen 5 kinderen 8 kinderen 10 kinderen

f 21750'

  • 65 + 121 + 203 + 271 + 338 + 5334660 (+ 0,4) < + 0,8) (+ 1,3) (+ 1,7) (+ 2,1) (+ 3,3) (+ 4,1) f 29900 2 0 + 45 + 111 + 179 + 246 + 441 + 568 ( 0,0) (t 0,2) (+ 0,5) (+ 0,9) (+ 1,2) (+ 2,1) (+ 2,7)

f 40 000

+ + + + + +

0 22 55 123 190 385 512 ( 0,0) (+ 0,1) (+ 0,2) (+ 0,5) (+ 0,7) (+ 1,5) (+ 2,0)

f 50 000

-

87 -110 -121 -

53 + 14 + 209 + 336

-0,3) -0,4) -0,4) -0,2) 0,0) + 0,7) + 1.1)

f 75 000

-293 -422 -540 -472 -405 -210 -

-0,7) -1,0) -1,3) -1 , 1 ) -0 , 9 ) -0.5) -0 , 2 )

Minimum inkomen Modaal inkomen Eerste Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 86b

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.