Memorie van antwoord - Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de intreding of herintreding in het arbeidsleven)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 198b

20006

Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de intreding of herintreding in het arbeidsleven)

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 19 juli 1988

Ik dank de Kamer voor de wijze waarop op het voorliggende voorstel is ingegaan. Ik heb geconstateerd dat de leden van de C.D.A.-fractie de doelstelling van het wetsvoorstel en de verbreding van de doelgroep onderschrijven. De leden van de P.v.d.A.-fractie hebben met belangstelling van het wetsvoorstel kennis genomen en de leden van de V.V.D.-fractie schorten hun beoordeling op tot zij meer duidelijkheid hebben verkregen. Ik hoop dat deze in deze reactie wordt gegeven. In de onderstaande reactie op de vragen en opmerkingen houd ik de volgorde aan waarin die vragen en opmerkingen in het voorlopig verslag zijn opgenomen.

De opmerkingen en vragen van de leden van de C.D.A.-fractie De leden van de C.D.A.-fractie erkennen dat op basis van praktijkervaring nagegaan zal moeten worden of de verwachtingen uitkomen en of de middelen toereikend zijn bij optimalisering van de doelstelling. In verband hiermede willen zij weten welk percentage van het werklozenbestand in aanmerking komt om gebruik te maken van de verruimde mogelijkheid van artikel 36 WWV nieuw. De doelgroepomschrijving is zo ruim opgesteld, dat in beginsel nagenoeg het gehele werklozenbestand daarvan gebruik zou kunnen maken. Er is echter een relatie tussen het aanbod aan activiteiten en het gebruik daarvan door werklozen. In de praktijk blijkt, dat bij het opzetten van activiteiten de gemeenten zich met name richten op de langdurig werklozen en degenen die een zwakke positie op de arbeidsmarkt innemen, zoals herintredende vrouwen en personen met een lage graad van opleiding. Wordt hiermede rekening gehouden, dan kan ervan uit worden gegaan, dat het potentiële bereik 40% van het werklozenbestand omvat.

Opmerkingen en vragen van de leden van de P.v.d.A.-fractie De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen of en zo ja welke veranderingen in het wetgevingsobject sinds 1980 zijn opgetreden en waarom de noodzaak van wijziging in een «aflopende wet» nog aanwezig wordt geacht. Sinds de verzending van de eerste adviesaanvrage dd. 9 juli

1980 aan een viertal instanties hebben belangrijke veranderingen in het wetgevingsobject plaatsgevonden. De doelstellingen van deze adviesaanvrage hadden betrekking op verruiming van de doelgroep met Rww-uitkeringsgerechtigden en gedeeltelijk arbeidsongeschikten en herschikking van het activiteitenpakket. Het op basis van de uitgebrachte adviezen bijgestelde wetsvoorstel werd vervolgens onderwerp van bespreking in de commissie vermindering en vereenvoudiging van overheidsregelingen, de zogenoemde Commissie Geelhoed. Overeenkomstig het voorstel in het eindbericht van deze Commissie met betrekking tot artikel 36 WWV heeft het toenmalige kabinet medio 1984 besloten aan de oorspronkelijke doelstellingen nog twee toe te voegen. De eerste had betrekking op de verandering van de openeindfinanciering in een vorm van budgetfinanciering, waarbij als uitgangspunt het aantal werklozen in een gemeente zou worden gehanteerd. De tweede had betrekking op de decentralisatie, in die zin dat in plaats van een verklaring van geen bezwaar door de rijksconsulent Sociale Zekerheid vooraf, volstaan zal worden met een marginale toetsing achteraf.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie inzake de noodzaak om alsnog tot wijziging in een «aflopende wet» over te gaan, merk ik op, dat ook bij de schriftelijke en de mondelinge behandeling van het onderhavige wetsvoorstel in de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitgebreid op deze kwestie is ingegaan. In het kort wil ik hier nogmaals op de redenen ingaan. Een belangrijke reden is gelegen in het feit, dat gemeenten vanuit hun medeverantwoordelijkheid voor het welzijn van hun burgers betrokken zijn bij het functioneren van hun inwoners in de maatschappij. Daardoor is voor hen een rol weggelegd bij de begeleiding van werklozen naar het reguliere arbeidsleven. Deze verantwoordelijkheid was reeds tot uitdrukking gebracht in het huidige artikel 36 WWV. Ten gevolge van maatschappelijke ontwikkelingen was dit artikel, zoals bekend, niet meer aangepast aan de eisen van deze tijd. Om de gemeenten in staat te stellen op adequate wijze hun verantwoordelijkheid tot uitdrukking te kunnen brengen heb ik ervoor gekozen voor te stellen om het huidige artikel te wijzigen. Gemeenten worden hierdoor in staat gesteld ervaring op te doen met de verruimde doelgroep en de andere activiteiten. Zoals in de memorie van toelichting reeds is aangegeven zal een evaluatie van het gewijzigde artikel 36 WWV worden gehouden. In dit verband dient de vraag te worden beantwoord of het beoogde doel, namelijk het vergroten van de toetredingskansen van met name langdurig werklozen naar de arbeidsmarkt dan wel naar scholingsvoorzieningen (van de gewestelijke arbeidsbureaus of van onderwijs) het best kan worden bereikt door middel van een specifieke uitkering zoals de onderhavige. Hierin is mede een reden gelegen om de wetswijziging in het huidige artikel op te nemen en niet in een nieuwe wettelijke regeling.

De leden van de P.v.d.A.-fractie wensen geïnformeerd te worden over de exacte afspraken die door de ministeries van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van Onderwijs en Wetenschappen en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn gemaakt met betrekking tot de taakafbakening van ieders beleidsterrein. Met het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zijn inderdaad dergelijke afspraken gemaakt. Deze zijn neergelegd in de circulaire «sociaalcultureel beleid en werkloosheid: voorrang voor jongeren» van de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van mij dd. 13 maart 1986. De taakafbakening houdt in, dat voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid gericht op directe (her)intreding in het arbeidsleven vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Sociale Zaken en

Werkgelegenheid en dat de activiteiten gericht op opvang van de (negatieve) gevolgen van de werkloosheid en op bevordering van zinvolle tijdsbesteding vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Ter informatie deel ik u nog mede, dat deze taakafbakening enerzijds haar neerslag zal vinden in het onderhavige voorstel en dat deze anderzijds neerslag heeft gevonden in de Welzijnswet. In tegenstelling tot wat de leden van de P.v.d.A.-fractie veronderstellen zijn met het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen geen afspraken gemaakt inzake taakafbakening wat betreft ieders beleidsterrein. Zoals ook al het geval was in het huidige artikel 36 WWV, is in het nieuwe artikel de complementariteitseis gehandhaafd. De opgezette activiteiten moeten dus, zoals ook in de mondelinge en schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is uiteengezet, complementair zijn niet alleen aan de activiteiten van de gewestelijke arbeidsbureaus, maar ook aan die van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Het is evenwel aan de gemeente om het budget in te brengen in PBVE-verband of om door daarvoor in aanmerking komende instellingen cursussen te laten verzorgen of activiteiten in het toeleidingstraject te laten opzetten. Overigens verdient het wel de aanbeveling, zoals ik ook in de memorie van toelichting heb opgemerkt, om afstemming van de planning van de activiteiten te laten plaatsvinden binnen de daarvoor geschikte kaders. Hierbij kan gedacht worden aan het regionaal educatief overleg, zoals voorzien in de Kaderwet Volwasseneneducatie, waar het betreft educatieve activiteiten en aan het Regionaal bureau arbeidsvoorziening waar het betreft de afstemming op het instrumentarium van de arbeidsvoorzieningsorganisatie. De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen op welke (kwantitatieve) feiten ik mijn stelling baseer, dat er sprake is van toenemende samenwerking tussen sociale diensten en de arbeidsbureaus. Mijn stelling in dezen baseer ik op de samenwerkingsafspraken, die ontstaan of reeds ontstaan zijn op basis van de aanbevelingen in het rapport van de Werkgroep Informatie-uitwisseling Gemeentelijke Sociale diensten en Gewestelijke Arbeidsbureaus (Wigg), dat eind 1987 tevens ter kennisneming aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gezonden. De totstandkoming van samenwerkingsovereenkomsten tussen gab's en gemeenten kan een goede basis vormen voor het voeren van heroriënteringsgesprekken met langdurig werklozen. Het voeren van de gesprekken kan als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gab en gemeente worden aangemerkt. Bij de bestrijding van de (langdurige) werkloosheid kunnen de beoogde samenwerkingsverbanden tussen gab's en gsd-en op deze wijze mede een belangrijke bijdrage leveren. In de praktijk blijkt al in ruime zin hieraan uitvoering te zijn gegeven. Op basis van informatie van de rijksconsulenten Sociale Zekerheid blijken thans nagenoeg alle samenwerkingsverbanden te zijn gerealiseerd, waarmee niet gezegd is dat -deze leden wijzen hierop -de samenwerking niet hier en daar toch stroef zou kunnen verlopen.

De leden van de P.v.d.A.-fractie hebben de indruk dat bij de taakverdeling tussen de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, en van Onderwijs en Wetenschappen het noodzakelijk integratiekader wordt verschoven naar gemeentelijk niveau, in verband waarmede zij spreken van decentralisatie van verkokeringsproblemen. Hierover willen zij van mij een reactie vernemen, hoewel zij op voorhand niet aannemen dat ik deze indruk zou delen. Hierin hebben zij gelijk: ik deel deze indruk niet. Mede gelet op artikel 36 WWV krijgen de gemeenten een soepel werkend instrument in handen, dat zij, aangepast

aan de lokale situatie, op die plaatsen kunnen inzetten, waar het in een bepaald jaar het meest noodzakelijk is. Hierbij dient wel afstemming plaats te vinden met de reguliere scholingsvoorzieningen van de gab's en van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Dat is geen verkokering, maar wijs beleid. Vanwege het complementaire karakter van artikel 36 WWV vrezen de leden van de P.v.d.A.-fractie dat de gemeenten bij de planning van activiteiten problemen zullen ontmoeten. In verband hiermede vragen zij of dit niet een erg groot beroep op de flexibiliteit van gemeentebesturen betekent, mede gezien de beschikbare financiële middelen. Deze opvatting deel ik niet. Niet uit het oog moet worden verloren, dat wat betreft de complementariteit het karakter van artikel 36 WWV ongewijzigd is gebleven, zoals ik hiervoor reeds heb opgemerkt. Ten aanzien hiervan is niet gebleken, dat de gemeenten het complementaire karakter als een knelpunt ervaren. Voorts gaat het bij het treffen van voorzieningen veelal om activiteiten van korte duur.

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen naar aanleiding van een passage op blz. 11 van de memorie van toelichting om een nadere uiteenzetting over de gestipuleerde samenhang tussen het onderhavige wetsvoorstel en het Voorstel van Wet onbeloonde arbeid door uitkeringsgerechtigden (WOAU). De samenhang tussen beide wetsvoorstellen bestaat hierin, dat zij hun plaats hebben in het werkloosheidsbestrijdingsbeleid en met name ten behoeve van langdurig werklozen kunnen worden ingezet. In de aangehaalde passage is niet meer gezegd dan dat de effectiviteit van genoemde maatregelen kan worden versterkt door ze in combinatie met elkaar toe te passen; dit naar analogie van het gezegde dat het geheel meer kan zijn dan de som van de delen. In genoemde passage is onder meer gewezen op welke wijze zo'n gecombineerd project kan worden gerealiseerd: de theoriecomponent onder het regime van artikel 36 WWV en de praktijkcomponent onder het regime van de WOAU. Hiermede wil niet gezegd zijn dat de instrumenten steeds in combinatie met elkaar dienen te worden toegepast. Getwijfeld werd ook nog of er dan nog verschil bestond tussen activiteiten ex artikel 36 WWV en de arbeidsvoorzieningsmaatregelen. Afgezien van de inhoud bestaat het verschil vooral hierin dat het bij toepassing van artikel 36 WWV gaat om activiteiten van korte duur (minder dan 1 jaar), waaraan de deelname in beginsel op vrijwillige basis geschiedt, terwijl het bij de scholingsmaatregelen van de gab's gaat om opleidingen met een duur van hooguit 2 jaar ten behoeve van individuen, voor wie deelname noodzakelijk wordt geacht met het oog op toetreding op de reguliere arbeidsmarkt. Juist in het toeleidingstraject naar het reguliere arbeidsvoorzieningsinstrumentarium zal artikel 36 WWV nieuw zijn plaats krijgen. Naar aanleiding van een ander aspect met betrekking tot de samenhang tussen het onderhavige wetsvoorstel en dat van onbeloonde arbeid door uitkeringsgerechtigden, in verband waarmede de leden van de P.v.d.A.-fractie verwijzen naar passages in de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal respectievelijk de memorie van antwoord, vragen zij waar het verschil op is gebaseerd dat -zoals zij het huiselijk zeggen -scholing moet en werkervaring mag. Onder verwijzing naar het antwoord van de minister en van mij in de memorie van antwoord Eerste Kamer inzake de WOAU (zulks naar aanleiding van een vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie) merk ik op, dat bij het verschijnsel werken met behoud van uitkering het opdoen van werkervaring ter versterking van de positie op de arbeidsmarkt een belangrijk neveneffect is, doch geen hoofddoel. Bij werken met behoud van uitkering worden voor werklozen binnen bepaalde grenzen mogelijkheden geschapen om zich maatschappelijk nuttig te maken door onbeloond

werkzaam te zijn. Veelal gebeurt dit op een ander terrein dan waarop de werkloze is opgeleid. In verband hiermede onderschrijf ik het gezegde dat «werkervaring mag» niet, aangezien hierdoor hetgeen als neveneffect is bedoeld als hoofddoelstelling naar voren wordt geschoven. Het deelnemen aan artikel 36 WWV-activiteiten geschiedt, zoals gezegd, in beginsel op vrijwillige basis. Het zou echter ook zo kunnen zijn, dat het uitkeringsorgaan bijvoorbeeld voor toeleiding van de werkloze naar de arbeidsmarkt een plan heeft opgesteld waarvan het deelnemen aan een artikel 36 WWV-activiteit een noodzakelijk onderdeel uitmaakt. In dat geval kan voor het uitkeringsorgaan in het niet deelnemen aan zo'n activiteit een grond zijn gelegen om een sanctie toe te passen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de V.V.D.-fractie De leden van de V.V.D.-fractie vragen of alleen met het oog op artikel 36 WWV de WWV wordt gehandhaafd. Zoals ook in de adviesaanvrage voorzieningenbeleid werklozen is aangegeven zullen inderdaad op vrij korte termijn de bepalingen van de WWV, voorzover zij de uitkeringen betreffen, hun praktische betekenis verliezen. Gevolg hiervan zal zijn dat slechts een beperkt aantal artikelen, zoals de artikelen 36 en 36a en de artikelen die betrekking hebben op de adviescommissie en op de controle en het toezicht, nog blijft werken. Het zou dan ook de overzichtelijkheid ten goede komen om te zijner tijd de artikelen van de WWV die hun betekenis hebben verloren, ook formeel in te trekken. Dan zal de WWV een wet zijn, waarvan gezegd kan worden dat de vlag de lading -gemeentelijke voorzieningen voor werklozen -dekt. Met betrekking tot de keuze om alsnog over te gaan tot wijziging van de WWV en niet om een aan het nieuwe artikel 36 WWV analoge bepaling in de Rww, AAW en WAO op te nemen verwijs ik naar hetgeen ik op een gelijksoortige vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie heb geantwoord. De leden van de V.V.D.-fractie vragen (onder verwijzing naar de huns inziens allerwege gedeelde opvatting, dat het scholingsbeleid en de werkgelegenheidsplannen van arbeidsvoorziening nagenoeg volstrekt ondoorgrondelijk zijn) of het voorliggende wetsvoorstel bijdraagt tot enige stroomlijning daarin dan wel het gehele beleid ter zake nog meer diffuus maakt. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat artikel 36 WWV op zich geen plaats heeft in het arbeidsvoorzieningsbeleid. Met het nieuwe artikel 36 WWV krijgen de gemeenten een aan de eisen van deze tijd aangepast instrument, waardoor zij in staat zijn ten behoeve van werklozen een adequaat beleid op te zetten. Wel heb ik de noodzaak benadrukt om het gemeentelijk beleid af te stemmen met het beleid van het gab om stroomlijning, zoals de leden van de P.v.d.A.-fractie het noemen, te bereiken. Het artikel 36 WWV zal zoals ik hiervoor heb gemeld zijn plaats vooral krijgen in het voortraject. Met andere woorden om aan werklozen juist datgene te bieden, dat hen vervolgens in staat stelt door te stromen naar instrumenten van arbeidsvoorzieningsbeleid en reguliere opleidingen. Wat betreft de complementariteit verwijs ik naar hetgeen ik op een vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie heb geantwoord. De leden van de V.V.D.-fractie vragen of het niet van een zekere «verenging» van het door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te voeren werkgelegenheidsbeleid getuigt om de groep zeer langdurig werklozen en minder geschikten uit het bereik van artikel 36 WWV te halen. In dit verband halen zij een uitspraak van de minister aan, dat voor deze groep de kans op het verkrijgen van een betaalde baan zeer gering is. Allereerst wil ik nogmaals benadrukken dat artikel 36

WWV zijn plaats heeft in het werkloosheidsbestrijdingsbeleid en niet in het werkgelegenheidsbeleid. Een bewindsman kan in een rede waarin ingegaan wordt op de positie van langdurig werklozen, de aandacht erop vestigen dat voor een bepaalde groep werklozen het verkrijgen van een betaalde baan, ondanks toepassing van werkloosheidsbestrijdings-en werkgelegenheidsmaatregelen, zeer moeilijk zal zijn. Hiermede is niet tevens gezegd dat zij daarom buiten het gezichtsveld van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen. Dit is geenszins zo: het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft verantwoordelijkheid en blijft deze hebben voor deze groep. Met behulp van artikel 36 WWV kunnen gemeenten activiteiten opzetten om juist deze groep te bereiken en hen zover te krijgen dat zij meteen doorstromen naar een baan dan wel naar een reguliere scholingsvoorziening. Voorts wil ik ook nog noemen het op gang gekomen beleid met betrekking tot de heroriënteringsgesprekken, die op basis van een samenwerkingsverband tussen gemeenten en gab's plaatsvinden en waarvoor van de zijde van het ministerie middelen ter beschikking worden gesteld. In dit verband wil ik tenslotte nog wijzen op hetgeen ik ter zake op een vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie heb geantwoord.

De leden van de V.V.D.-fractie willen weten wat ik versta onder «opvang van negatieve gevolgen van het werkloos zijn». Hierbij gaat het inderdaad niet alleen om de persoonlijke beleving van het gedwongen inactief zijn, maar ook om de als «negatief ervaren» invloed daarvan op hun omgeving. Ten gevolge van de met de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur gemaakte afspraak inzake de taakafbakening behoort de opvang van negatieve gevolgen van werkloosheid tot het beleidsterrein van dat ministerie. De taakafbakening en ten gevolge daarvan het aanpassen van artikel 36 WWV heeft juist het oog om de verantwoordelijkheden daar te leggen, waar zij gelet op het beleidsterrein van de onderscheiden ministeries thuis horen.

Onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hoort dus de directe begeleiding van de werklozen naar de arbeidsmarkt en tot dat van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de opvang van negatieve gevolgen. In dit verband is er mijns inziens geen sprake van een nieuwe verantwoordelijkheid voor het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, noch van een uitbreiding van die verantwoordelijkheid.

Tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in uw Kamer heeft de minister naar aanleiding van een vraag van de heer Heijmans, inzake het voordeel dat een vervuild bestand van het gab vanwege de berekeningswijze kan bieden bij het vaststellen van de hoogte van de subsidie voor scholing, geantwoord, dat die vlieger slechts één keer opgaat. Naar aanleiding hiervan verzoeken de leden van de V.V.D.-fractie om een verduidelijking van de onderliggende redenering. De onderliggende redenering komt in feite overeen met: wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. Met andere woorden: in het theoretische geval dat een gab op basis van een te hoog -want «kunstmatig» vervuild -werklozenbestand een te hoge subsidie heeft ontvangen en tevens een te hoog taakstellend beleid heeft moeten vaststellen, zal dat gab geconfronteerd worden met het feit, dat daaraan niet kan worden voldaan. Met betrekking tot de situatie inzake artikel 36 WWV wil ik nog opmerken, dat indien deze gab's in het algemeen de mening zijn toegedaan, dat het handhaven van een vervuild bestand bevorderend werkt met het oog op vaststelling van subsidies, dit voor gab's afzonderlijk en derhalve voor de gemeente dan geen effect zal sorteren, omdat bij een hoger totaal werklozenbestand het bedrag per werkloze lager zal zijn en omgekeerd. Per saldo zal het gemeentelijk budget dus geen verandering ondergaan.

De leden van de V.V.D.-fractie vragen of de in artikel 40a, 2e lid genoemde peildatum niet op een later tijdstip zou moeten worden vastgesteld. De leden van de V.V.D.-fractie gaan er hierbij vanuit dat de gemeenten al naar gelang de werkloosheid is gestegen dan wel gedaald, over te weinig respectievelijk te veel middelen beschikken. Dit is evenwel niet juist. Zoals uit mijn antwoord op de vorige vraag reeds blijkt heeft de stijging of daling van de werkloosheid invloed op de hoogte van het bedrag per werkloze, maar per saldo zal het niet van invloed zijn op de hoogte van het gemeentelijk budget. De omvang van de onderhavige begrotingspost staat immers vast. In verband hiermede is er geen aanleiding om een andere datum dan die van de eerste dag van een kalenderjaar aan te houden. De leden van de V.V.D.-fractie willen weten of het verschuiven van de invoeringsdatum na 1 april invloed heeft op de verdeelsleutel van de overgangsregeling. Invoering van het nieuwe artikel 36 WWV op een later tijdstip in 1988 dan het hiervoor genoemde heeft geen invloed op de verdeelsleutel van de overgangsregeling. Zoals in de tweede alinea op blz. 13 van de memorie van antwoord van de Tweede Kamer is aangegeven zullen de gemeenten, waarvan het voor 1988 vastgestelde basisbudget onvoldoende blijkt te zijn, in 1988 geen financieel nadeel ondervinden. Financiering zal plaatsvinden tot het bedrag, waarover de rijksconsulent Sociale Zekerheid een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven. De gemeenten waarvoor het voor 1988 vastgestelde basisbudget hoger uitkomt dan het bedrag waarvoor de rijksconsulent sociale zekerheid een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven, kunnen bij invoering in 1988 het hun nog toekomende bedrag alsnog claimen.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.