Memorie van ant - Nadere wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimumloon)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 7

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 28 november 1979

INLEIDING Wij realiseren ons dat wij met de ingediende voorstellen gezien de beschikbare periode van behandeling een zwaar beroep doen op de volksvertegenwoordiging. De positieve waardering van de leden van de V.V.D.-fractie voor het feit dat vóór het einde van het jaar een wettelijke regeling ter herziening van de aanpassingsmechanismen van minimumloon en sociale uitkeringen aan het parlement is voorgelegd stellen wij op prijs. Evenzeer stellen wij het op prijs dat de Kamer in meerderheid bereid is het wetsontwerp op een zodanig tijdstip te behandelen dat inwerkingtreding vóór 1 januari 1980 mogelijk is. Wij erkennen dat de tijd voor de parlementaire behandeling ongebruikelijk kort is. Met de meerderheid van de Kamer achten wij behandeling nog voor 1 januari 1980 echter gewenst ten einde te voorkomen dat op onderdelen opnieuw wettelijke maatregelen op ad hocba'sis getroffen zouden moeten worden. De rechtszekerheid vergt, dat noodwetgeving op dit terrein alleen in uiterste noodzaak plaatsvindt. In dit verband zijn wij de leden van de fractie van de C.D.A. er erkentelijk voor, dat zij zo nadrukkelijk de verankering in de wetgeving van de inkomenspositie van zeer velen, die vaak gerekend moeten worden tot de zwaksten onder ons, en de daaruit voortvloeiende rechtszekerheid, als een groot goed kwalificeren. Wij zijn het niet eens met de leden van de fracties van de P.v.d.A., D'66 en C.P.N, dat de voorbereidingstijd zodanig kort is, dat van een redelijke behandeling geen sprake zou kunnen zijn. Wij erkennen dat de materie ingewikkeld is. Wij erkennen ook dat het wetsvoorstel belangrijke gevolgen heeft voor de inkomenspositie van zeer velen onder ons. Wij willen er echter op wijzen, dat het overgrote deel van de voorstellen, vervat in dit wetsontwerp, reeds geruime tijd voor de indiening van dit wetsontwerp in de aandacht zijn geweest. Wij wijzen in dit verband op de Nota Bestek '81 waarin uitgebreid aandacht is besteed aan zowel de bruto als de netto aanpassingsmechanismen. Wij wijzen op de uitgebreide parlementaire behandeling van deze nota. Wij wijzen op de uitvoerige discussies welke hebben plaatsgevonden rondom de tijdelijke wettelijke maatregelen inzake het «1 januari 1979 pakket» en het «1 juli 1979 pakket». Wij wijzen ten slotte op de drie zeer gerichte adviesaanvragen welke begin 1979 aan de SER over de problematiek zijn

16 vel

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

gezonden. Men kan, dachten wij, dan ook in redelijkheid niet volhouden dat wij het parlement met deze wetgeving hebben overvallen. Overigens spreekt het vanzelf dat wij bereid zijn om indien dat in enigerlei stadium van voorbereiding gewenst zou zijn, onderdelen van de problematiek in mondeling overleg door te spreken. Dit in antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de C.D.A.-fractie. Evenmin delen wij de mening van de leden van de fractie van de P.v.d.A. dat de wijze van behandeling sociale onrust met zich mee zal brengen. Daartoe zou naar onze mening meer reden zijn bij het onnodig voortzetten van een beleid gebaseerd op ad hoewetgeving.

De leden van de P.v.d.A.-fractie snijden in hun aandeel in het voorlopig verslag ook de uitvoeringsproblematiek aan. Met de uitvoeringsorganisaties zijn, zodra het ontwerp van wet in de Tweede Kamer was ingediend, informele besprekingen geopend over een uitvoeringsproblematiek. Daaruit is gebleken, dat bij de uitvoering van de AOW en de AWW geen bijzondere problemen zullen rijzen. Op het Departement van Sociale Zaken is voorts tweemaal een informele bijeenkomst gehouden met deskundigen van de bedrijfsverenigingen, het GAK en de SVR over de uitvoeringstechnische en administratieftechnische aspecten van dit wetsontwerp. Daarbij is gebleken dat de uitvoeringvan het wetsontwerp per 1 januari 1980 niet reeds op voorhand als onmogelijk moet worden beschouwd. Met de bedrijfsverenigingen en de SVR zijn in deze bijeenkomst de van belang zijnde punten in het ontwerp uitvoerig doorgenomen en is tevens gepreludeerd op mogelijke wijzigingen in het ontwerp als gevolg van de uit de inbreng van het voorlopige verslag blijkende wensen van uw Kamer. Uit dit overleg is overigens gebleken, dat de uitvoerbaarheid van het ontwerp kan worden vergroot door het aanbrengen van enige technische wijzigingen, met name in de overgangsbepalingen en enige redactionele wijzigingen, die het inzicht in het ontwerp kunnen vergroten. Aan de uitvoeringsorganen is toegezegd dat deze wijzigingen bij nota van wijziging in het ontwerp zullen worden aangebracht. Een dergelijke nota van wijziging wordt op dit moment voorbereid en zal u op korte termijn bereiken.

Ten aanzien van de uitvoering van de WWV, de WUV en de Wetten buitengewoon pensioen blijken wel enige problemen te verwachten met betrekking tot de aanpassing van het administratieftechnische verwerkingsproces van de uitkeringen. Ook hier zijn door de uitvoeringsorganen enkele suggesties tot technische aanpassing gedaan, waarvan enkele eveneens in voornoemde nota van wijziging zullen worden opgenomen. Gezien het totaalbeleid van de uitvoeringsproblematiek achten wij geen reden aanwezig de in-gangsdatum van het wetsontwerp op te schorten. Wij zullen er echter wel reeds op voorhand op wijzen, dat ingrijpende wijzigingen in het voorliggen-de wetsontwerp tot problemen in de sfeer van de uitvoering aanleiding kunnen geven, gezien de vrij korte tijd die voor de behandeling in de Tweede Kamer nog rest van de definitieve verwerking van de uitkeringen over de maand januari 1980. Ten aanzien van de in het voorlopig verslag voorkomende inleidende opmerkingen van inhoudelijke aard, merken wij het volgende op. Bestudering ervan leerde dat ten aanzien van veel van deze opmerkingen behandeling beter tot zijn recht kwam hetzij in de inleidende paragraaf van hoofdstuk I, hetzij in die van hoofdstuk IV, hetgeen dan ook is geschied. Het spreekt vanzelf dat het hier de plaats is om aandacht te besteden aan de relatie tussen de inhoud van dit wetsontwerp en andere in 1980 te treffen maatregelen. Van meerdere zijden is aan deze relatie aandacht besteed. Voorts is in bredere zin gevraagd naar de inkomenspolitieke context. De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen naar de precieze samenstelling van het 1 januari pakket, waarvan het onderhavige wetsontwerp een onderdeel vormt. Zij vragen voorts in dit verband welke maatregelen of fiscaal gebied zijn te verwachten.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

De leden van de C.D.A.-fractie herinneren aan de voorgenomen beleidsdaden ten aanzien van de inkomensontwikkeling van actieven. Zij vragen naar eventuele maatregelen inzake de topinkomens in de (semi)-publieke sector, alsmede naar de inkomensontwikkeling van de vrije beroepsbeoefenaren en de ambtenaren in 1980. Deze leden vragen voorts of het kabinet verlenging van de Wet niet ca.o."inkomens voorstelt en of het kabinet voornemens is in 1980 aftopping te bepleiten. Deleden behorende tot de S.G.P.-fractie bespreken de inleiding van de memorie van toelichting waarin de relatie is aangegeven tussen het ten aanzien van de in het wetsontwerp bestreken categorieën te voeren inkomensbeleid en het algemene inkomensbeleid. Met «deze categorieën» zijn bedoeld de niet in het beroeps-en bedrijfsleven actieven, de minimumloontrekkenden, de ambtenaren en in het verlengde daarvan de z.g. trendvolgers. Ook bij deze leden rijst de vraag hoe de overige groepen in het matigingsbeleid zullen worden betrokken, uitgaande van de gedachte aan een algemene inkomensmatiging, waarbij van alle inkomenscategorieën offers gevraagd dienen te worden. Op 9 augustus jl. werd bij de SER een adviesaanvrage ingediend met betrekking tot een verlenging van de Wet tijdelijke voorzieningen arbeidsvoorwaarden buiten collectieve arbeidsovereenkomsten, aldus deze leden. Is dat advies reeds binnen, en zo ja wanneer kan dan «tijdig» een wetsontwerp tegemoet worden gezien dat een redelijke kans van slagen heeft om de huidige wet die op 31 december afloopt zonder tijdspanne op te volgen, zo vragen zij. Zo nee, welke vooruitzichten kunnen dan worden geboden aldus nog steeds deze leden. Het is deze leden intussen duidelijk geworden dat een Raamwet op de inkomensvorming nog wel enige tijd op zich zal laten wachten, zodat deze vragen des te meer klemmen. Deze leden zouden ook graag nader geïnformeerd worden over de komende inkomensontwikkeling van de ambtenaren, de trendvolgers en de vrije beroepsbeoefenaren.

Het lid van de D.S.'70-fractie betreurt het dat de Regering nog geen instrumenten heeft ontworpen om een zo belangrijk deel van het sociaal-economisch beleid als de inkomensvorming aan te vatten om de centrale doelstellingen van dat beleid te bereiken. Het beleid ten aanzien van andere inkomensgroepen (niet-c.a.o.-inkomens) dient een stringent onderwerp van wetgevende maatregelen te zijn, aldus het hier aan het woord zijnde lid. Hij vraagt of wij deze opvatting delen.

De leden van de P.P.R.-fractie concluderen dat niet volstaan kan worden met herziening van de aanpassingssystemen waarmee de laagste en lagere inkomens zijn gemoeid, doch dat min of meer tegelijkertijd de inkomensgroei van die categorieën die niet of nauwelijks de gevolgen van dit wetsontwerp ondervinden, op een even specifieke wijze moet worden beoordeeld en in een wettelijk kader vastgelegd.

Ingaande op de vorenstaand weergegeven vragen en opmerkingen beantwoorden wij allereerst de vragen naar de positie van dit wetsontwerp. Wij zien dit ontwerp als een eerste structurele maatregel, dat door andere maatregelen van inkomenspolitieke aard zal worden gevolgd. De beleidsvoornemens welke in de regeringsverklaring en Bestek'81 zijn ontvouwd, bevinden zich in verschillende stadia van ontwikkeling. Over het beleid ten aanzien van de non-profitsector, niet-c.a.o.-inkomens, beperkingen in de prijscompensatie en omtrent de raamwet op de inkomensvorming zijn adviezen gevraagd aan de SER. Zolang geen advies is uitgebracht kunnen wetsontwerpen van structurele aard niet worden ontwikkeld. Ten aanzien van elk van deze onderwerpen ligt dit echter nadrukkelijk wel in de bedoeling van het kabinet. Voor zover het beleid op de korte termijn dit vergt zal op deze punten tijdelijke wetgeving worden voorgesteld om de stap naar maatregelen van structurele aard te verlichten. Wij vinden echter dat met dit laatste een zekere terughoudendheid moet worden betracht. Dit heeft het kabinet doen besluiten dit jaar slechts die voorzieningen van tijdelijke aard voor te stellen die Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

enerzijds onontbeerlijk kunnen worden geacht voor een evenwichtig beleid, doch waarbij anderzijds geen claim wordt gelegd op de door de SER uit te brengen adviezen. Zo spoedig mogelijk zullen derhalve bij de Kamer worden ingediend wetsvoorstellen met betrekking tot de trendvolgende inkomens, alsmede die buiten ca.o. Voor beide groeperingen geldt dat het matigings-beleid jegens ambtenaren, respectievelijk werknemers onder ca.o. als onrechtvaardig zou moeten worden gekenschetst indien niet tot corresponderende matiging zou worden besloten. Van een «pakket» van in de zin van een geheel voor 1 januari 1980 van samenhangende, structurele beleidsmaatregelen is derhalve geen sprake. Het gaat om één wetsvoorstel van structurele aard, dat kan worden ingediend omdat de maatschappelijke discussie ter zake voldoende grondslag daartoe bood, naast enkele tijdelijke maatregelen die de korte termijn een evenwichtige aanblik geven. Hoewel wij van mening zijn dat deze keuze niet geheel bevredigen kan, hebben wij onderkend dat een andere weg niet openstaat. Een algemeen structureel inkomenspolitiek kader is in wording -onderdeel voor onderdeel wordt besproken en krijgt in de maatschappelijke discussie gestalte -en dit proces kan slechts tot op beperkte hoogte worden bespoedigd. Om deze redenen kunnen evenmin nader geconcretiseerde mededelingen worden gedaan omtrent de voorgenomen herziening van de salarissen van de ambtelijke, politieke en semi-politieke top; het beraad -ook interdepartementaal -en overleg is daarover nog gaande. Voor de vrije beroepsbeoefenaren is eet» prijsinkomensbeleid ontwikkeld dat in versterkte mate wordt voortgezet. De inkomensontwikkeling van de vrije beroepsbeoefenaar is gekoppeld aan die van de (meestal hogere) ambtenaar. Voor 1980 houdt dit in dat een reële minlijn wordt gevolgd. Het in 1979 ingezette stringente niveaubeleid, waarbij de positieve restposten niet worden bevroren, maar (versneld) afgebouwd zal in 1980 consequent worden voortgezet terwijl nieuwe beleidslijnen ter versterking worden ontwikkeld. Dit beleid kan tot gevolg hebben dat ook de honorering van verschillende hogere ambtelijke functies in discussie wordt gebracht m.n. in de medische sector. De herziening van de honoreringsstructuur (met een negatief effect op de inkomens) van artsen in dienst van universiteiten of academische ziekenhuizen achten wij in dit verband zeer urgent. Hiermede zijn wij bij de opmerkingen over het beleid voor 1980 gekomen. De invloed van de sociale partners op het matigingsbeleid is daarbij van grote betekenis, zoals onder meer ook door de leden van de fracties van het C.D.A. en de S.G.P. is gesteld. Wij zien het arbeidsvoorwaardenoverleg als een hoeksteen voor het sociaal-economisch beleid. Mede om deze reden is de handreiking gedaan tot een fiscale maatregel welke koopkrachthandhaving voor vrijwel alle inkomensgroepen met uitzondering van het overheidspersoneel mogelijk maakt met behoud van de matigingsdoelstelling van het kabinet in de initiële sfeer. De sociale partners zijn thans bezig hun opstelling opnieuw te evalueren. Hun besluitvorming stoelt uiteindelijk op de opvattingen van hun leden. Wij hebben in het gevoerde overleg een open en zo volledig mogelijke uitwisseling van standpunten en doelstellingen nagestreefd. Wij vertrouwen dat het overleg over de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in 1980 het in de begroting en het aanvullende beleidspakket neergelegde beleid niet zal doorkruisen. Wij respecteren echter ten volle de eigen verantwoordelijkheid van de sociale partners in dezen: De inkomensontwikkeling in het particuliere bedrijfsleven komt in eerste instantie voor verantwoordelijkheid van de werkgevers-en werknemersorganisaties. Op deze grond hebben wij ons in het beleidspakket per 1 januari 1980 beperkt tot het -via premie-en belastingmaatregelen en middels het aanvullend beleidspakket -scheppen van zo goed mogelijke voorwaarden voor vruchtbaar overleg. Als ondergrond voor ons beroep tot voortzetting van het matigingsbeleid zijn onzerzijds geplaatst de belangen van arbeidsmarkt en werkgelegenheidsontwikkeling en het vraagstuk van de herverdeling van arbeid in hun onderlinge samenhang.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Een te sterke loonontwikkeling zal via een verslechtering van de concurrentiepositie en van de rendementen van het bedrijfsleven (met name van marginale bedrijven) de werkgelegenheidssituatie bemoeilijken. De werkloosheid zal ook toenemen door een te sterke stimulans om kapitaalintensiever te produceren. Loonmatiging houdt ook het financieringstekort binnen de perken, waardoor lastenverzwaring of extra ombuigingen zo beperkt mogelijk kunnen worden gehouden. De koopkrachthandhaving voor de modale werknemer in de particuliere sector is daarbij een van de uitgangspunten voor het sociaal-economisch beleid voor 1980. Dit heeft ons gebracht tot het voorstel een verlichting in de loon-en inkomstenbelasting aan te brengen welke per saldo op de koopkracht van de modale werknemer een effect van + 0,3% heeft. In dit verband verdient vervolgens de reële inkomenspositie van de ambtenaren en trendvolgers in 1980 de aandacht. Uitgaande van een initiële loonstijging van 0,5% wordt de ontwikkeling van het reëel vrij beschikbaar inkomen voor de modale ambtenaar geraamd op -0,35%. Daarbij is rekening gehouden met de halfjaarlijkse door te voeren kortingen en met het geheel achterwege blijven van enige doorwerking van de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen tweede helft 1978 en van de uitzend ca.o. voor het contractjaar 1978. Hierbij zij overigens opgemerkt dat een belangrijk deel van het negatieve verschil met de particuliere werknemer en met name met de trendvolgers kan worden verklaard uit de voor ambtenaren afwijkende invloed van de kostenstijging van de medische dienstverlening op het koopkrachtplaatje.

Door de leden van de fracties van de P.v.d.A. en van het C.D.A. zijn in de inleiding een aantal opmerkingen gemaakt over het volumebeleid.

Wij kunnen ons niet verenigen met de opvatting van de leden van de fractie van de P.v.d.A. dat te weinig aandacht is geschonken aan de volumeontwikkeling die toegeschreven moet worden aan de toename van het aantal uitkeringsgerechtigden. In de notitie Volumebeleid zijn juist een aantal maatregelen aangekondigd die ertoe dienen te leiden dat het beroep op sociale zekerheid wordt beperkt. De meeste van deze maatregelen zullen eerst op langere termijn effect sorteren. Anders maatregelen zijn reeds in werking. Het verheugt ons dan ook dat de leden van de fractie van het C.D.A. van oordeel waren dat het door het kabinet beoogde volumebeleid handen en voeten begint te krijgen. Ten slotte zullen wij in deze inleiding aandacht besteden aan de adviezen die de in de Algemene Bijstandswet, de Wetten buitengewoon pensioen en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers aangewezen adviesorganen hebben uitgebracht. Het college Algemene Bijstandswet stemt in zijn advies in met een aantal uitgangspunten van het wetsontwerp. Verschillende leden hebben daarbij expliciet verwezen naar standpunten, neergelegd in het advies van de Sociaal-Economische Raad. Het college is van oordeel dat de koppeling van de sociale minima aan het minimumloon moet worden gehandhaafd. In grote meerderheid stemt het in met de herziene berekening van ziektewet" en wachtgeldpremie; het college heeft echter in meerderheid bezwaren tegen de wijziging van het fiscale regime bij de vaststelling van de koppelingsgrondslag. Het meent dat, zolang niet is aangetoond dat de verwervingskosten van een minimumloner rond f 300 meer bedragen dan de kosten van een niet-actieve, de verlaging van de bijstandsuitkering voor een echtpaar onjuist zou moeten worden genoemd. Een meerderheid van het college gaat akkoord met de invoering van een vereveningsbijdrage in de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945. Een grote meerderheid van het college kan zich verenigen met de overgangsbepalingen waarbij de koopkracht van de bijstandsontvangers wordt gewaarborgd.

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nr. 7

Het college is voorts van mening dat het tijdstip van inwerkingtreding van de wet zodanig moet worden gekozen dat de gemeenten in staat worden gesteld de nieuwe uitkeringsbedragen tijdig vast te stellen. Ten aanzien van de in de Wetten buitengewoon pensioen en in de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers aangewezen adviesorganen hebben tot nu toe de Buitengewone Pensioenraad, de Uitkeringsraad en de Stichting 1940-1945 gereageerd. Van de Stichting Joods Maatschappelijk Werken de Stichting Pelita zijn de adviezen nog niet ontvangen. De eerstgenoemde instanties voeren alle aan dat, aangezien de pensioenen en uitkeringen ingevolge voornoemde wetten geen loonvervangende doch inkomstenvervangende uitkeringen zijn, het inhouden van een vereveningsbijdrage, die gelijk is aan de premies van de werknemersverzekeringen, onjuist is. Zij doelen daarbij op het feit, dat in de Wetten buitengewoon pensioen en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers niet alleen gewezen loontrekkenden zijn (en worden) opgenomen, doch evenzeer zelfstandigen en ambtenaren. Deze laatstbedoelde categorieën zijn nimmer onderworpen geweest aan premieheffing ingevolge de werknemersverzekeringen, zoals in het ontwerp bedoeld. De ondergetekenden beamen dat, anders dan bij voorbeeld in de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, het in de Wetten buitengewoon pensioen en in de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers opgenomen bestand meerzijdig van samenstelling is en dat in-derdaad voor wat betreft de zelfstandigen en de ambtenaren van inkomensvervangende pensioenen en uitkeringen kan worden gesproken. Zij zijn echter van mening dat dit op zich geen aanleiding kan zijn om de Wetten buitengewoon pensioen en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers niet in de voorgestelde maatregelen te betrekken. De Wetten buitengewoon pensioen en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers hebben een verzorgend karakter. De in deze wetten opgenomen personen ontvangen geen pensioen of uitkering omdat zij loontrekkenden, zelfstandigen of ambtenaren (geweest) zijn, doch omdat zij zijn aangemerkt als verzetsdeelnemers en vervolgingsslachtoffers. De behoefte aan financiële hulp spruit voort uit de gevolgen van het gepleegde verzet en de ondergane vervolging. De aan hen toegekende pensioenen en uitkeringen worden op dezelfde wijze aangepast als de uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten. In verband hiermede zijn ook voor deze personen corrigerende maatregelen, zoals zijn voorgesteld, zeker niet onjuist. Een door de Uitkeringsraad genoemd bezwaar, nl. dat de inhouding van een vereveningsbijdrage op uitkeringen, toegekend aan personen ouder dan 65 jaar, in strijd zou zijn met het dan aan de uitkeringen verbonden pensioenkarakter, wordt door de ondergetekenden eerder als gevoelsmatig dan als reëel ervaren. Ook de hoogte van deze uitkeringen is immers mede bepaald door daarin opgenomen compensaties voor niet verschuldigde premies. Naar aanleiding van het nog door de Stichting 1940-1945 aangevoerde argument dat het principieel onjuist is om de buitengewone pensioenen, vanwege het daaraan verbonden pensioenkarakter, gelijk te stellen met uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetgeving, wordt opgemerkt dat een zodanige gelijkstelling voor wat betreft het indexeringsmechanisme sedert de zestiger jaren heeft bestaan en dat daartegen nimmer principiële bezwaren zijn ingebracht. De Uitkeringsraad en de Buitengewone Pensioenraad hebben beide nog bezwaren van meer algemene aard, te weten dat de compensatietoeslag uitsluitend wordt verleend aan personen, die reeds voor 1 januari 1980 een pensioen of uitkering genoten en dat de in te houden vereveningsbijdrage uitgaat boven hetgeen aan compensatie voor de gestegen premiedruk in de grondslagen is opgenomen. Eerder in deze memorie is op deze algemene vraagstukken reeds ingegaan. De beide genoemde raden hebben ook enkele opmerkingen gemaakt van meer technische aard. Enkele daarvan zijn reeds verwerkt in het voorliggen-de ontwerpvan wet. De andere zijn -voorzover relevant -in een nota van wijzigingen opgenomen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Ten slotte delen de ondergetekenden mede, dat de adviezen van de eerdergenoemde organen en instellingen separaat aan de Voorzitter van de Tweede Kamer zullen worden aangeboden.

HOOFDSTUK I. BRUTO-AANPASSINGSMECHANISMEN

§ 1.1. Algemeen

Het verheugt de Regering dat uit het voorlopig verslag kan worden afgeleid dat overeenstemming bestaat over de wenselijkheid van een welvaartsvaste koppeling van minimumloon en sociale uitkeringen. Zoals in de memorie van toelichting aangegeven zijn wij van mening dat deze welvaartsvastheid noodzakelijk is omdat deze inkomens voor de ontvangers ervan enig dan wel als hoofdinkomen moeten kunnen functioneren. De leden van de P.v.d.A.-f ractie zouden willen vernemen wat de Regering exact verstaat onder een welvaartsvaste koppeling. In antwoord hierop willen wij verwijzen naar de ontstaansgeschiedenis van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het zal ook deze leden bekend zijn, dat destijds de keuze tussen de welvaartsvastheid en de waardevastheid één van de belangrijkste onderwerpen van discussie is geweest. Qua indexeringsmethodiek vertaalde deze keuze tussen de welvaartsvastheid en de waardevastheid zich in een keuze tussen het volgen van de loonontwikkeling en het volgen van de prijsontwikkeling. Voorwaarde voor het in beginsel welvaartsvast doen zijn van minimumloon en sociale uitkeringen is derhalve dat deze inkomens de loonontwikkeling volgen. Minimumloon en sociale uitkeringen volgen reeds geruime tijd de loonontwikkeling. Deze koppeling wordt in het wetsontwerp gehandhaafd. In beginsel is daarmede de welvaartsvastheid van deze inkomens verzekerd. De leden van de P.v.d.A.-fractie hebben gelijk als zij stellen dat over de nadere uitwerking van dit beginsel de meningen sterk uiteenlopen. Het antwoord op de vraag wat de Regering in de sfeer van de nadere uitwerking onder welvaartsvaste koppeling verstaat, vinden zij in het wetsvoorstel en de daarop gegeven toelichting. In de sfeer van de brutoaanpassingen wordt voorgesteld om, in hoofdlijnen aangeduid, minimumloon en sociale uitkeringen de regelingslonen te laten volgen, zij het met buiten beschouwing laten van beloningscomponenten, die hetzij een specifiek sector-en functiegebonden karakter hebben, hetzij leiden tot het optreden van cumulatieve effecten, hetzij het optreden van overcompensatie tot gevolg hebben, en er voor zorg te dragen dat beloningselementen met een naar inkomensniveau gedifferentieerde werking ook naar niveau worden doorgegeven. Met dit systeem wordt bereikt dat minimumloon en sociale uitkeringen de ontwikkeling volgen van de qua niveau vergelijkbare looninkomens in de particuliere sector en wordt naar de mening van de Regering op de juiste wijze recht gedaan aan het beginsel van de welvaartsvaste koppeling. Het zal overigens duidelijk zijn dat de analogie die de leden van de fractie van de P.P.R. menen te kunnen ontwaren met de problematiek rondom de grondprijsvaststelling ons in het geheel niet aanspreekt. Wij willen er nog eens op wijzen dat in de nu gekozen opzet in de brutosfeer de welvaartsvastheid bereikt wordt met de halfjaarlijkse aanpassingen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid achten wij dit een groot goed. Hier ligt ook het bezwaar dat wij zouden hebben tegen een systeem waarin gekozen zou worden voor het beginsel van de waardevastheid met een tweejaarlijkse bijstelling achteraf. Dit laatste in antwoord op een opmerking van de leden van de S.G.P.-fractie. Zoals wij in de memorie van toelichting reeds hebben aangegeven willen wij het instrument van de bijzondere verhogingen handhaven, niet met het oog op de welvaartsvastheid welke immers in onze visie gewaarborgd is via de inhoud welke aan de halfjaarlijkse aanpassingen wordt gegeven maar met het oog op de niet uit te sluiten wenselijkheid om in de toekomst ten Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

aanzien van deze inkomens autonome, dat wil zeggen niet afgeleide maatregelen te treffen. Dit in antwoord op desbetreffende opmerkingen van de fractie van de P.v.d.A. Uiteraard is, zoals de leden van de V.V.D.-fractie stellen de wenselijkheid van een autonome maatregel als hier bedoeld onderwerp van politieke keuze nadat de sociale partners daarover hun opvattingen kenbaar hebben gemaakt.

De leden van de P.P.R.-fractie vragen zich af, of de door de Regering voorgestelde systematiek, zoals hierboven in grote lijnen aangegeven, niet op een min of meer toevallige, in ieder geval historisch bepaalde keuze berust in die zin dat na verloop van een aantal jaren nieuwe beloningscomponenten zich zullen voordoen waarvan het minder wenselijk wordt geacht dat deze in de welvaartsvaste koppeling worden meegenomen. Zij plaatsen derhalve een vraagteken bij het definitieve karakter van de voorgestelde wettelijke regeling. Uiteraard berust de voorgestelde wijziging van het aanpassingsmechanismeopeen historisch bepaalde keuze. Dat waarborgt juist het realiteitsgehalte van het voorstel. Binnen die context is er echter geen sprake van een min of meer toevallige, maar van een weloverwogen keuze. Vanzelfsprekend pretenderen wij niet en willen wij ook niet pretenderen met de thans voorgestelde wijziging het aanpassingsmechanisme voor in lengte van jaren op de juiste wijze te hebben vastgelegd. Verstandig beleid vergt immers dat ingespeeld wordt op nieuwe ontwikkelingen.

De leden van de fractie van D'66 stellen zich op het standpunt dat de sociale uitkeringen en het minimumloon in het algemeen de netto welvaartsontwikkeling van de actieve beroepsbevolking behoren te volgen. Het aanpassingsmechanisme zou daarom naar hun mening moeten worden afgestemd op de werkelijk verdiende inkomens (in plaats van op de regelingslonen) onder aftrek van belastingen en premies. Wij wijzen ten aanzien van het mini-mumloon deze nettobenadering af. In deze benadering wordt naar onze mening het loonkarakter van het minimumloon miskent. Voor wat betreft de sociale uitkeringen verwijzen wij naar hetgeen in hoofdstuk IV hierover wordt gezegd. Zoals uit het voorgaande blijkt zijn de leden van de fractie van D'66 voorstander van een koppeling van minimumloon en sociale uitkeringen aan de verdiende lonen. Ook de leden van de P.v.d.A.-fractie hebben zich op dit standpunt gesteld. In de memorie van toelichting is omstandig uiteengezet welke overwegingen de Regering ertoe hebben geleid om de regelingslonen als aanpassingsmaatstaf te hanteren. In de eerste plaats moet worden geconstateerd dat een aantal beloningscomponenten waarvan wij het wenselijk achten, dat zij bij de aanpassing buiten beschouwing blijven, zich op dit moment binnen de systematiek van de verdiende lonen niet laten elimineren. Te denken valt daarbij bij voorbeeld aan de elementen herstructurering en minimumlooneffecten. De vraag of er in dit opzicht reëel uitzicht bestaat op een zodanige wijziging van de opzet van deze index dat een splitsing naar componenten mogelijk wordt, moet ontkennend worden beantwoord. Dit heeft niet te maken met gebrek aan mankracht maar met de omstandigheid dat het een onhaalbare zaak is om via enquêtering bij bedrijven en instellingen voldoende gedetailleerde gegevens van individuele werknemers te verzamelen. Wij wijzen er bovendien op, dat juist omdat de index van de verdiende lonen tot stand komt op basis van enquêtering, deze index altijd met een grotere vertraging tot stand zal komen dan de index der regelingslonen. Ook op dit punt is het derhalve zeker niet alleen een kwestie van mankracht. Dit mede in antwoord op een desbetreffende opmerking van de leden van de S.G.P.-fractie.

De leden van de P.v.d.A.-fractie wijzen erop dat de index van de verdiende lonen veel beter aansluit bij het loonbegrip van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Wij zijn het eens met de stelling dat het loonbegrip van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag nauwer aansluit bij Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

het begrip verdiend loon dan bij het begrip regelingsloon. Wij trekken daaruit echter niet de conclusie dat dus het minimumloon de ontwikkeling van de index der verdiende lonen moet volgen. In de memorie van toelichting hebben wij er reeds op gewezen dat bij het hanteren van de verdiende lonen als aanpassingsmaatstaf het gevaar voor een opkrikkende werking reëel aanwezig is, namelijk voor zover partijen overeenkomen dat de laagste schaallonen op het niveau van het wettelijk minimumloon worden gebracht, dan wel qua ontwikkeling daaraan worden gekoppeld. In die situatie wordt het mini-mumloon in de praktijk niet als een verdiend loon maar als een schaalloon gehanteerd. Zoals in de memorie van toelichting reeds aangegeven, achten wij het om deze reden verstandiger de relatie tussen de ontwikkeling van de regelingslonen en die van de verdiende lonen aan de orde te stellen bij het periodiek over de wenselijkheid van bijzondere verhogingen in te winnen respectievelijk uit te brengen advies. Wij erkennen dat de afhankelijkheid van partijen, nu in ons voorstel wordt overgegaan tot het buiten beschouwing laten van bepaalde elementen, groter wordt. Wij wijzen echter in dit verband de door de leden van de P.v.d.A.-fractie gebezigde termen «gemanipuleer» en «geknoei» van de hand. Wij gaan ervan uit dat partijen elke nodige informatie zullen verschaffen, nodig om de aard van de overeengekomen arbeidsvoorwaardenverbeteringen correct vast te stellen. Bovendien kan het CBS bogen op een jarenlange praktijk bij de samenstelling van de index van de regelingslonen. Daarbij is voldoende ervaring opgebouwd om de gegevens kritisch te kunnen beoordelen en eventueel in goed overleg met partijen tot bevredigende oplossingen te kunnen komen.

De leden van de fractie van de V.V.D. vragen zich af of niet, nu wordt overgegaan tot het elimineren van bepaalde componenten en het naar niveau toerekenen van andere componenten, de regelingsloonindex voor nog slechts weinigen controleerbaar en doorzichtig wordt. In de eerste plaats willen wij opmerken dat er geen systeemverandering van de index van regelingslonen plaatsvindt. De reeksen blijven gehandhaafd zoals ze in 1972 zijn opgezet. Ook de methodiek wordt niet gewijzigd. Wat er wel gebeurt is het volgende. In de huidige aanpassingssystematiek wordt de reeks gehanteerd die de ontwikkeling binnen het particuliere bedrijf weergeeft van de week-en maandlonen inclusief vakantietoeslag en bijzondere uitkeringen, exclusief spaarloon. Het is de stijging van de indexcijfers van deze reeks die wordt opgesplitst in componenten. Aan de hand van deze opsplitsing kan dan het aanpassingspercentage worden bepaald. Verwezen wordt naar de overdruk van het in de zo juist verschenen Sociale Maandstatistiek van oktober 1979 gepubliceerde artikel «Indexcijfers der regelingslonen: de ontwikkeling onderscheiden naar componenten» (zie bijlage). Uiteraard wordt de aanpassingssystematiek op zich zelf uitvoeringstechnisch gecompliceerder dan in de huidige opzet. Wij menen echter dat de grondgedachten voldoende duidelijkzijn. De leden van de P.v.d.A. vragen of de Regering bereid is de berekeningen over de periode 1974-1977 te laten zien, waaruit blijkt dat de positieve en negatieve effecten van de voorgestelde aanpassingen van het bruto indexeringsmechanisme elkaar in evenwicht houden. In bijlage III, paragraaf 3.2 van de Nota Bestek '81 is een overzicht opgenomen van het gemiddelde cumulatieve effect van een aantal beloningsconv ponenten op de regelingslonen in de trendcontracten in de periode 1 juli 1974-30 juni 1977. Laten we het effect van de vakantietoeslag buiten beschouwing, aangezien dit effect in het nieuw voorgestelde systeem niet uit het gezicht verdwijnt, maar verhuist naar de minimumvakantiebijslag, dan blijkt het totale effect van de te elimineren elementen 2,4% te bedragen (herstructurering 1 %, minimumlooneffecten 1 %, bijzondere uitkeringen -0,4%). Uit berekeningen gemaakt in het kader van de adviesaanvrage van 16 november 1977 over de wenselijkheid van een bijzondere verhoging van het Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

minimumloon blijkt dat toerekening naar niveau van vloeren en vaste bedragen over de periode 1 januari 1975 tot en met 31 december 1977 op mini-mumloonniveau zou geleid hebben tot een extra effect van 2,3% boven het effect dat voortvloeit uit de doorwerking van deze componenten in de gemiddelde ontwikkeling van de regelingslonen. Op deze gegevens hebben wij onze veronderstelling gebaseerd dat grosso modo de negatieve en positieve effecten van de voorgestelde wijzigingen elkaar in evenwicht zullen houden. Wij tekenen hierbij volledigheidshalve nog het volgende aan. Bedacht moet worden dat bij de bovenminima de effecten van de toerekening naar niveau uiteraard afnemen naarmate de uitkeringen hoger zijn. Daarnaast dient in het oog te worden gehouden dat bovengenoemde berekeningen betrekking hebben op periodes van 3 jaar waarbinnen 6 automatische halfjaarlijkse aanpassingen hebben plaatsgevonden. Per halfjaarlijkse aanpassing gaat het derhalve zowel voor wat de eliminering betreft als voor wat betreft de toerekening naar niveau om slechts enkele tienden van procenten. Wij menen dat met de door ons voorgestelde systematiek in redelijke mate gewaarborgd is dat het minimumloon zijn relatieve betekenis behoudt. Dit mede in antwoord op een desbetreffende vraag van het lid van de D.S/70-fractie. Wij zouden het onjuist vinden, wanneer het grote goed van wettelijk geregelde minimumloongarantie aan materiële betekenis zou inboeten. Vandaar onze bezwaren tegen het hanteren van een te eng loonbegrip als aanpassingsmaatstaf. Dit in antwoord op een desbetreffende opmerking van de leden van de V.V.D.-fractie, waaraan we willen toevoegen dat voor 1979 nog geen gegevens over aantallen mimimumloners beschikbaar zijn. Wel zijn gegevens beschikbaar over het aantal minimumloners in respectievelijk november 1971, november 1974 en november 1976. Een onderzoek naar het aantal minimumloners in november 1979 is in voorbereiding. Het aantal minimumloners van 23 jaar en ouder bedroeg in november 1971 84 000, in november 1974 172000 en in november 1976 199 000. In procenten van het totaal aantal werknemers van 23 jaar en ouder bedragen deze aantallen respectievelijk 3,0, 5,7 en 6,2%. Inclusief de mimimumjeugdlonen luiden de absolute aantallen voor november 1974 en november 1976 respectievelijk 377 000 en 406 000, uitgedrukt in procenten van het totaal aantal werknemers respectievelijk 9,9 en 10,5%. Ten aanzien van de samenstelling van deze groep, waarover door leden van een aantal fracties vragen zijn gesteld, kan het volgende worden meegedeeld. In november 1976 was de samenstelling van de groep minimumloners, groot 406 000 personen, als volgt:

  • werknemers van 23 t/m 64 jaar

199,1 werknemers van 16 t/m 22 jaar

206,8

Totaal

405,9

  • mannelijke werknemers

160,8 vrouwelijke werknemers

245,1

Totaal

405,9

  • werknemers met een volledig dienstverband

282,4 werknemers met een onvolledig dienstverband

123,5

Totaal

405,9

De vraag van de leden van de C.D.A.-fractie en van het lid van de DS'70-fractie of redelijkerwijze gesteld kan worden dat van de «echte» minimumloners slechts een minderheid niet de last draagt van een volledige gezinshuishouding, laat zich in die zin niet beantwoorden, dat in de CBS-onderzoeken naar aantallen minimumloners niet op basis van dit criterium is geselecteerd. Gezien de boven weergegeven samenstelling van de groep ligt echter veronderstellenderwijze een positieve beantwoording in de rede.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

In dit verband willen wij opmerken dat ten aanzien van het minimumloon naar onze mening sprake is van een dualistisch karakter. Enerzijds heeft het minimumloon het karakter van een contraprestatie van de werkgever voor door de werknemer geleverde volwaardige arbeid. Er is derhalve duidelijk sprake van een loon met alle aspecten, waaronder de arbeidsmarktpolitieke aspecten, daaraan verbonden. Daarnaast heeft het minimumloon het karakter van een minimuminkomen. De koppeling van de sociale minima aan het nettominimumloon heeft aan dit karakter de laatste jaren meer accent gegeven. In dit verband wijzen wij erop dat de opmerking van de leden van de fractie van de V.V.D. juist is, dat de bepaling van de hoogte van het minimumbestaansniveau niet is gebaseerd op onderzoekingen naar minimale behoeften maar dat in feite gekozen is voor een relatief minimum. De vraag of het niet raadzaam is alsnog te besluiten tot het doen van onderzoekingen naar de minimale behoeften menen wij ontkennend te moeten beantwoorden vanwege de noodzakelijkerwijze in een dergelijk onderzoek in te bouwen sub-jectieve veronderstellingen en subjectieve criteria, ervan uitgaande dat onder minimale behoeften meer wordt verstaan dan de minimumbehoeften in biologisch opzicht. Hiermede is tevens een desbetreffende opmerking van de fractie van de C.P.N, beantwoord. Wij merken in dit verband ten slotte nog op, geen antwoord te kunnen geven op de vraag van het lid van de fractie van D.S/70 hoe groot de groep minimumloners is waarvan verwacht mag worden dat zij gedurende hun hele leven op het niveau van het minimumloon moeten verkeren.

Het lid van de fractie van D.S.70 ten slotte, vraagt ons oordeel over de stelling, dat de aanpassing van het minimumloon het eertijds gestelde uitgangspunt van het volgen van de algemene welvaartsontwikkeling te boven is gegaan. Dit lid vraagt of wij dit als een «systeemfout» zouden willen kwalificeren. Wij zouden in dit verband willen volstaan met de opmerking dat los van de materiële uitkomsten van de voorgestelde wijzigingen, waarop hierboven nader is ingegaan, naar onze mening de nieuw voorgestelde opzet een betere vertaling is van het beginsel van de welvaartsvaste koppeling dan de huidige opzet. De vraag van dit lid om nadere informatie over de sectoren die in hun voortbestaan zouden worden bedreigd bij handhaving van het huidige systeem willen wij in die zin onbeantwoord laten, dat de vraagstelling naar onze mening een te absolute en te directe relatie veronderstelt tussen mini-mumloon en werkgelegenheid. Overigens willen wij hem verwijzen naar de publikaties van het CBS van de door dit bureau periodiek ingestelde onderzoeken naar aantallen minimumloontrekkenden.

i 1.2. Wijzigingsvoorstel

  • A. 
    Voortaan buiten beschouwing te laten beloningscomponenten Herstructurering Door nagenoeg alle fracties zijn vragen gesteld over de voorgestelde eliminering van de component herstructurering. Door sommige fracties is daarbij een samenhang aangebracht met het vraagstuk van de toeslagverwerkingen. Wij zouden willen proberen om in een doorlopend betoog deze vragen te beantwoorden. In algemene zin geformuleerd kan onder herstructurering worden verstaan een herziening van de beloningsstructuur welke gepaard gaat met een wijziging van de schaalindeling in een ca.o. Veelal heeft deze component een directe relatie met het eigen karakter van de betreffende ca.o. en aangezien het eigen karaktervan de ca.o. samenhangt met de specifieke kenmerken van de sector waarop hij betrekking heeft derhalve ook met het specifieke karakter van de betreffende sector. Deze directe relatie betekent in wezen dat aan herstructurering veelal een tussen sectoren differentiërende functie Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

kan worden toegekend. Van belang is, dat naar onze mening kenmerkend voor deze differentiërende functie van de component herstructurering is, dat zij, anders dan de differentiatie welke voortvloeit uit verschillen in initiële verhogingen, in wezen geen directe samenhang heeft met verschillen in rentabiliteit en in winstposities tussen de sectoren. Tekenend in dit verband is dat binnen het kader van een herstructurering niet alleen arbeidsvoorwaardenverbeteringen maar ook verslechteringen kunnen voorkomen, zoals bij voorbeeld het verlagen van aanvangssalarissen voor bepaalde functies. Bij de differentiatie in initiële verhogingen zijn rentabiliteitsverschillen veelal bij uitsluiting de grond voor die differentiatie. Door voortaan deze component buiten de aanpassing te houden wil de Regering deze differentiërende functie zoveel mogelijk tot zijn recht laten komen. Voor zover de herziening van de beloningsstructuur, gepaard gaande met een wijziging van de schaalindeling, er mede op gericht is de beloningsverhoudingen binnen de betreffende ca.o. te wijzigen op grond van een noodzakelijk geachte herwaardering van bij voorbeeld die functies die liggen in de sfeer van het vuile, zware en onaangename werk, beogen wij met eliminering van de component herstruc turering ook deze differentiërende functie binnen de betreffende ca.o. optimaal tot zijn rechtte laten komen. Wij zijn er ons terdege van bewust dat ten aanzien van de vaststelling of er sprake is van herstructurering, partijen bij de ca.o. een rol van doorslaggevende betekenis spelen. In die zin is de opmerking van de leden van de P.v.d.A.-fractie dan ook onjuist, dat het CBS zich met het interpreteren van dit soort gegevens moet gaan bezighouden. Dat wil overigens niet zeggen dat het CBS zonder meer klakkeloos overneemt wat haar door partijen wordt voorgelegd. Bestaat er onduidelijkheid, dan treedt het CBS in overleg met partijen. Hetzelfde geldt ook nu reeds, ten aanzien van de bepalingen van het materiële effect van een overeengekomen herstructurering. Wanneer bij een herstructurering verschuivingen in de loonschalen van een ca.o. optreden is een objectieve vaststelling van de loonstijging niet altijd mogelijk. Het CBS vraagt dan aan partijen om een gespecificeerde raming van die stijging en treedt zo nodig daarover met partijen in overleg. Duidelijk is dat met name ten aanzien van deze component de afhankelijkheid van partijen groot is. Wij hebben er echter, uitgaande van de in het verleden opgedane ervaring, alle vertrouwen in, dat partijen steeds alle nodige informatie zullen verschaffen. Hierboven is reeds het vraagstuk van het extra belonen van zwaar, vuil of onaangenaam werk aangeroerd. Aannemelijk is dat deze extra beloning in veel gevallen de vorm zal krijgen van een op de persoon gerichte en daardoor facultatieve toeslag. Dergelijke toeslagen beïnvloeden de index van de regelingslonen niet. Vindt deze extra beloning plaats door middel van een herstructurering die leidt tot een andere schaalindeling, dan blijft zij vanwege het karakter van herstructurering buiten de aanpassing. Denkbaar is uiteraard dat in eerste instantie het middel van de facultatieve toeslag wordt gehanteerd en dat in een latere fase overgegaan wordt tot herstructurering onder gelijktijdige afschaffing van die toeslag. Ook denkbaar is echter dat geleidelijk aan de differentiërende functie van de toeslag gericht op het extra belonen van werknemers werkzaam in functies in de sfeer van het vuile, zware of onaangename werk, in die zin verloren gaat, dat geleidelijk aan steeds meer werknemers die toeslag ontvangen zonder dat er voor hen sprake is van vuil, zwaar of onaangenaam werk. Een toeslag kan op die manier geleidelijk aan een algemeen karakter krijgen. Wanneer tot verwerking van die toeslagen in de schaallonen wordt overgegaan dan wel de toeslagen bindend worden voorgeschreven, is dat veelal om die reden. Deze wijzigingen komen tot uitdrukking in de index van de regelingslonen. Wij zijn van mening dat toeslagverwerkingen zoals hierboven omschreven te karakteriseren zijn als loonsverhogingen met een algemeen karakter. Kenmerkend in dit verband is bij voorbeeld dat in een dergelijk geval toeslagverwerking op zichzelf geen andere indeling van de loonschalen met zich mee brengt. Op het moment van verwerking is, anders dan bij herstructurering, van een directe relatie met het specifieke karakter van de desbetreffende ca.o., de betreffen-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

de sector of de betreffende functie geen of nagenoeg geen sprake meer. Hij vormt dan onderdeel van de algemene loonbeweging in de bedrijfstak. Wij erkennen dat toeslagverwerkingen aanleiding kunnen vormen tot schoksgewijze aanpassingen van minimumloon en sociale uitkeringen. Dit lijkt echter onvermijdelijk. Daarbij dient niet uit het oog te worden verloren, dat in het loongebouw zich een continue ontwikkeling voltrekt op velerlei terreinen. De suggestie in het voorlopig verslag om toeslagverwerkingen in beginsel niet door te laten werken en ten tijde van bijzondere verhogingen daarvoor compensatie te bieden indien het ontstane verschil tussen verdien-de lonen en geschoonde regelingsloonindex daartoe aanleiding geeft, lost naar onze mening het probleem van de schoksgewijze aanpassing niet helemaal op. Er wordt immers slechts een nieuw moment gecreëerd waarop een schoksgewijze aanpassing plaatsvindt, te weten het moment van de bijzondere verhoging. Op dat moment zouden ook de minder omvangrijke toeslagverwerkingen, die nu vrij geruisloos plaatsvinden, gaan cumuleren.

De leden van de fractie van de V.V.D. vragen of een overzicht gegeven kan worden van alle bekende, nog niet verwerkte toeslagen. Hoe omvangrijk is, zo vragen zij, het toeslagdeel dat dateert van respectievelijk vóór en na de in-werkingtreding van de Wet minimumloon en dat nog voor verwerking in aanmerking komt? Welk stijgingseffect kan dit, zo vragen zij ten slotte, nog hebben op de regelingsloonindex? Wij menen deze leden te mogen verwijzen naar de periodieke publikatie van het Loonbureau «Ca.o.'s in Nederland, een systematische samenvatting van lonen en andere arbeidsvoorwaarden in Nederland, vastgelegd in collectieve arbeidsvoorwaarden en bindende regelingen»1. Deze overzichten bevatten voor alle collectieve regelingen voor bedrijfstakken en ondernemingen met 5000 of meer werknemers alle toeslagen die in die regelingen van kracht zijn. Een splitsing in het toeslagdeel dat dateert van respectievelijk vóór en na de de inwerkingtreding van de Wet minimumloon is niette geven. Evenmin laat zich in redelijkheid de vraag beantwoorden welk deel nog voor verwerking in aanmerking zou komen.

Minimumlooneffecten De leden van de fracties van de P.v.d.A. en van de C.P.N, vragen of nader cijfermatig inzicht kan worden gegeven in de opgetreden directe en indirecte effecten van de opstuwende werking van verhogingen van het minimumloon. Een periodiek overzicht van de uitsplitsing van componenten van de mutaties in de regelingsloonindex is eerst zeer recent door het CBS aangevangen. Uit het Statistisch Bulletin van 30 oktober 1979 (CBS) blijkt dat de op een decimaal afgeronde regelingsloonindex per ultimo september 1979 ten opzichte van december 1979 met 4,37% was gestegen. Van dit percentage was 0,01 %-punt toe te schrijven aan het directe minimumlooneffect. Er was in de aangegeven periode geen indirect effect geconstateerd. In Bestek '81 is een overzicht gegeven van de grootte van de verschillende looncomponenten in de stijging van de regelingslonen in de trendcontracten over de periode juli 1974 tot en met juni 1977. De directe en indirecte minimumlooneffecten bedroegen in die periode elk cumulatief 0,5%. Deze leden vragen tevens hoe de feitelijke ontwikkelingen van het indirecte minimumlooneffect in de laatste 5 jaar zijn geweest. De voor een exacte beantwoording van deze vraag noodzakelijke gegevens zijn niet voorhanden. Wij menen dat de hierboven aangehaalde gegevens enig inzicht kunnen verschaffen. Ten aanzien van de vragen van de leden van de P.v.d.A.-fractie naar de feitelijke ontwikkeling in ca.o.'s de laatste 5 jaar ter zake van de relatie tussen de laagste schaallonen en het minimumloon verwijzen wij naar de bijlage III, gevoegd bij deze memorie. Deze leden vragen vervolgens hoe kan worden aangetoond dat de verhogingen van schalen juist boven het minimumloonniveau het gevolg zijn van een verhoging van het wettelijk minimumloon. Zullen partijen niet altijd een Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

argumentatie weten te vinden als zij van mening zijn dat bepaalde loonschalen moeten worden opgetrokken, zo vragen zij verder. Hoe kan de argumentatie en dus de doorwerking in de index vervolgens worden uitgesplitst in effecten van minimumloonverhoging en andere overwegingen, zo willen zij weten. In antwoord op deze vragen merken wij op, dat de rubricering van de loonsverhogingen of onderdelen daarvan in beginsel berusten op opgaven van de partijen die deze verhogingen zelf zijn overeengekomen. De praktijk leert echter dat door vergelijking van oude en nieuwe loonschalen juist de uitstraling van het minimumloon in het algemeen op ondubbelzinnige wijze is vast te stellen. Er bestaat onzes inziens derhalve geen grond voor de vrees zoals die door de leden van de P.v.d.A.-fractie wordt geuit, dat met de indirecte minimumlooneffecten uit het aanpassingsmechanisme te weren, ook andere ontwikkelingen in de lagere loonschalen buiten de index zullen worden gehouden.

De leden van de fractie van D'66 zouden de directe minimumlooneffecten buiten het aanpassingsmechanisme willen houden, doch de indirechte effecten wel op de sociale uitkeringen willen laten doorwerken. De leden van de fracties van de C.P.N, en DS'70 zijn dezelfde mening toegedaan. Wij menen dat wat betreft het minimumloon alle aanleiding is om een zelfopstuwende werking van het minimumloon via de loonschalen in de ca.o.'s of deze nu direct of via een uitstraling geschiedt en ook indien aan de in-directe effecten een vrijwillige beslissing van de c.a.o.-partners ten grondslag ligt, uit het aanpassingsmechanisme te weren. Door de koppeling opnettobasis van de sociale minima aan het minimumloon blijven deze effecten dan eveneens buiten de aanpassing van deze minima. Wij achten het vervolgens, dit met het oog op de in de memorie van toelichting aangegeven noodzaak tot een consistent verloop tussen de sociale minima en bovenminima, beslist gewenst dat deze effecten ook buiten de aanpassing van de bovenminima wordt gehouden.

Vakantiebijslag De leden van de meeste fracties oordelen positief over het principe, dat aanpassing van de minimumvakantiebijslag apart dient plaatste vinden naast de aanpassing van het minimumloon en derhalve effecten van verhogingen van vakantiebijslagen in de ca.o.'s niet behoeven door te werken in het aanpassingsmechanisme van het minimumloon en de sociale uitkeringen. Minder eenstemmigheid bestond over de vraag welke consequenties deze scheiding diende te hebben voor de minimumvakantiebijslag zelf, en welke overgangsmaatregel ten aanzien van het niveau van het minimumloon moet worden getroffen. Voor de beantwoording van vragen op dit terrein verwijzen wij naar het desbetreffende hoofdstuk in deze memorie.

Eindejaarsuitkeringen De leden van de V.V.D.-fractie konden instemmen met de eliminatie van effecten van eindejaarsuitkeringen uit het aanpassingsmechanisme. Zij vroegen zich echter af of het juist zou zijn eindejaarsuitkeringen uit te zonderen van het loonbegrip fn de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wanneer aan het einde van het jaar het totale verdiende loon in dat jaar wordt getoetst aan het minimumloon. Wij wijzen erop dat de mogelijkheid om een afrekenperiode van een jaar aan te houden in de wet is opgenomen met het oog op de arbeidsverhoudingen, waarin de totale beloning voor een substantieel deel uit variabele loonbestanddelen bestaat. Dit is echter in het algemeen niet het geval. In de praktijk wordt geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Wanneer nu een minimumloontrekkende op grond van zijn arbeidsovereenkomst recht heeft op een eindejaarsuitkering en daarnaast effecten van eindejaarsuitkeringen in het aanpassingsmechanisme zijn opgenomen, is in de praktijk sprake van Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

een dubbeltelling. Deze dubbeltelling kan worden voorkomen door een eliminatie van dit effect. Naar onze mening is een uitzonderen van eindejaarsuitkeringen uit het loonbegrip in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag te zamen met een eliminatie van effecten van eindejaarsuitkeringen uit het aanpassingsmechanisme een twee-eenheid, die ten behoeve van een consistente gedragslijn in zijn geheel dient plaats te vinden. Op de desbetreffende vraag van de leden van deze fractie antwoorden wij dat doorvoering van beide maatregelen te zamen niet als strijdig kan worden gezien met het garantiekarakter van het minimumloon. Verder vragen zij hoe overwerkvergoedingen zich verdragen met dat garantiekarakter. Wij merken op dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag een minimumbeloning garandeert voor een normale arbeidsduur. Vergoedingen voor overwerk vallen dan ook buiten het wettelijk loonbegrip. Zij zijn evenmin opgenomen in de regelingsloonindex en derhalve ook niet van in-vloed op het aanpassingsmechanisme.

De leden van de fractie van D'66 maakten bezwaar tegen de eliminatie van de effecten van eindejaarsuitkeringen uit het aanpassingsmechanisme. De leden van de fractie van de C.P.N, achtten de aangevoerde argumenten hierover niet voldoende. Wij verwijzen in dit verband naar de beantwoording van de vraag aan de leden van V.V.D.-fractie over dit onderwerp. Onze overweging om tot de genoemde eliminatie over te gaan, is gelegen in de wens om in de praktijk optredende dubbeltellingen te voorkomen.

De leden van de fractie van de S.G.P. vragen of invoering van eindejaarsuitkeringen in ca.o.'s veel voorkomt. Antwoordend op deze vraag merken wij op dat jaarlijks in slechts zeer weinige ca.o.'s een eindejaarsuitkering wordt ingevoerd.

Spaarloon De leden van de fractie van de C.P.N, zouden graag een verduidelijking zien op de zinsnede in de memorie van toelichting, dat het niet wenselijk is dat via de aanpassingsmechanismen ontwikkelingen op het terrein van het spaarloon bij deze inkomenscategorieën leiden tot toeneming van het besteedbaar inkomen. Naar ons inzicht behoeft deze zinsnede nauwelijks verduidelijking. De bedoeling is deze, dat wij het niet aanvaardbaar achten dat ontwikkelingen van het spaarloon in ca.o.'s, welke immers niet leiden tot enige vergroting van het besteedbaar inkomen van de werknemers die onder deze ca.o. vallen, wel zou leiden tot een verhoging van het besteedbaar inkomen van mini-mumloontrekkenden en uitkeringstrekkers.

Gelijke beloning voor vrouwen en mannen Ten aanzien van de component gelijke beloning voor vrouwen en mannen vragen de leden van de fractie van de V.V.D. of aangegeven kan worden wat het stijgingspercentage in de afgelopen jaren van deze component in de regelingsloonindex is geweest. Het achterhalen van dit gegeven zou een zeer tijdrovende zaak zijn. Om die reden moet van een antwoord worden afgezien. Verwezen kan slechts worden naar de in bijlage III, paragraaf 3.2, bij de Nota Bestek '81 opgenomen tabel, waaruit blijkt, dat het gemiddeld cumulatief effect op de regelingslonen in de zogenaamde trendcontracten in de periodevan 1 juli 1974 t/m 30 juni 1977 0,01% heeft bedragen. Van effectuering van het elimineren van deze component uit de aanpassing is niet afgezien, omdat het elimineren van deze component gecompliceerder zou zijn dan het elimineren van andere componenten. Aangezien vast staat dat deze component geen materiële betekenis heeft betekent echter een wijziging van de bestaande systematiek op zich zelf een onnodige complicatie.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

  • B. 
    Hef toerekenen naar niveau

De leden van de fractie van de P.v.d.A. kunnen instemmen met de intenties van de Regering om effecten van vloeren vaste bedragen en van aftopping op niveau toe te rekenen, maar vragen zich af of minimumloners en uitkeringstrekkers nog wel de mogelijkheid hebben om de hun toekomende verhogingen na te rekenen. Wij willen niet ontkennen dat de voorgestelde techniek van toerekening naar niveau gecompliceerder is dan de tot nog toe gevolgde methodiek om minimumloon en sociale uitkeringen ongeacht niveau te koppelen aan éép enkele index. Evenals voorheen zal echter gebruik worden gemaakt van door het CBS verzameld en berekend cijfermateriaal. Verder zal wat betreft het minimumloon in de toelichting op de halfjaarlijkse beschikking, waarin nieuwe minimumloonbedragen worden vastgesteld, een specificatie van de opbouw van de verhoging kunnen worden gegeven. Voor de bovenminima zal het in verband met de toe te passen inter-en extrapolatie moeilijker zijn een duidelijk inzicht te verschaffen. In dit verband zij opgemerkt dat in de voorgestelde systematiek nog geen plaats is ingeruimd voor een toerekening van aftoppingseffecten, mede gezien de geringe betekenis die deze effecten thans hebben. De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen zich vervolgens af hoe, gezien het feit dat de effecten van aftopping zich voor een groot deel afspelen in de hogere lonen die niet in ca.o.'s worden geregeld, toch een juiste toerekening van deze effecten naar minimumloon en sociale uitkeringen kan plaatsvinden. Wij bevestigen dat zich bij de aftoppingseffecten inderdaad het verschijnsel zal voordoen dat deze betrekking hebben op lonen die niet onder ca.o.'s vallen. De invloed van z-ulke effecten zal via de regelingsloonindex op het minimumloon en de sociale uitkeringen dan ook beperkt tot nihil zijn. Het ligt in het voornemen om eerst wanneer zich in betekenende mate in de ca.o.'s zelf aftopping voordoet, tot toerekening van deze component over te gaan. Het is om deze reden dat wij de ontwikkelingen op dit punt nauwlettend zullen volgen. De leden van deze fractie vragen of het niet juist is dat in het algemeen verwerking van toeslagen voor een bepaald aantal loongroepen plaatsvindt. Moet dan niet gekozen worden voor toerekening naar niveau, zo vragen zij vervolgens. Wij zijn van mening dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het toekennen van toeslagen enerzijds en het verwerken van toeslagen in loonschalen, dan wel het verbindend voorschrijven ervan anderzijds. De toekenning van toeslagen zal veelal zijn gericht op bepaalde personen of categorie-en van personen. De verwerking van toeslagen in loonschalen zal eerst dan geschieden, wanneer het gebruik van toeslagen zijn specifieke karakter heeft verloren. Beperkte toeslagverwerkingen, als die waarop door de leden van de hierboven genoemde fractie wordt gedoeld, komen zeer weinig voor en hebben derhalve een zeer gering effect op de regelingsloonindex. Een toerekening naar niveau zal dan ook slechts een zeer gering effect kunnen hebben. Daarbij komt dat binnen het raam van de beschikbare technische mogelijkheden een zodanige niveautoerekening praktisch als niet haalbaar moet worden beschouwd. Dit laatste mede in antwoord op de vraag van de leden van de S.G.P.-fractie over de te verwachten technische complicaties. Het lijkt ons dat binnen het kader van deze memorie van een uitdieping van de aard van die complicaties moet worden afgezien.

Op de vraag van de leden van de fractie van de P.v.d.A. waarom deze toerekening zoveel moeilijker is dan bij voorbeeld een interpretatie van het begrip herstructurering, minimumlooneffecten e.d. het volgende. De kwestie van de toerekening is er een van begrenzing van de mogelijkheden om berekeningen als deze uit te voeren. De kwestie van een interpretatie van de ge-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

noemde begrippen is er één van rubricering van de verschillende loonstijgingscomponenten. De leden van de fractie van de P.v.d.A. vragen vervolgens in verband met de toerekening van toeslagverwerkingen die betrekking hebben op slechts bepaalde loongroepen of een decielanalyse van het CBS hier geen hulpmiddel kan zijn. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Een decielanalyse is slechts mogelijk bij de verdiende lonen. Onze bezwaren tegen het hanteren van de index van de verdiende lonen zijn reeds eerder in deze memorie uiteengezet. De leden van de V.V.D.-fractie vragen of vloeren in de prijscompensatie niet veelal worden overeengekomen om de afstand tussen het minimumloon en de daarboven gelegen loonschalen te handhaven. Een verwerking van vloereffecten in het minimumloon zou dit weer teniet doen en vervolgens uitstralingseffecten oproepen zo is hun redenering. Zouden vloeren dan niet buiten het aanpassingsmechanisme moeten worden gehouden, vragen zij zich af. Wij hebben geen aanleiding te veronderstellen dat vloeren in prijsconv pensaties werden en worden aangebracht, juist met het doel om een afstand te bewaren tussen het minimumloon en daarboven gelegen loonschalen. De stelling dat vloereffecten niet zouden moeten worden meegenomen in het aanpassingsmechanisme, omdat zij als uitstralingseffecten van het mini-mumloon zouden moeten worden gekwalificeerd, kunnen wij dan ook niet onderschrijven. De leden van deze fractie vroegen zich vervolgens af of looncompensatie voor gestegen werknemersbijdragen in de pensioenpremie niet zouden moeten worden geëlimineerd. Indien op het terrein van deze compensaties in een bepaalde bedrijfstak een achterstand bestaat, zo redeneerden zij, kan bij het loonoverleg een inhaal worden bedongen via een verhoging van de werknemerspremie met gelijktijdige looncompensatie. Wanneer zo'n inhaaloperatie in de regelingsloonindex terechtkomt, komt dit ook werknemers ten goede in bedrijfstakken die reeds goede pensioenvoorzieningen kennen. De genoemde leden beschouwen dit als een oneigenlijk element in het aanpassingsmechanisme. Wij zetten vraagtekens bij de frequentie en de mate waarin de geschetste situatie zich zou kunnen voordoen. Verder zijn wij van opvatting, dat binnen de criteria die in het wetsontwerp aan de brutoaanpassingsmechanismen voor minimumloon en sociale uitkeringen zijn gesteld geen aanleiding bestaat om loonmutaties die voortkomen uit in c.a.o.-overleg overeengekomen inhaalmanoeuvres een bedrijfstak ten opzichte van een andere bedrijfstak uitsluitend op grond van het feit dat het een inhaaloperatie betreft, uit het mechanisme te weren. Verder vroegen zij zich af in hoeverre met het nieuwe aanpassingsmechanisme kan worden voorkomen, dat in de toekomst in de zwakkere bedrijfstakken het minimumloon de schaallonen inhaalt. Wij wijzen er hierbij op dat in het nieuwe aanpassingsmechanisme, evenals in het oude, in beginsel de gemiddelde beweging van de regelingslonen wordt gevolgd. In zoverre in zwakkere bedrijfstakken de mutatie van de regelingslonen bij het gemiddelde achterblijft, wordt uiteraard ook met het nieuwe aanpassingsmechanisme de bedoelde inhaal niet voorkomen.

  • C. 
    Technische aspecten

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen zich af of, uitgaande van de principiële grondgedachte, dat zoveel mogelijk een parallelle inkomensontwikkeling voor de verschillende inkomensniveaus moet worden nagestreefd, het voor de bovenminima niet mogelijk zou zijn, dat voor verschillende loonniveaugroepen aparte indexcijfers zouden worden berekend. De fractieleden van D'66 zagen in de in het wetsontwerp neergelegde systematiek van niveauberekening al een vorm van toepassing van de gedachte van zogenaam-de «deeltrends».

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Het in het wetsontwerp voorgestelde systeem is uiteraard geen systeem van deeltrends, al geeft het enigszins een benadering van de waarschijnlijke uitkomsten van zo'n systeem. De realisatie van zo'n systeem is ook niet mogelijk. Gezien het feit dat hogere loongroepen in het wegingsschema van de regelingsloonindex relatief weinig zijn vertegenwoordigd, zouden de uitkomsten van een indexcijfer in de hogere loongroepen geen representatief beeld geven van de loonontwikkeling voor die groepen en ongetwijfeld zullen leiden tot naar inkomensniveau onevenwichtige aanpassingen. Dit bezwaar doet zich niet voor bij de verdiende lonen. Zoals wij reeds eerder in deze memorie hebben uiteengezet, is het gebruik van de index der verdien-de lonen voor het aanpassingsmechanisme van minimumloon en sociale uitkeringen echter om diverse redenen niet geschikt.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. en de V.V.D. vragen of met het overleggen van rekenvoorbeelden een indruk kan worden gegeven van de technische uitwerking van de voorgestelde methodiek. Het geven van een realistisch voorbeeld stuit op het praktische bezwaar, dat de uitsplitsing van de mutaties van de index van regelingslonen in loonstijgingscomponenten slechts over een zeer recente periode beschikbaar is. Daar het voor de aanpassingen van minimumloon en sociale uitkeringen op 1 januari 1980 relevante*indexcijfer van ultimo oktober 1979 per 30 november beschikbaar komt, zal voor of tijdens de mondelinge behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer inzicht kunnen worden verschaft in de grootte van de aanpassingen, zoals deze bij toepassing van de in het wetsontwerp voorgestelde methodiek zullen zijn.

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen of de Regering, gezien de ingewikkeldheid van het voorgesteld systeem, aanknopingspunten ziet voor de opzet van een andere toerekeningstechniek, die de studie van de heer Van den Doel naar hun mening kan bieden om nivelleringseffecten toe te rekenen. Ons antwoord hierop luidt ontkennend. In de eerste plaats al omdat het door de heer Van den Doel ontwikkelde systeem het karakter heeft van een alternatief voor het gehele thans voorgestelde aanpassingsmechanisme, en het derhalve onjuist zou zijn bepaalde elementen daaruit te isoleren en in het door ons voorgestelde mechanisme te incorporeren. In de tweede plaats is, zoals is aangegeven in de desbetreffende opmerkingen van de heren Bolhuis en Mensonidus in de Economisch Statistische Berichten van 8 augustus 1979 het systeem-Van den Doel zowel wat betreft de uitkomsten alsdetechnische uitwerking, niet zonder bezwaren. Wij menen in het kader van deze memorie met deze verwijzing te mogen volstaan.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. vragen zich af of het doen uitvoeren van niveauberekeningen door het CBS de onafhankelijkheid van dat instituut niet aantast. Zij vragen zich in dit verband vervolgens af of de grens tussen wetenschappelijke toepassing en politieke beslissingen niet wordt overschreden. Wij stellen met nadruk vast dat noch de onafhankelijkheid van het CBS wordt aangetast, noch de grens tussen wetenschappelijke toepassing en politieke beslissingen wordt overschreden. In de voorgestelde methodiek gebeurt het volgende. De Minister van Sociale Zaken verzoekt het CBS, dat de daarvoor noodzakelijke gegevens als onafhankelijk bureau heeft verzameld en berekend, op basis van die gegevens een tweetal niveauberekeningen te maken. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van dat verzoek en het gebruik van de berekeningen, die op basis van de hierboven bedoelde neutrale gegevens worden gemaakt, ligt uiteraard bij de Minister van Sociale Zaken. Met deze procedure wordt tussen de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en de wetenschappelijke verantwoordelijkheid van het CBS een strikte scheiding gehandhaafd, welke overeenkomt met de procedure welke al geruime tijd gangbaar is voor de berekeningen die in het kader van het trendbeleid onder verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken door het CBS worden gemaakt.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen waarom voor de toerekening van vloereffecten voor de bovenminima voor een bepaald loonniveau er juist het niveau van 15% boven het wettelijke minimumloon wordt gekozen. Het antwoord op deze vraag luidt als volgt: Het gemiddelde effect van vloeren in prijscompensaties wordt kleiner naarmate het wordt gerelateerd aan een hoger loon-en uitkeringsniveau. Voor een geheel exacte toerekening zou voor elk loon-of uitkeringsniveau een aparte berekening moeten worden gemaakt. Gezien de complicaties en het tijdbeslag die het uitvoeren van zodanige berekeningen met zich mee zou brengen, mede tegen de achtergrond van de tijd die beschikbaar is tussen het bekend worden van de door het CBS berekende index en het moment, waarop de uitvoerende organen de beschikking over de uitkomsten moeten hebben, is gekozen voor een systematiek waarin de berekening wordt uitgevoerd voor twee niveaus. Als niveaus zijn in de eerste plaats uiteraard het minimumloonniveau gekozen en in de tweede plaats een niveau 15% daarboven. De vloereffecten op de tussenliggende en hogere niveaus kunnen worden benaderd via interpolatie respectievelijk extrapolatie. De keuze voor het hoogste niveau hangt samen met de hoogte van de uit ca.o.'s overeengekomen vloeren. Op een niveau van 15% boven het minimumloon hebben nog voldoende vloeren een reëel effect op het gemiddelde vloereffect, dat daarvan een voldoende betrouwbare indicatie kan worden berekend.

De leden van de V.V.D.-fractie willen weten of in de toekomst ca.o.'s voor trendvolgers in de aanpassingen van minimumloon en sociale uitkeringen zullen worden meegenomen. Vervolgens vragen zij of, gezien het karakter ervan, deze ca.o.'s niet zouden moeten worden uitgesloten. Wij proeven uit de vraagstelling de vrees van deze leden, dat door het betrekken van deze ca.o.'s in het aanpassingsmechanisme cumulatieve effecten zouden kunnen optreden. Het aanpassingsmechanisme is gebaseerd op het gebruik van de door het CBS berekende regelingsloonindex. Voor zover in de voorzieningen die aan de index ten grondslag liggen ca.o.'s van trendvolgers zijn betrokken, worden derhalve ook in de toekomst mutaties in de loonschalen van deze ca.o's doorberekend in minimumloon en sociale uitkeringen. Naar onze mening levert toepassing van de index voor het aanpassingsmechanisme van minimumloon en sociale uitkeringen ten aanzien van dit aspect geen problemen van principiële aard op, aangezien hierdoor geen cumulatieve effecten ontstaan.

De leden van de fractie van de V.V.D. vragen waarom de verantwoordelijkheid voor de niveauberekeningen die door het CBS worden uitgevoerd niet mede ligt bij de Minister van Economische Zaken, onder wie het CBS ressorteert. Wij menen dat in dezen de verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken niet in het geding is. De berekeningen worden weliswaar uitgevoerd door het CBS, doch noch voor het verzoek van de Minister van Sociale Zaken naar aanleiding waarvan de berekeningen zullen worden gemaakt, noch voor de toepassing van de uitkomsten van de berekening draagt het CBS de verantwoordelijkheid.

§ I. 3. De aanpassing van de premieplichtige inkomens De leden van de fractie van de V.V.D. waren van mening dat er sprake is van een inconsequente handelwijze bij de aanpassing van de premie-inkomensgrenzen. Voor de premie-inkomensgrenzen van de volksverzekeringen en de toelatingsgrens voor de ziektekostenverzekeringen wordt de geschoonde doch niet naar niveau toegerekende index voorgesteld terwijl voor het maximum premieplichtige dagloon van de werknemersverzekeringen de geschoonde en tevens naar niveau toegerekende index wordt aanbevolen. Naar onze mening is hier geen sprake van een inconsequente benadering. Immers in alle gevallen wordt uitgegaan van de geschoonde index.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

In principe lag het in de bedoeling ook in alle gevallen niet naar niveau toe te rekenen. Louter door de omstandigheid dat bij de werknemersverzekeringen een koppeling bestaat tussen het maximum premieplichtige dagloon en het maximumuitkeringsdagloon is hier gekozen voor een naar niveau toegerekende index. Wij hebben het onjuist geacht om bij gelegenheid van deze wetgeving deze koppeling te doorbreken. Zonder een nadere studie van het equivalentiebeginsel, welke in het kader van een onderzoek naar de heffingsgrondslagen van de sociale verzekeringen door een interdepartementale werkgroep wordt uitgevoerd, lijkt een plotselinge doorbreking van een jarenlange praktijk niet gewenst. Voorts vroegen deze leden waarom in 1979 de effecten van de bouw-en uitzendc.a.o. niet geëlimineerd zijn. Wij wijzen erop dat dit alleen niet het geval is geweest voor de volksverzekeringen, de toelatingsgrens en het maximumpremiedagloon ZFW. In de memorie van toelichting is dit gemotiveerd met de mogelijke effecten op de premiepercentages, welke weleens relatief ongunstig zouden kunnen zijn voor de lagere inkomens. Zoals gesteld, deze effecten worden nader bestudeerd door de hiervoor genoem-de werkgroep. In dit verband vroegen de leden van de fractie van de P.v.d.A. naar de effecten van de bouw-en uitzendc.a.o. op de premieplichtige inkomens en de toelatingsgrens. Bij het elimineren van deze effecten zou het premieplichtig in-komen voor de volksverzekeringen in 1980 ca. 400 min. lager zijn hetgeen zou leiden tot een premiederving van ca. 80 min. Het premieplichtig inkomen voor de ZFW zou ca. 900 min. lager zijn en een premieverlies van ca. 70 min. met zich brengen. Tevens echter zouden de kosten van deze verzekering dalen met ca. 20 min. als gevolg van een verminderd aantal verzekerden.

§ 1.4. De aanpassing van de rijksbijdragen in de sociale fondsen De leden van de C.P.N.-fractie vroegen naar de effecten van de schoning van de regelingsloonindex op de rijksbijdrage in de sociale fondsen. Op basis van de ervaringscijfers over de periode 1974-1977 kan worden gesteld dat voor de rijksbijdragen een schoning als voorgesteld in het wetsontwerp een verlagend effect van gemiddeld ongeveer 1% per jaar zou hebben gehad. Daarbij is desgevraagd vermeld, dat de al dan niet volgens wettelijke bepalingen verschuldigde en te indexeren rijksbijdragen worden gegeven aan de navolgende fondsen.

Fonds

Bijdrage 1979

A Wettelijke bijdragen Algemeen Ouderdomsfonds 967 Fonds Bejaardenverzekering 101 Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten

1344

  • B. 
    Bijdragen ingevolge begrotingswet Kinderbijslagfonds voor loontrekkenden 600 Algemeen Kinderbijslagfonds 1385 Arbeidsongeschiktheidsfonds 916 Algemene Kas van de verplichte ziekenfondsverzekering

242

Het is thans niet mogelijk aan te geven welke de budgettaire consequenties in de toekomst zullen zijn, omdat geen ramingen met betrekking tot de te verwachten schoning beschikbaar zijn.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

§ 1.5. Bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels van het gebruikelijke aanpassingsmechanisme Ten aanzien van het al dan niet opnemen in de verschillende wetten van de bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels van het gebruikelijke aanpassingsmechanisme zijn door een drietal fracties opmerkingen gemaakt, te weten de fracties van de P.v.d.A., de V.V.D. en de S.G.P. Vraagpunt is of het al dan niet aanvaardbaar is, dat de werking van de wettelijk vastgelegde automatische halfjaarlijkse aanpassingen door middel van een algemene maatregel van bestuur kan worden doorbroken. Zoals uit de memorie van toelichting blijkt zijn wij mede naar aanleiding van het uitgebrachte SER-advies van mening dat het creëren van een zodanige bevoegdheid op dit moment en als een afzonderlijk te hanteren instrument een te ver gaande delegatie zou inhouden. Uit het bovenstaande blijkt, dat in de vraagstelling aan de SER het voor het doorbreken van de regels van het aanpassingsmechanisme te hanteren in-strumentarium centraal stond en niet de vraag in welke uitzonderlijke situaties doorbreking van de regels van het aanpassingsmechanisme te rechtvaardigen is. Dit houdt in, dat de vraag van de leden van de P.v.d.A. of uit de mededeling, dat thans niet wordt overgegaan tot het creëren van een bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties de werking van de aanpassingsmechanismen in negatieve zin te doorbreken, mag worden afgeleid, dat de Regering zolang niet een ander SER-advies is uitgebracht zal afzien van het in negatieve zin doorbreken van het aanpassingsmechanisme als zich een uitzonderlijke situatie voordoet, negatief beantwoord moet worden. De vraag van deze leden of die mededeling ook inhoudt, dat wordt afgezien van de bevoegdheid die in de verschillende afzonderlijke wetten zoals AOW, WAO etc. wordt geboden om in uitzonderlijke situaties de werking van het aanpassingsmechanisme in negatieve zin te doorbreken, beantwoorden wij als volgt. Ten aanzien van het sociaal minimum heeft de Regering zich op het standpunt gesteld, dat er een stringente nettonettokoppeling in de wet diende te worden vastgelegd. Dit uitgangspunt bracht met zich dat de bijzondere bevoegdheden om van de koppeling af te wijken welke voorheen onder meer in artikel 9, derde lid van de AOW en artikel 11, derde en vijfde lid van de AAW waren opgenomen, door de invoering van de stringente nettonettokoppeling dienden te vervallen. De voorgestelde wetswijziging voorziet daar dan ook in. Tevens regelt de voorgestelde wetswijziging het laten vervallen van de bevoegdheid om bij een afwijkende netto-ontwikkeling van de bovenminima in de WAO (zie het huidige artikel 15, derde lid, van die wet), en enige andere wetten de normale indexverhoging geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te laten. Wel is echter gehandhaafd de bevoegdheid om, indien daartoe bijzondere aanleiding bestaat, de daglonen of grondslagen van de bovenminimale uitkeringen tussentijds (dat wil zeggen tussen twee indexwijzigingen in) te herzien. (Zie onder meer het nieuw voorgestelde vierde lid van artikel 15 WAO.) Een dergelijke bevoegdheid kan niet worden gemist, omdat op grond daarvan onder meer voorindexeringen, zoals onlangs per 1 oktober 1979, kunnen plaatsvinden. Overigens heeft een herziening van de daglonen op grond van deze bevoegdheid slechts een tijdelijke werking, nl. tot de eerstvolgende herziening in verband met de wijziging van de index. De bevoegdheid die de betreffen-de bepalingen geven kunnen daardoor zeker niet worden gehanteerd om de doorwerking van c.a.o.-effecten in de index te mitigeren of te elimineren. Het zal duidelijk zijn, dat evenmin uit bovengenoemde mededeling als zodanig mag worden opgemaakt, dat indien zich in de bouwc.a.o. een soortgelijke ontwikkeling voordoet als zich in 1978 voordeed niet tot het doorbreken van de aanpassingsmechanismen besloten zal worden. Verwezen moge overigens worden naar hetgeen hierover in de memorie van antwoord in hoofdstuk III over dit onderwerp wordt opgemerkt.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr.7

Ten aanzien van de opmerking die de leden van de V.V.D.-fractie in dit verband hebben gemaakt over de toeslagverwerkingen wordt verwezen naar hetgeen over toeslagverwerkingen in het algemeen is gesteld in hoofdstuk I van deze memorie en naar hetgeen over de bouwtoeslagverwerkingen in het bijzonder wordt opgemerkt in hoofdstuk III. In de toelichting staat duidelijk aangegeven, dat naar onze mening een neerwaartse afwijking in uitzonderingssituaties noodzakelijk kan blijken. Een zodanige neerwaartse afwijking mag echter, evenals in het huidige systeem, om eerder genoemde redenen slechts plaatsvinden bij wet. Dat laatste nu vormt de kern van ons voorstel op dit onderdeel. Uit de toelichting blijkt verder, dat ons afwijzend oordeel over de aanvaardbaarheid van het in het leven roepen van een bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur te kunnen afwijken zich met name richt op het geïsoleerd inbouwen en hanteren van een dergelijke bevoegdheid. Wij sluiten echter niet op voorhand uit, dat wanneer een zodanige bevoegdheid een onderdeel zou vormen van een veel uitgebreider instrumentarium, gericht op het realiseren van een samenhangend geheel van maatregelen, dat er in zijn totaliteit op gericht is een uitzonderlijke situatie het hoofd te bieden, de bezwaren wellicht vervallen. Het is om die reden, dat wij overwegen deze kwestie alsnog aan de SER voor te leggen in het kader van de adviesaanvrage over de Raamwet op de inkomensvorming. In deze adviesaanvrage staat immers het vraagstuk van de coördinatie van en samenhang binnen het sociaal-economische beleid centraal. De constatering vaTi de leden van de fractie van de V.V.D. dat de SER over het al dan niet inbouwen van de hierbedoelde bevoegdheid reeds op 5 oktober jl. advies heeft uitgebracht is uiteraard op zich zelf juist. In dat advies is de kwestie echter betrekkelijk geïsoleerd bezien. Om eerder genoemde redenen menen wij dat het wenselijk kan zijn, dat dit vraagstuk wordt meegenomen in het veel ruimere kader van de adviesaanvrage over de Raamwet op de inkomensvorming. Hiermede is tevens de vraag van de leden van de S.G.P.-fractie beantwoord over de nadere overwegingen, waarmee dit vraagstuk aan de SER zal worden overgelegd.

§ I. 6. De na-ijlingsproblematiek Wij stemmen van harte in met de opvatting van de leden van de P.v.d.A.-fractie, dat bij de keuze van een indexeringssystematiek mede moet worden gelet op de na-ijlingsproblemen. Vervolgens spreken zij zich uit voor een koppeling van de index van verdiende lonen. Zij laten zich daarbij leiden door de overweging dat na-ijling kan worden voorkomen door het beschikbaar komen van deze index minder ver te laten achterlopen bij het beschikbaar komen van de index van regelingslonen. Nog afgezien van het feit, dat ook met een verkleining van de na-ijling van de index van de verdiende lonen nog een vertragend effect blijft bestaan, mogen wij wat betreft de vraag in hoeverre er mogelijkheden aanwezig zijn om het beschikbaar komen van de index der verdiende lonen te versnellen, verwijzen naar de in deze memorie opgenomen passage, waarin de verschillen tussen de indexen van verdiende lonen en van regelingslonen expliciet aan de orde zijn gesteld. Ook voor de beantwoording van een vraag van de leden van de S.G.P.-fractie in deze richting zouden wij naar de bedoelde passage willen verwijzen. Vervolgens wijzen de leden van de fractie van de P.v.d.A. op de mogelijkheid van voorindexering ten einde het na-ijlingseffect te verminderen. Wij overwegen dat een voorindexering, zeker indien men de geraamde ontwikkeling zo nauwkeuring mogelijk wil benaderen, het gevaar van een selffulfilling prophecy in zich bergt. Wij zien nog geen oplossing voor de vraag hoe zulk een effect onder alle omstandigheden zou kunnen worden voorkomen. In tegenstelling tot deze leden komen wij tot de conclusie, dat tegen de achtergrond van de na-ijlingsproblematiek een keuze voor indexering aan de verdiende lonen niet de juiste zou zijn. Evenals de bedoelde le-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

den echter geven wij de na-ijlingsproblematiek een groot gewicht. Het is om deze reden dat wij ons voorstellen deze complexe kwestie nog eens in studie te nemen. Wij hebben er kennis van genomen dat ook de leden van de fractie van de V.V.D. het wenselijk vinden deze kwestie grondig te bezien. In antwoord op de vraag van de leden van de S.G.P.-fractie waarom het systeem van de automatische halfjaarlijkse aanpassingen methodisch vanuit de na-ijlingsproblematiek verre de voorkeur verdient, het volgende. Wij menen dat het antwoord hierin besloten ligt dat het alternatief van automatische aanpassingen is een systematiek van bijzondere verhogingen. Daar de realisatie van een dergelijke verhoging, waaraan het inwinnen van een advies bij de SER vooraf zou moeten gaan, aanzienlijk tijdrovender is dan een eenmaal vastliggend automatisch aanpassingssysteem, kan naar ons inzicht worden gesteld dat het laatste systeem verre de voorkeur verdient.

HOOFDSTUK II. MINIMUM VAKANTIEBIJSLAG § II. 2. Bijstelling van het wettelijke minimumpercentage onder gelijktijdige correctie van het minimumloonniveau en het niveau van de uitkeringen De leden van de fractie van de P.v.d.A. menen een discrepantie te zien tussen de tekst in de memorie van toelichting enerzijds, waarin wordt gesproken over een gelijktijdige correctie van de verhoging van de minimumvakantiebijslag van 7% tot 8% in het minimumloonniveau en een verschuiving van de maandelijkse uitkering van de bovenminima in de WAO naar de vakantiebijslag ter grootte van 1 %, en anderzijds de tekst van de artikelsgewijze toelichting onder hoofdstuk I, artikel III, waarin wordt gesproken van een niveaucorrectie van het minimumloon met 1 %, welke gelijktijdig met de verhoging van de minimumvakantiebijslag met 1% per 1 januari 1980 dient te worden aangebracht. Wij menen dat tussen de aangehaalde teksten geen discrepantie bestaat. In beide gevallen wordt gedoeld op een zodanige verrekening van de verhoogde minimumvakantiebijslag in de niveaus van minimumloon en maandelijkse uitkeringen, dat het jaartotaal van de gecorrigeerde loonbedragen respectievelijk uitkeringen, vermeerderd met de verhoogde minimumvakantiebijslag, gelijk is aan het jaartotaal van de niet-gecorrigeerde loonbedragen respectievelijk uitkeringen, indien de minimumvakantiebijslag niet zou worden verhoogd. De leden van deze fractie vragen vervolgens of de Regering zich realiseert, dat de verrekening van 1 % in het minimumloonniveau reeds per 1 januari ingaat, terwijl de verhoogde vakantiebijslag pas een paar maanden later wordt uitbetaald. Hierdoor, zo menen zij, verliezen de uitkeringstrekkers meer dan zij via de verhoogde vakantiebijslag terugkrijgen. Uiteraard hebben wij ons gerealiseerd, dat het tijdstip van de correcties op het minimumloonniveau en de minimumvakantiebijslag niet in de tijd samenvallen. Wij tekenen bij de gestelde vraag echter aan, dat de berekeningen voor koopkrachtmutaties op transactiebasis worden verricht. Daarbij wordt geabstraheerd van het tijdstip waarop de betalingen van de diverse in-komensbestanddelen worden gerealiseerd. Wij zien geen aanleiding om van deze steeds consistent aangehouden gedragslijn af te wijken. De leden van de P.v.d.A.-fractie zouden graag inzicht willen hebben in de aantallen werknemers die in het bedrijfsleven een vakantietoeslag hebben die lager is dan 8% en met name hoeveel nog 7% hebben. Blijkens de thans ter beschikking staande gegevens zijn dit jaar bij het Loonbureau geen ca.o.'s geregistreerd met een lagere vakantiebijslag dan 8%. Over de situatie in de sfeer van individuele arbeidsovereenkomsten ontbreken gegevens. De leden van de P.v.d.A.-fractie merken op, dat de Regering middelen ter beschikking heeft ter compensatie van ongewenste effecten. Zij vragen vervolgens hoeveel van deze middelen er eigenlijk nog zijn.

Tweede Kamer,zitting 1979-1980,15900, nr.7

Ten behoeve van maatregelen in de sfeer van de koopkracht is in de sociale fondsen en op de rijksbegroting voor de sociale uitkeringen 0,5% gereserveerd. Hiervan zal slechts een bescheiden deel worden aangewend ten behoeve van de toeslagen. Hierop wordt teruggekomen in hoofdstuk IV, par. 8. Naar ons oordeel bestaat er in de sfeer van de minimumvakantiebijslag geen aanleiding een beroep op deze middelen te doen.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. wijzen erop, dat in de voorgestelde mutaties in bepaalde gevallen, namelijk bij actiefwerkenden met een mini-mumloon en in de praktijk met een vakantiebijslag van reeds 8%, een en andertot een inkomensachteruitgang kan leiden. Wij menen, dat wij in de memorie van toelichting reeds duidelijk hebben uiteengezet, dat in gevallen als waarop deze leden doelen, sprake is van een dubbeltelling. Immers de verhogingen van de vakantiebijslagen in ca.o.'s hebben via het aanpassingsmechanisme reeds hun invloed op het mini-mumloonniveau gehad, terwijl de betrokken groep van loontrekkenden daarnaast uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst nog een verhoogde vakantiebijslag ontvingen. Ten einde een dubbeltelling in het wettelijk gegarandeerde minimumloon en de minimumvakantiebijslag te zamen te vermijden, is de voorgestelde verrekening naar onze mening de juiste weg. Wij bestrijden de opvatting, dat de verrekening leidt tot een inkomensachteruitgang, aangezien de verhoging van de minimumvakantiebijslag van 7% tot 8% wordt verrekend met een gedeelte van de verhoging van het minimumloonniveau per 1 j-anuari 1980. Wij zien ten slotte in dit verband niet in hoe kan worden gesproken van een ingrijpen in verworven rechten, zoals de genoemde leden stellen. De leden van deze fractie stelden verder dat de verrekening van de verhoging van de minimumvakantiebijslag staat of valt met het al dan niet bestaan van een achterstand, zoals deze naar het oordeel van twee grote minderheden in het SER-advies van 16 juni 1978 zou bestaan. Deze leden vragen in dit verband naar het standpunt van de Regering over deze kwestie, waarbij het hen niet gaat om eventuele budgettaire overwegingen. Wij merken op, dat de door deze leden bedoelde berekeningen zijn gemaakt binnen het kader van de vraagstelling of naar de mening van de SER omstandigheden aanwezig waren, die een bijzondere verhoging van het minimumloon wenselijk maakten. Naar het oordeel van de Regering was, nog afgezien van de uitkomsten van de in dit verband gemaakte berekeningen, een bijzondere verhoging niet wenselijk. Wij menen, dat ook thans een bijzondere verhoging, of een qua effect daarmee gelijk te stellen verhoging van de minimumvakantiebijslag van 7 naar 8% zonder verrekening daarvan in het niveau van het minimumloon en daarmee indirect in de sociale minima of de maandelijkse uitkeringen van de bovenminima in de WAO, ongewenst is. Dit zou alleen al uit oogpunt van systematiek bezwaarlijk zijn, gezien de daardoor gehandhaafde respectievelijk ontstaande dubbeltellingen, maar dient ook om budgettaire redenen te worden voorkomen. Overigens willen wij niet nalaten op te merken, dat niet twee grote minderheden van de SER, zoals deze leden menen, doch slechts één minderheid, bestaande uit 10 leden, in de SER uitsluitend op een achterstandsberekening heeft gewezen. Deze minderheid signaleerde een achterstand van 1,6% opgrond van een verschil in ontwikkeling tussen verdiende lonen en regelingslonen enerzijds en nivelleringstendenties anderzijds over de periode december 1974 tot 31 december 1977. Een tweede minderheid, bestaande uit 13 leden, constateerde weliswaar enerzijds over deze periode een achterstand van het minimumloon uit hoofde van nivelleringstendentiester grootte van 1,1% a 2,3% (afhankelijk van de berekeningsgrondslag), maar wees anderzijds op een voorsprong van het minimumloon op grond van het verschil in verdiende lonen en regelingslonen over de periode oktober 1973 t/m oktober 1976. Deze tweede minderheid constateerde, dat beide berekeningen te zamen geen reden gaven tot een bijzondere verhoging van het minimumloon.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Deze leden vragen vervolgens naar de uitleg van het teruggrijpen op blz. 17 van de memorie van toelichting op het standpunt van de voorganger van deze Regering. Wij menen dat wat betreft de beantwoording van deze vraag kan worden volstaan met een verwijzing naar het bovenstaande. Ook de huidige omstandigheden laten een extra stijging in de sfeer van het minimumloon en daarmee corresponderende stijgingen bij de sociale uitkeringen niet toe. Wij zien voorts niet in hoe dit strijdig zou zijn met de grondgedachte van een welvaartsvaste koppeling. Een van de voorwaarden immers, die aan het aanpassingsmechanisme worden gesteld, is het voorkomen van dubbeltellingen. De leden van P.v.d.A.-fractie vragen hoe groot de door de regering ongewenste repercussies zijn van een niet gelijktijdige correctie van minimumloon en sociale minima. Naar onze mening ligt het antwoord op deze vraag besloten in de memorie van toelichting. Gesteld is dat naast het niet direct kwantificeerbare werkgelegenheidseffect van het achterwege laten van de bedoelde correctie, op jaarbasis een extra beslag van f 260 min. zou worden gelegd op de collectieve middelen. Wij antwoorden bevestigend op de vraag van de leden van de C.D.A.-fractie of de verhoging van de minimumvakantiebijslag van 7% tot 8% is gebaseerd op een reeds wijd verbreide praktijk. Hun vraag hoeveel minimumloontrekkenden in de praktijk reeds uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst een vakantiebijslag van 8% ontvangen, kan niet worden beantwoord. Het is niet bekend hoeveel minimumloontrekkenden onder de bepalingen van elke individuele ca.o. vallen. Voor de beantwoording van de vraag of de voorgestelde verrekening in de praktijk niet een feitelijke ondercompensatie met zich mee zal brengen, zij verwezen naar de beantwoording van de vragen van de leden van de P.v.d.A.-fractie over dit onderwerp.

De vraag van de leden van de fractie van de P.P.R. of zij goed hebben begrepen, dat, indien de verrekening niet wettelijk zou worden vastgesteld, een nieuwe onevenwichtigheid zou ontstaan, kan bevestigend worden beantwoord. De leden van de fractie van C.P.N, vragen zich af of met het oog op de actuele situatie in het bedrijfsleven de minimumvakantiebijslag niet op een hoger percentage zou moeten worden vastgesteld.

Wij verschillen hierover van mening met deze leden. Indien de minimumvakantiebijslag zou worden vastgesteld op het in het bedrijfsleven geldende gemiddelde percentage, zou dit een vliegwieleffect bewerkstelligen. Aangezien het hier gaat om een bodemvoorziening moet naar onze mening aansluiting worden gezocht bij een in het bedrijfsleven op grote schaal gehanteerde ondergrens. Deze bedraag 8%. Vervolgens vragen deze leden een op de realiteit berustend cijfervoorbeeld om aan te tonen hoe de dubbeltelling ontstaat, indien het minimumloonniveau niet wordt gecorrigeerd. Deze vraag kan naar ons inzicht als volgt worden beantwoord. Sinds de verhoging van de minimumvakantiebijslag tot 7%, is in de ca.o.'s die bepalend zijn voor de regelingsloonindex, het vakantiebijslagpercentage algemeen tot 8 gestegen. Deze stijging heeft via de regelingsloonindex een evenredige verhoging van het minimumloonniveau bewerkstelligd. Indien nu naast deze verhoging van het minimumloon ook een verhoging van het minimumvakantiebijslagpercentage tot 8 zou worden doorgevoerd, wordt te zelfdertijd een dubbeltelling geïntroduceerd. Voor zover voor een minimumloontrekkende in de praktijk op grond van zijn arbeidsovereenkomst reeds een vakantiebijslag van 8% bestaat, is deze dubbeltelling in de praktijk reeds aanwezig.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

§ 11.3. De aanpassingssystematiek voor de minimumvakantiebijslag De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen, waarom bij de aanpassing van de minimumvakantiebijslag niet de ontwikkeling van de gemiddelde vakantiebijslag in het bedrijfsleven zou moeten worden gevolgd. Naar onze opvatting dienen in de aanpassingssystematiek van minimumloon en minimumvakantiebijslag cumulatieve effecten te worden vermeden. Bij een koppeling van de aanpassing van de minimumvakantiebijslag aan de ontwikkeling van de gemiddelde vakantiebijslag in het bedrijfsleven zullen cumulatieve effecten in de vorm van een zelfopstuwende werking zich al snel voordoen. Bij het volgen van de in het bedrijfsleven op grote schaal gehanteerde ondergrens is dit risico nihil. De leden van deze fractie vragen wat moet worden verstaan onder het volgen van een op grote schaal gehanteerde ondergrens, en wanneer een verhoging van de minimumvakantiebijslag naar het oordeel van de Regering gerechtvaardigd is. Zij vragen verder op hoeveel ca.o.'s een gerechtvaardig-de verhoging betrekking zou moeten hebben. Naar onze opvatting kunnen deze vragen niet in algemene zin worden beantwoord. Wij menen dat het criterium van «een op grote schaal gehanteer-de ondergrens» de SER voldoende houvast kan bieden om tot een nadere oordeelvorming te komen naar aanleiding van een adviesaanvrage inzake een verhoging van de minimumvakantiebijslag. Gezien het feit dat de keuze voor het instrument van een bijzondere verhoging mede is voortgekomen uit de overweging om de sociale partners in de gelegenheid te stellen om in een advies van de SER van hun gevoelens te doen blijken, lijkt het ons niet juist een strikte omschrijving van het genoemde criterium te geven. Deze leden staan op het standpunt dat een indexering voor de hand ligt. Ook de gedachten van de leden van de fracties van D'66 en D.S.'70 gaan in deze richting. Daar het gevaar van een zelfopstuwende werking bij een indexering aan de gemiddelde ontwikkeling van de vakantiebijslag in het bedrijfsleven verre van denkbeeldig is, achten wij zulk een systeem ongewenst. Wij staan een systematiek voor, waarin de minimumvakantiebijslag de ontwikkeling van een op grote schaal gehanteerde ondergrens in het bedrijfsleven kan volgen. Ook hierbij achten wij een automatische aanpassing onjuist, daar hier een subjectieve waardering van de ontwikkeling aan de onderkant in de sfeer van de vakantiebijslag in het geding is, die zich bezwaarlijk in een systematiek van automatische aanpassingen laat regelen. Een praktisch bezwaar is, dat geen apart indexcijfer van het verloop van de vakantiebijslagen in het bedrijfsleven voorhanden is. Wij handhaven derhalve ons standpunt dat de aanpassing van de minimumvakantiebijslag dient te geschieden met het instrument van een bijzondere verhoging. In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie benadrukken wij dan ook, dat wij niet bereid zijn een indexering van de minimumvakantiebijslag in de wet op te nemen. Antwoordend op de desbetreffende opmerkingen van de leden van de fracties van D'66 en D.S.'70, bevestigen wij, dat de door ons voorgestane systematiek het nadeel heeft dat de minimumvakantiebijslag enige tijd na-ijlt bij de voor die systematiek relevante ontwikkeling in het bedrijfsleven. Wij zijn echter van mening dat de hieraan klevende bezwaren niet opwegen tegen die, welke aan indexering zijn verbonden.

De ledenvan de fractie van de P.v.d.A. vragen zich in dit verband ten slotte af, welke garantie uitkeringsgerechtigden eigenlijk van de Regering kunnen verwachten, dat zij na een positief SER-advies van een meerderheid de verhoging daadwerkelijk ontvangen. Wij onderkennen het feit dat geen waterdichte garantie kan worden gegeven. Wij tekenen hierbij echter aan, dat, hoewel hetzelfde instrument wordt gebruikt als bij bijzondere verhogingen van het minimumloon, een verhoging van de minimumvakantiebijslag, samenhangend met de in het bedrijfs-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

leven ten aanzien van de vakantiebijslag getroffen regelingen, toch van een andere orde is dan bijzondere verhogingen van het minimumloon naast de automatische aanpassingen. Bovendien zal bij een beoordeling van een verhoging van de minimumvakantiebijslag naar onze opvatting steeds ter overweging dienen te staan, dat al te grote schoksgewijze verhogingen, zo enigszins mogelijk, dienen te worden voorkomen.

§ II. 4. Een wettelijke vloer?

Op de desbetreffende vragen van de leden van de fractie van de P.v.d.A. vermelden wij, dat momenteel de vloeren in de vakantiebijslagen in de bedrijfstakc.a.o.'s gemiddeld ca. f 1930 op jaarbasis bedragen. In de ca.o.'s die geen vloer kennen, bedraagt de vakantietoeslag over het algemeen 8%. De vloeren hebben zich sinds 1974 globaal als volgt ontwikkeld:

1975:

ca.

f 21501-97 6:

in dit jaar zijn i.v.m. de loonmaatregel geen c.a.o.'s ingediend 1977:

ca.

f 1675 1978:

ca.

f 1765 1979:

ca.

f 1930

Het aantal werknemers op wie de vloeren van toepassing waren, bleef gedurende deze periode vrijwel constant op iets beneden de 65% van de onder een bedrijfstakc.a.o. vallende werknemers. Deze leden vragen ook een berekening van de gemiddelde vloer, uitgedrukt in een percentage van het minimumloon, zonder dat rekening wordt gehouden met het deel van het bedrijfsleven dat geen vloer kent. Bovendien vragen deze leden wat nu de uitkomst van de in de memorie van toelichting genoemde 8,5% zou zijn. De uitkomst van deze berekeningen is resp. ruim 9% en ruim 8,5%. De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen vervolgens of kan worden bevestigd, dat, behalve voor actieve minimumloontrekkenden die recht hebben op vloeren, geen dubbeltelling heeft plaatsgevonden voor vloerverhogingen na 1974. Wij kunnen deze bevestiging inderdaad geven. Voor de beantwoording van de vraag van deze leden, hoeveel actieve minimumloontrekkenden reeds nu in de praktijk een vloer in de vakantiebijslag genieten, zijn geen gegevens beschikbaar. Hierbij aansluitend, antwoorden wij op een desbetreffende vraag van de leden van de fractie van het C.D.A., dat de in c.a.o.'s overeengekomen vloeren, of zij nu wel of niet betrekking hebben op mini-mumloontrekkenden geen effect hebben gehad op de regelingsloonindex en daarmee niet via het automatisch aanpassingsmechanisme op het mini-mumloon. Dit zal ook bij de in het wetsontwerp gekozen systematiek van automatische aanpassing niet het geval zijn. Wel is in de per 1 april 1974 doorgevoerde bijzondere verhoging van het minimumloon 0,5% verwerkt als eenmalige bijsturing voor het effect van invoering c.q. verhoging van vloeren in de vakantiebijslagen in c.a.o.'s. Dit percentage komt globaal overeen met de extra verhoging die invoering van een minimumvloer nu, indien deze niet gepaard zou gaan met een correctie op het minimumloonniveau, in de minimumloonsfeer zou bewerkstelligen. De leden van de fractie van de P.v.d.A. constateren, dat gezien de laatste zin in hoofdstuk II, paragraaf 4, van de memorie van toelichting de Regering niet bereid is alle consequenties van haar eigen wetsvoorstel voor haar rekening te nemen. Vervolgens vragen deze leden uitleg, wat nu voorop staat: het behalen van financieel resultaat of een consequente wetgeving. Wij zijn van oordeel, dat het niet inbouwen van een vloer in de minimunv vakantiebijslag een uiterst consequente gevolgtrekking is van het uitgangspunt, dat binnen de wettelijke systematiek van mutaties van mimimumloon en minimumvakantiebijslag geen dubbeltellingen dienen plaats te vinden.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

Invoering van zo'n vloer zonder een gelijktijdige en evenredige correctie in het minimumloonniveau, zou zowel met het oog op financiële consequenties als met het oog op een consequente systematiek onwenselijk zijn. Het is derhalve onjuist in dit verband het behalen van financieel resultaat en een consequente wetgeving als tegenpolen voor te stellen. Beide overwegingen leiden tot de conclusie dat moet worden afgezien van de invoering van een minimumvloer zonder verrekening in het minimumloonniveau.

De leden van de fractie van de S.G.P vragen wat precies de overwegingen ervoor zijn geweest, dat de grootst mogelijke minderheid in de SER invoering van een wettelijke minimumvloer niet gewenst achtte. Dit deel van de raad achtte invoering van een minimumvloer niet gewenst met het oog op de daaruit voortvloeiende kostenstijging in een aantal zwakkere sectoren van het bedrijfsleven. Bovendien overwoog dit deel van de raad, dat ook het rijksbudget en de sociale fondsen een aanzienlijke lastenverzwaring zouden ondergaan. Verder wees dit deel van de raad op de dubbeltelling die door de invoering van een minimumvloer zou ontstaan. Daarnaast bracht dit deel van de raad meer algemene bezwaren naar voren tegen doorwerking van vloeren via automatische aanpassingen in het minimumloon. In de eerste plaats overwoog men dat de betekenis van een vloer afhankelijk is van de hoogte van het loonpeil en de spreiding van de lonen in een bedrijfstak. In de tweede plaats stelde men dat vloeren vaak worden overeengekomen ten einde de afstand tussen minimumloon en de daarboven gelegen loonschalen te handhaven. De leden van deze fractie vragen verder welk bedrag met het inbouwen van een minimumvloer zou zijn gemoeid. Wij verwachten bij de beantwoording van deze vraag te kunnen volstaan met de opmerking dat het inbouwen van een minimumvloer nu het effect heeft van een verhoging van 0,5% van het minimumloon.

De leden van de fractie van de P.P.R. vragen of door het niet invoeren van een wettelijke minimumvloer geen nieuwe achterstand ontstaat voor het minimumloon en de sociale uitkeringen. Wij wijzen erop dat geen achterstand wordt geïntroduceerd, aangezien in de per 1 april 1974 doorgevoerde bijzondere verhoging van het minimumloon reeds een component was opgenomen ter grootte van 0,5% in verband met de invoering c.q. verhoging van vloeren in de bij ca.o. geregelde vakantiebijslagen.

HOOFDSTUK III. DEFINITIEVE ELIMINERING VAN DE EFFECTEN VAN DE BOUWTOESLAGVERWERKINGEN VAN 1 JULI EN 31 DECEMBER 1978 EN VAN DE CAO. VOOR UITZENDKRACHTEN IN DE KANTOOR EN ADMINI-STRATIEVE SECTOR VOOR HET CONTRACTJAAR 1978

Door de fracties zijn ten aanzien van het voorstel om de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen van 1 juli en 31 december 1978 en van de ca.o. voor uitzendkrachten in de kantoor-en administratieve sector voor het contractjaar 1978 velerlei opmerkingen van uiteenlopende aard gemaakt. Het lijkt voor een zo duidelijk mogelijke beantwoording goed nog eens uiteen te zetten, welke overwegingen tot dit voorstel hebben geleid. Zoals uit de memorie van toelichting blijkt ligt aan het voorstel tot definitieve eliminering van zowel de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen als van de uitzendca.o. de overweging ten grondslag dat het beleid, gericht op beheersing van de ontwikkeling van de collectieve lastendruk en daarme-de op het terugdringen van de inflatie en de werkloosheid in een onaanvaardbare mate zou worden doorkruist. Doorwerking zou betekenen, dat hetzij het financieringstekort zou moeten worden vergroot, hetzij extra ombuigingen zouden moeten plaatsvinden, hetzij de lastendruk zou moeten worden verzwaard. Elk van deze alternatieven levert strijdigheid op met de Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

hoofddoelstelling van het sociaal-economische en financiële beleid, te weten het terugdringen van de werkloosheid. Bovendien zou doorwerking leiden tot een ernstige doorkruising van de door ons beoogde parallelliteit in inkomensontwikkeling voor de onderscheiden inkomenscategorieën. Het zijn deze overwegingen die ons geleid hebben tot het oordeel dat doorwerking van deze effecten voorkomen moest worden en dat de werking van de aanpassingsmechanismen derhalve incidenteel doorbroken diende te worden. Wij willen er in dit verband op wijzen, dat een kleine meerderheid van de SER het argument van de financiële consequenties voor rijksbegroting en sociale fondsen onderschrijft. Dat dit deel overigens de door haar aangevoerde inhoudelijke argumenten van doorslaggevende betekenis acht, is in dit opzicht verder niet relevant.

Wat de omvang van de budgettaire consequenties betreft, spreken de leden van de P.v.d.A.-fractie hun verbijstering uit over het feit dat de Regering nog cijfers presenteert, waarbij geen rekening is gehouden met de totaal andere uitkomsten die ontstaan indien niet wordt uitgegaan van de veertig ca.o.'s, waarop het trendbeleid is gebaseerd maar op de 200 ca.o.'s waarover in het georganiseerd overleg inmiddels overeenstemming is bereikt. Over deze opmerking van deze leden zijn wij verbijsterd. Vergelijking van tabel III.1 met de tabel, opgenomen in bijlage I van de memorie van antwoord bij wetsontwerp 15597 laat immers duidelijk zien, dat zowel destijds als thans bij de vaststelling van de financiële consequenties van doorwerking in de sfeer van de ambtenarensalarissen is uitgegaan niet van de beperkte groep van circa 40 zogenaamde trendcontracten, maar van de inderdaad aanzienlijk grotere groep contracten waarvan voor de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen wordt uitgegaan. Een en ander staat met even zoveel woorden in eerder genoemde bijlage I vermeld. Dat sterk overdreven cijfers worden gepresenteerd ten einde de onmogelijkheid van doorwerking aan te tonen, zoals de leden van de P.v.d.A. veronderstellen, is derhalve aantoonbaar onjuist. Het gaat inderdaad om budgettaire consequenties in de aangegeven orde van grootte. De Regering heeft er nimmer twijfel over laten bestaan, dat zij het doorbreken van de werking van de aanpassingsmechanismen een zeer ingrijpen-de maatregel vindt, waartoe niet dan alleen in uitzonderlijk moeilijke omstandigheden mag worden overgegaan en dat ook wanneer een uitzonderlijk moeilijke situatie een zodanige maatregel noodzakelijk maakt en rechtvaardigt, de maatregel op zich zelf een zeer pijnlijke blijft. In dit licht ervaart de Regering het als navrant dat het bij de bouwtoeslagverwerkingen gaat om toeslagen die reeds een groot aantal jaren geleden zijn ingevoerd en op ruime schaal zijn toegepast. Evenzeer ervaart de Regering het als navrant, dat juist in deze tijd in de uitzendca.o. een uitzonderlijk hoge schaalloonverhoging wordt overeengekomen, waarvan ten aanzien van het kostenaspect volgens partijen zelf vanwege de omstandigheid, dat de directe beloningen van uitzendkrachten de beloningen volgen van vergelijkbaar personeel in dienst van de inleners, niet gesproken kan worden van een (zelfstandig) loonkostenstijgingseffect van deze ca.o. en dat deze schaalloonverhoging uitsluitend als gevolg van de gehanteerde wegingsmethodiek extra zwaar doorwerkt in de te indexeren inkomens. Het gaat hier, het moge na het voorgaande duidelijk zijn, om aanvullende overwegingen die het incidenteel doorbreken van de werking van de aanpassingsmechanismen iets minder pijnlijk doen zijn. Het spreekt vanzelf dat ons standpunt dat toeslagverwerkingen via het aanpassingsmechanisme dienen door te werken in minimum en sociale uitkeringen hierdoor niet wordt aangetast. In hoofdstuk I van deze memorie zijn wij hierop reeds nader ingegaan. Evenmin betekent dit dat wij van mening zouden zijn, dat binnen de aapassingssystematiek de uitzendca.o. voortaan naar zijn feitelijk gewicht zou moeten meewegen, laat staan dat wij van mening zouden zijn, dat het CBS daartoe zou moeten overgaan binnen de systematiek van de regelingsloonindex. Wij komen hierop later in deze paragraaf nog terug.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Ons voorstel beoogt te komen tot een definitieve eliminering van de hierbedoelde effecten. Het gaat derhalve om een incidentele doorbreking van de aanpassingsmechanismen met als doel het creëren van een permanent effect op het niveau van minimumloon en sociale uitkeringen.

De leden van de P.P.R.-fractie vragen in dit verband of de Regering verwacht, dat de huidige sociaal-economische en financiële situatie eveneens een permanent karakter zal hebben en hoe in dat verband de zinsnede in de memorie van toelichting moet worden verstaan, dat het hier een uitzonderlijke maatregel met een incidenteel karakter betreft, noodzakelijk geworden in een algemene sociaal-economische en financiële situatie die eveneens als uitzonderlijk moet worden gekarakteriseerd. Het antwoord hierop luidt, dat er in die zin sprake is van een incidentele doorbreking van de werking van de aanpassingsmechanismen, dat eenmalig bepaalde incidentele concrete ca.o."Verbeteringen buiten de aanpassing worden gehouden en wel zodanig dat een permanent effect wordt gecreëerd. Reden ervoor vormt de uitzonderlijke algemene sociaal-economische en financiële situatie van dit moment. Om aan die situatie het hoofd te bieden, is een complex van beleidsmaatregelen ontwikkeld, neergelegd in de Nota Bestek '81. Materieel kan de eliminering als een onderdeel van dit complex worden beschouwd. Aan de eliminering is niet het karakter van een «te goed bon» gegeven, omdat hoogst onzeker is of binnen een redelijke termijn de algemene sociaal-economische en financiële situatie zich zodanig zal verbeteren, dat het te gelde maken van de «te goed bon» verantwoord is. Overigens wijzen wij er in dit verband op, dat het middel van de bijzondere verhogingen in ons voorstel gehandhaafd blijft. De mogelijkheid bestaat derhalve om dit element in de periodiek over de wenselijkheid van een bijzondere verhoging te voeren discussie in te brengen.

Inmiddels heeft de Ministervan Binnenlandse Zaken een overeenkomstig voorstel in het Centraal Georganiseerd Overleg voor Ambtenarenzaken aan de orde gesteld. De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen zich af hoe de mededeling van de Ministervan Binnenlandse Zaken dat het hier een bespreekbaar voorstel betreft zich verhoudt tot de stelligheid waarmee de Minister van Sociale Zaken stelt en voorrekent dat van doorwerking in het geheel geen sprake kan zijn. De Regering is van mening dat doorwerking moet worden voorkomen. Zij heeft daar nimmer onduidelijkheid over laten bestaan. Om die reden had de adviesaanvrage aan de SER inzake eliminering bij minimumloon en sociale uitkeringen een gericht karakter. Het verdeelde advies van de SER heeft geen aanleiding gegeven tot herziening van het standpunt van de Regering. Thans vindt de discussie met het parlement plaats aan de hand van een concreet wetsvoorstel. Met het georganiseerd overleg vindt eveneens discussie plaats op basis van een concreet voorstel. Zowel ten aanzien van de discussie met het parlement als ten aanzien van de discussie met het georganiseed overleg is uiteraard niet bij voorbaat uitgesloten, dat zij leidt tot wijziging. Wel is duidelijk, dat de marges bijzonder klein zijn. Daarover kan naar onze mening van de zijde van de Regering nimmer misverstanden zijn gewekt.

Het lid van de G.P.V-fractie ten slotte vraagt zich ten aanzien van het definitief elimineren van de hierbedoelde effecten af, of niet een gedeelte van de rechtszekerheid zoek raakt, wanneer van bestaande afspraken kan worden afgeweken op een moment dat dit de Regering goeddunkt of uit sociaal-economische overwegingen goed uitkomt. Wij willen nog eens herhalen dat wij er ons van bewust zijn, dat het doorbreken van de aanpassingsmechanismen een zeer zwaarwegende zaak is. Juist met het oog op die rechtszekerheid hebben wij afgezien van het aanvankelijk voornemen tot het inbouwen van de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur in neerwaartse zin van de regels van het aanpassingsmechanisme af te wijken, en hebben wij gekozen voor de zwaarst mogelijke procedure, te weten voor de wettelijke maatregel. Met de stelling van Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

dit lid dat veel beter met open vizier de ontwikkeling van de sociale uitkeringen op enkele procenten (bij voorbeeld 5) achterstand kan worden gesteld bij de ontwikkeling van de regelingslonen, terwijl dan wel alle toeslagen worden verwerkt, zijn wij het niet eens. Naar onze mening zou dit, gelet op het arbitraire karaktervan het te hanteren percentage, de rechtszekerheid nu juist geweld aandoen. Met het vorenstaande zijn reeds een aantal opmerkingen met een algemene strekking van een aantal fracties beantwoord. Hieronder wordt meerspecifiek ingegaan op de rondom de bouwtoeslagverwerkingen en de uitzendc.a.o. gemaakte opmerkingen.

Bouwtoeslagverwerkingen De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen de Regering een notitie te produceren met exact cijfermateriaal waaruit blijkt, wanneer de toeslagen die nu zijn verwerkt in functieionen, zijn ontstaan en welk deel ervan is of kan zijn verwerkt in de index. Bij de behandeling van de tijdelijke maatregelen voor 1 januari 1979 en 1 juli 1979 is deze kwestie meerdere malen ter sprake gekomen. Wij menen dan ook te mogen volstaan met de volgende opmerkingen. Per 1 juli 1978 is de toeslagondernemingsgewijze differentiatie verwerkt en daardoor in de regelingsloonindex terecht gekomen. Deze toeslag is ingevoerd in 1964 en reeds in de loop van de jaren zestig op ruime schaal toegepast. Dit laatste betekent dat de index van de verdiende lonen met name in de loop van de jaren zestig de invloed van deze toeslag heeft ondergaan. Relevant in deze is verder, dat voor zover het verschil in ontwikkeling tussen verdiende lonen en regelingslonen door middel van bijzondere verhogingen in het mini-mumloon is gecompenseerd, dit pas heeft plaatsgevonden vanaf 1969. Per 31 december 1978 is 5% prestatietoeslag verwerkt en daardoor in de regelingsloonindex terecht gekomen. Reeds in de jaren zestig gingen partijen uit van de aanwezigheid van een gemiddelde prestatietoeslag van 20%, destijds reeds tot uitdrukking komend in de index van de verdiende lonen. In 1974 is 10% verbindend voorgeschreven en daardoor in de regelingsloonindex terecht gekomen waarna in 1971 deze 10% in deschaallonen is verwerkt, hetgeen uiteraard geen invloed meer had op de regelingsloonindex. Ook hier dient bedacht te worden, dat voorzover het verschil in ontwikkeling tussen verdiende lonen en regelingslonen is gecompenseerd, dit heeft plaatsgevonden voor verschillen die zijn opgetreden vanaf 1969. Materieel kan deze verwerking alleen in die ondernemingen effect gehad hebben waar de prestatietoeslag onder de 5% lag. Naar onze mening is dit de relevante informatie, nodig voor een beoordeling van de problematiek voorzover het het minimumloon en de sociale uitkeringen betreft. Ten aanzien van de ambtenaren en de trendvolgers moeten nog de volgende aanvullende opmerkingen, eveneens naar aanleiding van vragen van leden van de P.v.d.A.-fractie, worden gemaakt. Ook bij normale toepassing van de trendmethodiek leidt de toeslagverwerking per 1 juli 1978, die betrekking had op de in 1964 ingevoerde toeslag ondernemingsgewijze differentiatie niet tot volledige doorwerking. Reden hiervan is, dat de ambtenarensalarissen in het midden van de jaren zestig juist vanwege de invoering van de genoemde toeslag enige, zij het niet volledige aanpassing hebben ondergaan. Voor alle duidelijkheid zij vermeld, dat ook met deze factor rekening is gehouden bij de vaststelling van de financiële consequenties van de doorwerking, (zie bijlage 1, memorie van antwoord, wetsontwerp 15597). Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd, dat de betreffende toeslagen dateren van voor de inwerkingtreding van de Wet minimumloon. Door een aantal fracties wordt hetzij impliciet (C.D.A.), hetzij expliciet (V.V.D., D'66) aan deze omstandigheid een reden ontleend om de eliminering ten aanzien van het minimumloon te rechtvaardigen waaraan wordt toegevoegd, dat dezelfde redenering geldt voor de individuele sociale uitkeringen, waarvan het merendeel een nog recentere ingangsdatum heeft dan het mi-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

nimumloon. De leden van de C.P.N.-fractie daarentegen vinden deze argumentatie onjuist. In de sfeer van de aanvullende aspecten, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, die aan de problematiek een enigszins navrant karakter geven, kunnen wij de benadering van de leden van de fracties van het C.D.A., de V.V.D. en D'66 wel onderschrijven. Het lijkt ons echter onjuist om hiervan een principieel uitgangspunt voor de aanpassingssystematiek te maken. Niet vast staat immers of en zo ja in welke mate elementen van de verdiende lonen in het eerste op de wet gebaseerde minimumloon zijn verdisconteerd. Vast staat wel dat bij de totstandkoming van de wet geen berekening heeft plaatsgevonden van het gewogen gemiddelde van de laagste verdiende lonen verspreid over de diverse bedrijfstakken. Uit hetgeen hierboven is meegedeeld over de compensatie voor het verschil in ontwikkeling tussen verdiende lonen en regelingslonen welke in het verleden ten aanzien van het minimumloon door middel van bijzondere verhogingen heeft plaatsgevonden, kan de conclusie worden getrokken dat de ingevoerde toeslagen niet reeds bij gelegenheid van de bijzondere verhogingen in het niveau van het minimumloon zijn verwerkt. Dit in reactie op een desbetreffende opmerking van de leden van de D'66-fractie. De leden van de fractie van de P.v.d.A. vragen een nadere uitleg van de laatste zin op blz. 21 van de memorie van toelichting «die doorwerking is immers in strijd met de algemene matigingsgedachte». Duidelijk is dat in de beperkte uitleg die deze leden aan het begrip «matigingsgedachte» geven, te weten «matiging van toekomstige looneisen» deze passage zonder zin zou zijn. In onze visie heeft dit begrip echter een bredere inhoud. Het gaat om een algemene inkomensmatiging in de jaren tot en met 1981 waartoe de Regering een samenstel van beleidsmaatregelen heeft ontworpen, gepaard gaande met een zo evenwichtig mogelijke inkomensontwikkeling. Vanuit die visie kan zeer wel geconcludeerd worden, dat de doorwerking in strijd zou komen met de algemene matigingsgedachte.

De leden van de V.V.D.-fractie vragen zich in dit verband af wat de Regering gaat doen als opnieuw bouwtoeslagen worden verwerkt, waarvan de doorwerking opnieuw tot strijdigheid met de algemene matigingsgedachte zou leiden. Wij zouden hierop als volgt willen reageren. Wij blijven, zoals in hoofdstuk I van deze memorie is uiteengezet, van mening dat toeslagverwerkingen in beginsel moeten doorwerken in minimumloon en sociale uitkeringen. Dit houdt in dat wanneer opnieuw in de toekomst bouwtoeslagverwerkingen zullen gaan plaatsvinden, waarover overigens geen zekerheid bestaat, in beginsel doorwerking dient plaats te vinden. Zou zulks in de zeer nabije toekomst, te weten in 1980 of in 1981 plaatsvinden, dan dient zorgvuldige afweging plaats te vinden. Van belang is of ook overigens van vergelijkbare omstandigheden kan worden gesproken. In dat verband merken wij bij voorbeeld op, dat ten aanzien van toekomstige bouwtoeslagverwerkingen niet vast staat dat zij zoals de bouwtoeslagverwerkingen die thans in het geding zijn, nagenoeg geen materieel effect zullen hebben. Waarschijnlijk is dat zij zeker ten dele materiële betekenis voor de inkomensontwikkeling in de bouwsector zullen hebben. Vanuit die doelstelling van een evenwichtige inkomensontwikkeling is dit uiteraard een niet onbelangrijk gegeven. Met het bovenstaande is tevens de vraag van de leden van de S.G.P.-fractie naar de mogelijkheid van nieuwe toeslagverwerkingen met ongewenste repercussies beantwoord.

Uitzendc.a.o.

Evenals in het SER-advies lopen in het voorlopige verslag de meningen ten aanzien van het geheel, gedeeltelijk of niet elimineren sterk uiteen. Door veel fracties wordt gewezen op de omstandigheid dat aan deze ca.o. binnen de systematiek van de regelingsloonindex een aanmerkelijk hoger gewicht is toegekend, dan overeenkomt met de feitelijke door deze ca.o. bestreken loonsom. Voorop willen wij stellen, dat het CBS de instantie is die verant-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

woordelijk is voor de systematiek welke aan de vaststelling van de regelingsloonindex ten grondslag ligt. Als er reden zou zijn om voortaan bij de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen de uitzendc.a.o. naar zijn feitelijk gewicht mee te nemen -wij komen hierop zo dadelijk terug -dan zou de aanpassingssystematiek moeten worden gewijzigd. Die systematiek valt onder onze verantwoordelijkheid. Dit naar aanleiding van de vraag van de leden van de V.V.D.-fractie en van de fractie van de P.P.R. ervoor zorg te dragen, dat binnen de systematiek van de regelingslonen aan de uitzendc.a.o. geen groter gewicht wordt toegekend dan overeenkomt met de feitelijke loonsom.

De leden van de S.G.P.-fractie vragen waarom aan deze ca.o. binnen het kader van de regelingsloonsystematiek een aanmerkelijk hoger gewicht wordt toegekend dan overeenstemt met de feitelijke loonsom. Mede aan de hand van het antwoord op deze vraag kan beoordeeld worden of het ten aanzien van de aanpassingssystematiek gewenst is wijzigingen aan te brengen. De vaststelling van de index der regelingslonen vindt plaats op basis van loonsomweging, toegespitst op de zogenaamde SBI-groepen (SBI = Standaard Bedrijfsindeling). Het uitzendwezen behoort tot de bedrijfsklasse «zakelijke dienstverlening». Deze bestaat behalve uit het uitzendwezen onder meer uit het notariaat, veiligheidsdiensten, technische bureaus, reclamebureaus, persbureaus, accountancy e.d. In de door het CBS gehanteerde wegingsmethodiek dient de loonsom van elke SBI-klasse volledig mee te wegen in het totaal. Daartoe wordt de betekenis van de beschikbare ca.o.'s binnen een SBI-klasse met een zodanige factor vermenigvuldigd, dat het gewicht van die klasse in het totale systeem wordt bereikt. Het gevolg hiervan is in samenhang met het feit dat in deze bedrijfsklasse weinig andere ca.o.'s beschikbaar zijn, het in de memorie van toelichting weergegeven feit, dat aan deze ca.o. een aanmerkelijk zwaarder gewicht wordt toegekend dan met de feitelijke loonsom, behorend bij deze ca.o., overeenstemt. Het gaat hier om een van de algemene uitgangspunten welke ten grondslag liggen aan de door het CBS gehanteerde methode van vaststelling van de regelingsloonindex, welke uitvoerig is uiteengezet in de CBS-publikatie «lndexcijfersvan regelingslonen, methodebeschrijvingen reeksen 1926-1974». Het in het kader van de aanpassingsssystematiek gaan tornen aan het gewicht van de uitzendc.a.o. betekent dat getornd wordt aan dit algemene uitgangspunt. Het zou immers een onjuiste handelwijze zijn alleen en geïsoleerd ten aanzien van de uitzendc.a.o. een wijziging in de wegingssystematiek aan te brengen. Wij menen dit te moeten afwijzen. De aan de regelingsloonindex ten grondslag liggende wegingssystematiek zoals hierboven beschreven komt ons ook ten behoeve van het aanpassingsmechanisme als zeer valabel voor. Dat de uitzendc.a.o. 1978 specifieke problemen met zich mee heeft gebracht mag geen reden zijn tot diskwalificatie van de aan de wegingssystematiek ten grondslag liggende uitgangspunten van weging naar bedrijfsklassen. Aan de leden van de fractie van de P.P.R. kan in dit verband worden meegedeeld, dat door het CBS regelmatig herijking van de systematiek plaatsvindt. Het ligt in het voornemen binnenkort tot een dergelijke herijking over te gaan. Daarbij wordt gedacht aan het jaar 1980 als nieuwe basis voor de in-dex van de regelingslonen. (De huidige basis is 1972.) Het zal na het bovenstaande duidelijk zijn, waarom voor ons in het kader van de voorgestelde eliminering van het effect van de uitzendc.a.o. 1978 het feit van de uitzonderlijk hoge loonstijging in deze ca.o. in samenhang met de bijzondere situatie in de betrokken bedrijfsklasse en dat weer in een bijzonder moeilijke economische periode een belangrijke overweging vormt. Hiermede zijn de desbetreffende opmerkingen van de leden van de fracties van het C.D.A., de V.V.D. en de P.P.R. beantwoord. In antwoord op een desbetreffende vraag van de C.D.A.-fractie delen wij mede, dat wanneer de uitzendc.a.o. voor zijn feitelijk gewicht zou doorwerken, de bedragen die in tabel III, ten aanzien van de financiële consequenties Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

van de doorwerking van de uitzendc.a.o. zijn opgenomen, met de factor 5/6 kunnen worden verlaagd. Voor de rijksbegroting worden de bedragen voor 1979 en 1980 dan respectievelijk 100 en 65 min. (in plaats van 615 en 400 min.) en voorde sociale fondsen 40 en 45 min. (in plaats van 225 en 275 min.). Door de leden van de P.v.d.A.-fractie is gevraagd of, en door de leden van de fractie van D'66 is opgemerkt dat in de periode 1972-1978 dit relatief hoge gewicht een matigende invloed op de hoogte van de index van de regelingslonen heeft uitgeoefend. In dit verband moet worden opgemerkt, dat de ontwikkeling van de regelingslonen in de uitzendc.a.o. is achtergebleven bij de ontwikkeling van die in de ca.o.'s voor het bank-en verzekeringswezen. Dit is echter op zich zelf niet relevant. Van betekenis is dat de uitzendc.a.o. niet bij de ontwikkeling van de index van de regelingslonen is achtergebleven. Op laatstgenoemde index heeft de uitzendc.a.o. derhalve geen matigende invloed gehad. Overigens wijzen wij er op, dat weliswaar de uitzendc.a.o. in 1972 in de index der regelingslonen is opgenomen, maar dat deze index op basis 1972 = 100 eerst in 1976 is vastgesteld.

De ledenvan de fractie van D'66 ten slotte zeggen akkoord te kunnen gaan met ons voorstel om de effecten van de wijziging van de uitzendc.a.o. volledig buiten beschouwing te laten op grond van het feit, dat er sprake was van een aanpassing aan de feitelijk verdiende lonen, die reeds een doorwerking gehad hebben in het minimumloon door middel van de bijzondere verhogingen. Wij hebben twijfel aan de juistheid van deze argumentatie. Wij wezen er reeds op dat de uitzendc.a.o. eerst vanaf 1976 mede bepalend isgeweest voor de ontwikkeling van minimumloon en sociale uitkeringen. In de tweede plaats is slechts het verschil in ontwikkeling tussen verdiende lonen en regelingslonen gecompenseerd over de periode 1969 tot en met oktober 1973.

HOOFDSTUK IV. NETTO-AANPASSINGSMECHANISME

§ IV.1 Inleiding

Met voldoening heeft het kabinet geconstateerd dat de fracties van het C.D.A., de V.V.D., D.S.'70, G.P.V. en S.G.P. zich in grote lijnen konden verenigen met de strekking van dit onderdeel van het wetsontwerp. Met instemming hebben de leden van deze fracties opgemerkt dat de sociale minimumuitkeringen op netto basisvoor 100% gekoppeld blijven aan het mini-mumloon. De leden van de V.V.D.-fractie maakten in dit verband terecht melding van de inmetseling van «de laatste ontbrekende steen in het nettonettokoppelingsbouwwerk», via het overbruggen van de bestaande afstand tussen minimumloon enerzijds en de uitkeringen krachtens de AOW en AAW anderzijds. De leden van het C.D.A. gaven te kennen dat «het garanderen van een gelijkwaardige bestedingsruimte op minimumniveau voor actieven en inactieven een uiting is van solidariteit, die men -het zij gezegd -buiten onze grenzen niet of nagenoeg niet aantreft» Het kabinet kan zich met deze opvattingen geheel verenigen. Op onderdelen van de nettonettokoppeling waarover een aantal leden vragen heeft gesteld, zal in de volgende paragrafen worden ingegaan. Ook de essentie van de regeringsvoorstellen inzake het aanpassingssysteem voor de uitkeringen boven het minimum, wordt door de hiervoor genoemde fracties ondersteund, zij het dat een aantal kritische vragen is gesteld en alternatieve oplossingen zijn aangedragen. Instemming werd betuigd met de principiële keuze voor handhaving van de welvaartsvaste aanpassing van de bruto uitkeringen. Met uitzondering van het lid van de G.P.V.-fractie konden deze fracties zich in het algemeen verenigen met het vragen van een vereveningsbijdrage ten einde de toegenomen premielast Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

evenwichtiger te verdelen over actieven en niet-actieven. De leden van het C.D.A. maar ook anderen plaatsen een vraagteken bij de door de Regering gekozen uitwerking voor «oude» en «nieuwe» gevallen. Verderop in deze memorie zal hierop en op de door de C.D.A.-fractie voorgestelde alternatieve oplossingen, uitvoerig worden ingegaan. Op deze plaats zij nadrukkelijk gesteld dat het onderscheid tussen oude en nieuwe gevallen van tijdelijke aard is, namelijk gedurende een overgangsperiode ter handhaving van de koopkracht tot een zeker niveau. Het structurele uitkeringsniveau is voor alle gevallen gelijk, zodat geen sprake is van ongelijkheid voor de wet. Ten opzichte van de in Bestek ' 81 ontvouwde voornemens hebben de leden van de C.D.A.-fractie met waardering een duidelijke accentverlegging waargenomen van lastentoedeling van lagere naar hogere inkomens. Daarbij vroegen deze leden zich af of niet gestreefd zou moeten worden naar een systeem waarbij op het laagste niveau een 100% nettonettokoppeling bestaat met het laagste loon, terwijl de hoogste uitkeringen op netto basis 80% van het voormalig nettoloon uitmaken. Zoals nog nader zal worden toegelicht, leiden de regeringsvoorstellen ertoe dat de verhouding tussen nettoloon en netto-uitkering bij de WAO teruggebracht zal worden van ca. 90% nu tot ca. 85% in de eindsituatie. Voor de WWV bedragen deze percentages respectievelijk ca. 81,5 en 80. Deze resultaten worden bereikt bij vasthouding aan de bruto-uitkeringspercentages van 80% voor de WAO en 75% voor de WWV. Het handhaven van deze bruto uitkeringspercentages is voor het kabinet uitgangspunt geweest, evenals de voortzetting van de welvaartsvaste aanpassing. Ter effectuering van een meer evenwichtige verdeling van de premielast over actieven en niet-actieven, is voorgesteld om ook niet-actieven materieel volledig in de premieheffing te betrekken. Binnen het kader van het thans voorliggende wetsontwerp ligt het niet in de rede een verder terugdringen van het netto-uitkeringspercentage van de WAO na te streven. De door de Regering zorgvuldig gekozen weg van correcties voor systeemfouten en onderevenwichtigheden zou dan worden verlaten. Hiermede is tevens een vraag van het lid van de G.P.V.-fractie beantwoord.

Vele fracties hebben gewezen op de handhaving van de koopkracht van de uitkeringen in 1980 tot aan het modale niveau. De leden van de fracties van het C.D.A., de P.v.d.A., D'66, S.G.P. en D.S/70 vroegen zich af of ook niet voor de jaren na 1980 een koopkrachtgarantie ware te geven, terwijl de leden van de V.V.D. als uitgangspunt kozen dat «de koopkracht voor in ieder geval de laagste uitkeringen gegarandeerd wordt zolang het niveau van de economische groei dat op enigerlei wijze toelaat». Wij verwijzen naar paragraaf IV.8 van de memorie van toelichting, alwaar gesteld is dat de regering ernaar streeft «om de uitvoering van de maatregelen zodanig gefaseerd te doen plaatsvinden dat de koopkracht van de laagste uitkeringen, en zo mogelijk nog hoger, blijft gehandhaafd. Bovendien geldt deze koopkrachtdoelstelling voor actieven en niet-actieven tot hetzelfde niveau». Zoals gesteld in de memorie van toelichting, acht het kabinet het onmogelijk om voor een langere periode het niveau van de koopkracht aan te geven. Gezien de onzekere economische vooruitzichten kan zelfs niet voor 1981 met enige mate van nauwkeurigheid de koopkrachtontwikkeling voor actieven worden geschat. De garantie voor de koopkrachtontwikkeling van uitkeringsgerechtigden is echter gekoppeld aan de ontwikkeling van de koopkracht van actieven, zodat naar de mening van het kabinet gesproken kan worden van een meerjarige relatieve koopkrachtgarantie. Het kabinet zal zich daarbij bijzonder inspannen om in ieder geval de laagste inkomens en uitkeringen hun koopkracht te doen behouden. Zij acht het niet mogelijk om met enige mate van zekerheid aan te geven beneden welk groeitempo van de economie zulks niet meer te verdedigen valt, zoals de leden van de V.V.D.-fractie vroegen. Het spreekt vanzelf, dit in antwoord op een desbetreffende opmerking van leden van de fractie van de P.v.d.A., dat tijdens de overgangsfase de net-to-inkomens van actieven iets meer zullen toenemen dan die van vergelijk-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

bare niet-actieven. Dat is immers inherent aan het doorvoeren van correcties. Indien men, zoals ook het vorige kabinet overwoog, bepaalde elementen bij de nettonettokoppeling buiten beschouwing wil laten, dan betekent dit onvermijdelijk een tijdelijke onderbreking van de parallelliteit van de koopkrachtontwikkeling tussen actieven en niet-actieven. Het niveau van de koopkracht blijft echter ook in de overgangsfase van jaar op jaar gehandhaafd tot aan hetzelfde niveau als geldt voor actieven. Na de overgangsperiode, die voor de minimumuitkeringen naar verwachting één tot twee jaar duurt, is er weer sprake van een volledig parallelle ontwikkeling van de koopkracht van actieven en niet-actieven. Dat is ook rechtvaardig, omdat het door de niet-actieven verkregen voordeel dan is verevend. Ter afsluiting van deze inleiding hechten wij er aan uitvoerig in te gaan op de stelling van leden van de fracties van P.v.d.A. en P.P.R. dat de door de Regering voorgestelde maatregelen (ten dele) niet gepresenteerd zouden dienen te worden als correcties op systeemfouten, omdat zij ingegeven zouden zijn door budgettaire overwegingen. In Bestek '81 en in het onderhavige wetsontwerp is steeds betoogd dat het ging om het wegwerken van onevenwichtigheden en systeemfouten. Onevenwichtigheden in de onwikkeling van de uitkeringen boven het minimum ten opzichte van de lonen en in die tussen deze uitkeringen onderling. Systeemfouten bij het bepalen van de koppelingsbasis voor de sociale minimumuitkeringen, die eveneens leiden tot een onevenwichtige ontwikkeling tussen lonen en uitkeringen en tussen uitkeringen onderling. Wij herinneren er aan dat in de «Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid», het lid van de S.G.P.-fractie heeft hier ook op gewezen, deze termen reeds waren gebezigd. De wijze nu waarop wordt voorgesteld om bedoelde systeemfouten en onevenwichtigheden op te heffen, kan op zich zelf geen aanleiding zijn voor een verwijt dat budgettaire overwegingen hiertoe hebben geleid. Wij ontkennen niet dat, naast de zorg voor de werkgelegenheid en voor het behoud van ons sociale stelsel, budgettaire overwegingen mede een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van de ombuigingsdoelstelling van 10 mld. in 1981, zoals in Bestek ' 81 aangekondigd. Ook het vorige kabinet had een ombuigingsdoelstelling, die vervolgens voor twee derde in de sector van de overdrachtsuitgaven diende te worden gerealiseerd.

In de memorie van toelichting, ook de Sociaal-Economische Raad heeft dit gedaan, is uitvoerig ingegaan op de bestaande wettelijke mogelijkheden om een onevenwichtige ontwikkeling van de netto-uitkeringen in verhouding tot die van de nettolonen te corrigeren. Van deze mogelijkheid is vóór 1969 ook gebruikgemaakt. Na 1969 trad voor de minimumuitkeringen een nieuw richtinggevend beginsel naar voren: het streven naar gelijkheid op nettobasis tussen de laagste uitkeringen en het wettelijke minimumloon. Dat verklaart dat na 1969 geen correcties meer zijn aangebracht op de minimumuitkeringen. Bij het aantreden van het vorige kabinet in 1973 was de zogenaamde nettonettogelijkheid nagenoeg bereikt. Vanaf dat moment bleek de noodzaak, zoals ook de SER terecht opmerkt, om het niveau en de ontwikkeling van de koppelingsbasis in de wet vastte leggen. De wens hiertoe moge eveneens blijken uit een brief van de toenmalige Minister van Sociale Zaken aan de Tweede Kamer waarin deze aankondigt na te zullen gaan «of bepaalde elementen bij de vergelijking buiten beschouwing zouden moeten blijven». Welnu, de Regering heeft daartoe voorstellen gedaan welke steunen op wisselende meerderheden van de SER, en heeft daarmede uitvoering gegeven aan een reeds lang levende wens om de koppelingsbasis in de wet vastte leggen. Aangaande de uitkeringen boven het minimum, ook hier heeft de wetgever van de aanvang af de mogelijkheid geboden om op grond van de nettoverhoudingen ten opzichte van de ontwikkeling van overeenkomstige lonen correcties aan te brengen. Uit de memorie van toelichting op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (1967) kan worden afgeleid dat toentertijd de verwachting bestond dat de niet in te houden premies op de WAO-uit-' D.d. Sfebruari 1977; nr. 50808.

kering nauwelijks of geen stijging zouden ondergaan. Uit dien hoofde zou-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

den dus nauwelijks onevenwichtigheden te verwachten zijn tussen de ontwikkeling van de netto-WAO-uitkeringen in vergelijking tot die van de lonen. Deze verwachtingen hebben zich niet gerealiseerd, integendeel, de premie van met name de WAO is sindsdien sterk gestegen. Dat dit nimmer heeft geleid tot aanpassing van de uitkeringen in neerwaartse zin kan niet beschouwd worden als een impliciete goedkeuring van een scheefgroei. Veeleer is dit toe te schrijven aan een sluipende ontwikkeling die, in de roes van de snelle economische groei van de zestiger jaren, aanvankelijk niet of niet in voldoende mate werd onderkend. Eerst in het begin van de zeventiger jaren kwam dit probleem in de belangstelling en werd voor het eerst publiek gemaakt in de «Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid». De Regering heeft, gehoord de SER, voorstellen gedaan om ook voor de uitkeringen boven het minimum het voor de toekomst structureel wenselijk geachte uitkeringsniveau en de ontwikkeling daarvan, in de wet vast te leggen. Het leidinggevende beginsel daarbij is niet geweest, zoals leden van de P.v.d.A.-fractie suggereren, om zonder meer het netto-uitkeringspercentage van 1967 te herstellen, immers verderop zal blijken dat in de eindsituatie de netto-uitkeringspercentages hoger zijn dan in 1967. In overleg met het parlement en steunend op de grootste minderheid van de SER, is gekozen voor een geleidelijk herstel van de in het nadeel van de actieven gegroeide solidariteitsverhoudingen, door de toegenomen premielast meer evenwichtig te verdelen over werkenden en niet-werkenden. Ook na deze aanpassingen zijn de netto-uitkeringspercentages de hoogste van de wereld. Het kabinet is de overtuiging toegedaan dat ook zonder de noodzaak tot afremming van de collectieve sector, deze correcties gemotiveerd en onvermijdelijk zouden zijn. De bereidheid van werkenden om een deel van hun besteedbaar inkomen af te staan ten behoeve van (tijdelijk) niet-actieven mag niet al te zeer op de proef worden gesteld.

Het kabinet is van oordeel dat de in het wetsontwerp neergelegde voorstellen op evenwichtige wijze opnieuw gestalte geven aan de noodzakelijke «wederkerige solidariteit van werkenden en uitkeringsgerechtigden» zoals dat indertijd door de wetgever is verwoord. Zij wenst daarbij nadrukkelijk afstand te nemen van de opmerking van leden van de fractie van D'66 dat de voorstellen resulteren in een verlaging van de netto-uitkeringen. Er is uitsluitend sprake van een ingehouden groei waarbij tevens een relatieve koopkrachtgarantie is gegeven. Alvorens in te gaan op de specifieke vragen die zijn gesteld, hebben wij er behoefte aan nogmaals te onderstrepen de zorgvuldigheid die de Regering heeft betracht bij de voorbereiding en de totstandkoming van het wetsontwerp. Nadat medio 1978 in Bestek '81 de gedachten van het kabinet in grote lijnen zijn vastgelegd is er driemaal een uitvoerige gedachtenwisseling geweest met het parlement. Deze discussies zijn van invloed geweest op de aard van de SER-adviesaanvrage. De SER heeft uitvoerig en grondig geadviseerd en de Regering heeft zowel suggesties van werknemersals van werkgeverszijde overgenomen, dus niet alleen van werkgevers zoals de leden van de C.P.N.-fractie suggereerden. Het thans voorliggende ontwerp van wet is naar onze overtuiging het resultaat van een intensief maatschappelijk overleg, waarbij wij ons realiseren dat niet iedereen hiermede gelukkig zal zijn.

§ IV. 2. Historische ontwikkeling

Geen opmerkingen.

§ IV. 3. Enige algemene beschouwingen inzake Bestek '81 en het SER-advies van 5 oktober 1979

De leden van de V.V.D.-fractie vroegen of de op blz. 27 van de memorie van toelichting genoemde uitkeringspercentages in het buitenland betrekking hadden op nettoverhoudingen. Het antwoord hierop is bevestigend.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Deze verhoudingscijfers zijn ontleend aan een enquête van het Ministerie van Sociale Zaken (zie Sociale Meerjarenramingen; hoofdstuk XV, rijksbegroting; bijlage VII) welke zich uitsluitend gericht heeft op modale inkomens. Op ambtelijk niveau trachten vertegenwoordigers van het Ministerie van Sociale Zaken in EEG-verband te komen tot een verbetering van de vergelijkbaarheid van de sociale uitgaven van de lidstaten. Dit is een moeizaam proces, reden waarom bovenvermelde eenmalige enquête is gehouden. Bij voortduring zijn de inspanningen erop gericht om tot een verdieping en verbreding van de gegevensuitwisseling te komen. De indruk bestaat dat er de laatste tijd meer bereidheid wordt getoond om bedoelde uitwisseling tot stand te brengen. Gebleken is echter dat met name definitieverschillen alsmede verschillen in wensen de voortgang vertragen. De leden van de V.V.D. vroegen naar een uitbreiding van het op blz. 27 van de memorie van toelichting gegeven overzicht met de WAO-uitkering op het minimumniveau en met de verhoudingscijfers bij volledige doorvoering van de voorstellen. Ook de leden van de fractie van het C.D.A. hebben gevraagd naar de uiteindelijke resultaten van de voorgestelde systematiek. Deze gegevens zijn toegevoegd en samengevat in onderstaande tabel.

Netto-WAOuitkeringen uitgedrukt in een percentage van het nettoloon voor een aantal uitkeringsniveaus in 1967 en 1980

1-7-1967

1-1-1980

Ongewijzigd

Gewijzigd beleid

beleid

Minimumdagloon

86,2

100,0

98,0 Iets boven minimumdagloon

85,7

90,1

86,5 Modaal dagloon

85,2

90,5

86,3 Maximum dagloon

83,3

90.2

85,2

In verband met deze cijfers is door deze leden tevens gevraagd naar de aantallen gerechtigden op de verschillende niveaus. Daarbij zij allereerst opgemerkt, dat bovenstaande uitkeringen niet tevens een statistische klasse-indeling van het totaal van de uitkeringsgerechtigden geeft. Het zijn slechts representatief te achten meetpunten voor o.a. de ontwikkeling van de koopkracht. De statistische gegevens die sinds 1977 over de verdeling van de WAO-uitkeringen naar hoogte worden verzameld, geven thans nog niet voldoende houvast voor een bruikbare inkomensverdeling.

§ IV. 4. Uitgangspunten bij de wijziging van de aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen en voorzieningen De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden meerdere vragen met betrekking tot de koopkrachtgarantie voor actieven en niet-actieven. In de inleiding zijn wij hierop reeds in algemene zin ingegaan. Meer concreet zij gesteld dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen de koopkrachtgarantie voor actieven en die voor niet-actieven. Voor beide categorieën geldt de garantie tot aan hetzelfde inkomensniveau. Indien dus actieven een benedenwaartse ontwikkeling van de koopkracht ervaren, dan zal dat ook het geval zijn voor niet-actieven met hetzelfde inkomensniveau. In feite geschiedt dit ook reeds in 1980 bij de door de Regering voorgestelde fasering (zie tabel IV. 10). De door deze leden uitgesproken vrees dat in een dergelijke situatie zich de mogelijkheid voordoet om ineens de resterende toeslag af te bouwen, is van louter theoretische aard. Wij streven ernaar om, afhankelijk van de zich voordoende economische situatie, geleidelijk de afbouw van de toeslagen te doen plaatsvinden.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

§ IV. 5. Aanpassing minimumuitkeringen Met voldoening hebben wij geconstateerd dat de meeste fracties instemden met een rekenpremie ZW/Wg. van 1,8%, gewogen met de loonsommen van de desbetreffende ca.o.'s. De leden van de fractie van de V.V.D. alsook het lid van de fractie van het G.P.V. stelden een aantal vragen met betrekking tot de boven 8% liggende percentages van de vakantie-uitkering voor mini-mumloners in een aantal bedrijfstakken en de voor deze werknemers geldende premies voor Ziektewet" en Wachtgeldverzekering. Overzichten hier-van zijn opgenomen op blz. 48 tot en met 50 van het SER-advies. In dit verband zij het volgende opgemerkt. Indien de door deze minimumloners ontvangen vakantie-uitkering wordt vergeleken met de door hen extra te betalen premie boven 1,8% dan is, op basis van de cijfers voor 1978, uitsluitend in de metaalnijverheid sprake van een nadelig saldo van 0,15%. Het betreft hier ca. 2200(2%) van de bijna 11000 0 volwassen minimumloners met een volledige werkweek. Bij een calculatiepremie van 1,65% zou de vergelijking ook voor de bouwnijverheid (ca. 6500 minimumloners; ca. 6% van het totaal) per saldo negatief zijn. De verhoging van de vakantie-uitkering naar 8% leidt bij de voorgestelde rekenpremie van 1,8% dus geenszins tot een situatie waarin grote aantallen minimumloners in een ongunstiger positie verkeren dan de ontvangers van een minimumuitkering. Structureel zou een rekenpremie van 2,5% in plaats van 1,8% in de sfeer van de mini-mumuitkeringen ca. 200 min. en bij de bovenminima ca. 85 min. (basis 1980) aan extra ombuigingen opleveren. Voor de gefaseerde invoering zou dit betekenen, dat de overgangsfase wordt verlengd. De netto-uitkeringsbedragen inclusief de overgangstoeslagen per 1 januari 1980 blijven derhalve ongewijzigd. Door de leden van de fractie van de V.V.D. is in dit verband gevraagd naar een vergelijkend overzicht tussen een aantal netto-inkomens op het mini-mumniveau per 1 januari 1980. Deze gegevens zijn samengebracht in onderstaande tabel.

Netto-uitkering/loon per 1 januari 1980

Minimaongewijzigd beleid

1440-gewijzigd beleid

1412

Minimumloonmetaalindustrie

1419-grootwinkelbedrijf

1451-overheid

1594-trendvolgers gezondheidszorg

1435

Bij deze cijfers zij opgemerkt, dat de voorbeelden voor het bedrijfsleven betrekking hebben op sectoren waarin een voldoende grote groep mini-mumloners werkzaam is. Het bij de berekening van de koppelingsbasis voorgestelde fiscale regime is eveneens in ruime mate positief beoordeeld, zij het met een enkele kanttekening. De leden van het C.D.A. achtten het nuttig na te gaan of de fiscale draagkrachtgedachte voor de minimumuitkeringen tot enige eigensoortige behandeling zou dienen te leiden, en vroegen of het kabinet bereid is daarop later terug te komen. Het is ons niet duidelijk tot welke eigensoortige behandeling de draagkrachtgedachte zou moeten leiden met betrekking tot het regime voor aftrekbare kosten. Met betrekking tot de bejaarden-en de arbeidsongeschiktheidsaftrek heeft het kabinet echter uitdrukkelijk een nieuwe afweging van draagkrachtverschillen aangesneden. Overigens is er aan de kant van het kabinet steeds bereidheid tot gedachtenwisseling.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

De leden van de fracties van de P.v.d.A. en D'66 konden zich niet verenigen met de voorstellen inzake het fiscale regime voor de minimumuitkeringen. Hoewel de leden van de fractie van D'66 erkenden dat de regeringsvoorstellen leiden tot een consequente belastingsystematiek, waren zij, evenals de leden van de P.v.d.A.-fractie, gevoelig voor het minderheidsstandpunt van de SER dat ook niet-actieven verwervingskosten hebben. De leden van de P.v.d.A.-fractie meenden zelfs dat er sprake is van «koppeling op afstand». In de memorie van toelichting hebben wij dit reeds bestreden. Gegeven de koppelingsgrondslag worden de sociale minimumuitkeringen op nettobasis hieraan volledig gelijk gesteld. De kern van het meningsverschil met de hierbedoelde leden is gelegen in de berekening van de koppelingsgrondslag, waarover kennelijk verschillend wordt gedacht. De fiscus onderscheidt inkomsten uit tegenwoordige en die uit vroegere arbeid. Geheel consistent hiermede heeft de Regering voorgesteld om bij de berekening van de koppelingsbasis voor de WW-en ZW-uitkeringen het fiscale regime voor werkenden toe te passen, omdat deze uitkeringen beschouwd worden als inkomsten uit tegenwoordige arbeid. De overige minimumuitkeringen worden daarentegen gerekend tot inkomsten uit vroegere arbeid. Louter door de techniek van de koppeling worden ze thans behandeld als in-komsten uit tegenwoordige arbeid. Dat achten wij een systeemfout welke duidelijker in het licht springt wanneer bedacht wordt dat zonder correctie WAO-ers met een bruto-uitkering (even) boven het minimum een lager bedrag aan verwervingskosten zouden mogen aftrekken dan een WAO-er met een minimumuitkering. Wij zijn van mening dat zulks onaanvaardbaar is omdat hierdoor de inkomens rond het minimumniveau teveel in elkaar gedrukt zouden worden.

Terugkomend op de hiervoor vermelde opvatting van de leden van de fracties van P.v.d.A. en D'66 dat ook niet-actieven verwervingskosten hebben, achten wij het nuttig een nadere uiteenzetting te geven van de achtergrond en uitvoeringvan het fiscale regime ter zake. Wij achten dit te meer van belang om de indruk weg te nemen dat de Regering zich zou verschuilen achter het fiscale regime. Het huidige regime met betrekking tot aftrekbare kosten is erop gebaseerd dat de inkomsten uit arbeid in de meeste gevallen moeten worden verminderd met een forfaitaire kostenaftrek. Zou dit niet het geval zijn dan dient in alle gevallen een bedrag aan werkelijke kosten op de inkomsten uit arbeid in mindering te worden gebracht. Dit zou zowel voor de fiscus als voor de contribuabelen een zware administratieve last vormen. Ten einde deze last in de meeste gevallen te voorkomen dient het kostenforfait zo te worden vastgesteld dat het merendeel van de belastingplichtigen kan afzien van het geldend maken van een aftrek van werkelijke kosten. Aan dit criterium voldoen naar onze mening zowel de 4%-regeling voor actieven als de vaste aftrek van f 150 voor niet-actieven. In beide gevallen is er dus ook sprake van een voordelig verschil tussen het gemiddelde bedrag van de werkelijke kosten en het kostenforfait in de gevallen waarin het kostenforfait wordt toegepast. Wij menen dat dit voordelig verschil voor actieven niet noodzakelijkerwijs groter behoeft te zijn dan voor niet-actieven. Ten aanzien van de niet-actieven komt het gezien de aard van de inkomsten in zeer geringe mate voor dat kosten boven het vaste bedrag van f 150 kunnen worden aangetoond. De indruk bestaat dat overschrijding van de uitkomst van de 4%-regeling vaker voorkomt, doch vooralsnog evenmin behoeft te leiden tot aanpassing van deze regeling.

Door de leden van de fractie van de P.v.d.A. is gesteld, dat de afstand tussen nettominimumloon en nettominimumuitkering steeds groter zal worden als uitvloeisel van de fiscale behandeling. Dit nu is niet het geval zolang de forfaitaire aftrekbedragen en het tarief waartegen wordt «afgerekend» ongewijzigd blijven. Het is niet mogelijk aan te geven of en in welke omvang in de komende jaren hierin veranderingen zullen optreden. Ten einde toch een inzicht in de betekenis van veranderingen van deze factoren te geven volgen onderstaand enkele rekenvoorbeelden op basis van de situatie per 1 januari 1980:

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

Ongewijzigd

Gewijzigd

Verschil beleid

beleid

Huidige forfaits/tarief 2e schijf 26%'

1440, -

1411,70

28,30 Verhoging bruto minimum-Ioonmetf

1469,70

1442.-

27,70 Verhoging minimum reiskostenforfait naar f250

1441,50

1411,70

29,80 Verlaging tarief 2e schijf naar 25%

1440,20

1412,50

27,70

' Conform memorie van toelichting, tabel IV.4.

Bovenstaande uitkomsten zijn ongevoelig voor wijziging van het bruto niveau van de koppelingsgrondslag. Het geringere verschil bij verhoging van het minimumloon met f 50 is het gevolg van toepassing van de loonbelastingtabellen. Voorts moge uit het vierde voorbeeld blijken, dat ook mutaties in tegengestelde richting mogelijk zijn.

Door de leden van de fractie van de P.P.R. is de suggestie gedaan de 4%-regeling en het minimum van het reiskostenforfait van toepassing te doen zijn op alle niet-actieven waarvan terugkeer naar de arbeidsmarkt reëel mogelijk is. In dit verband zij erop gewezen dat de huidige fiscale wetgeving voorziet in de mogelijkheid, dat bij inkomsten uit vroegere arbeid er toch beduidende kosten zijn in verband met bij voorbeeld sollicitaties. In dat geval kunnen de hogere werkelijke kosten worden afgetrokken. Een verschillende fiscale behandeling binnen bij voorbeeld de categorie van de WAO-gerechtigden op grond van de al dan niet reële mogelijkheid van terugkeer naar de arbeidsmarkt zou slechts op geïndividualiseerde basis kunnen plaatsvinden, hetgeen naar ons voorkomt praktisch niet uitvoerbaar is. Omtrent de budgettaire consequenties van een dergelijke, naar onze opvatting niet noodzakelijke, wijziging van de bestaande regelingen zijn thans geen zinvolle berekeningen te maken.

Door de leden van de fractie van het C.D.A. is gevraagd naar een uitbreiding van tabel IV.5 voor een gezin met twee kinderen. Deze uitbreiding zou ertoe leiden, dat alle bedragen netto f 229 per maand hoger zouden uitvallen (op basis van bevriezing van de bijslag plus compensatie voor het eerste kind en prijsindexering van de bijslag voor het tweede kind). De absolute bedragen van het totale verschil door de voorgestelde wijziging van de koppelingsgrondslag en van het voorschot blijven onveranderd. De percentages zullen echter iets lager komen te liggen. De corresponderende netto-uitkomst voor het minimumloon bedraagt per januari f 1440,01 (conform tabel IV.1). Voorts hebben deze leden gevraagd om uitbreiding van tabel IV.6 voor de AWW-uitkeringen. Onderstaand volgt een overzicht van de netto-AWW-uitkeringen, die echter aansluiten bij de bestaande tabel IV.5:

Netto AWW-uitkering per 1 januari 1981

Ongewijzigd

Gewijzigd

Inclusief beleid

beleid

toeslag

Verplicht verzekerd -hoog pensioen

1360,70

1343.-

1348,70 -laag pensioen

947,90

937,50

941,60

Niet verplicht verzekerd -hoog pensioen

1418,20

1405,80

1399,80 -laag pensioen

987,30

981,40

977,10

' In de nettobedragen is geen rekening gehouden met de nog te betalen premie voor vrijwillige of particuliere verzekering, die voor wat betreft de hoge pensioenen ook afhangt van de gezinssamenstelling.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

De leden van de fractie van de S.G.P. hebben gevraagd naar hetgeen het verschil in uitkomsten zou zijn tussen het koppelingsbeleid en een beleid waarbij de minima niet samenhangen met het minimumloon. Op deze vraag is geen antwoord te geven anders dan dat het niveau van de minima zonder het koppelingsbeleid waarschijnlijk lager zou zijn geweest. De omvang van het eventuele verschil is niet aan te geven omdat immers slechts gespeculeerd kan worden over de uitkomsten bij een gedurende een reeks van jaren anders gevoerd beleid.

§ IV 6 De aanpassing van de uitkeringen boven het minimum Naast instemming hebben de voorstellen met betrekking tot de uitkeringen boven het minimum geleid tot kritische beschouwingen en alternatieve voorstellen, zowel van de zijde van de fractie van het C.D.A. als van de fracties van de P.v.d.A. en D'66. Wij zijn deze leden erkentelijk voor de constructieve wijze waarop zij getracht hebben oplossingen aan te dragen. Daaruit spreekt namelijk de erkenning dat er weliswaar onevenwichtigheden schuilen in het bestaande aanpassingsmechanisme, doch dat de oplossing daar-van in meerdere richtingen kan worden gezocht. In de aanleiding hebben wij nogmaals uiteengezet tegen welke achtergrond de Regering de hier aan de orde zijnde voorstellen heeft geplaatst. Kort gezegd komt het neer op het geleidelijk in de toekomst herstellen van scheefgegroeide solidariteitsverhoudingen tussen actieven en niet-actieven. Naar onze mening is er dan ook geen sprake van terugwerkende kracht. Uitkeringsgerechtigden die weer een actieve werkkring hebben gevonden worden niet aangesproken. Van de in de toekomst te ontvangen uitkeringsbedragen zal gefaseerd een stukje worden ingehouden ter verevening van de voorsprong die niet-actieven hebben opgebouwd in het nadeel van actieven. Het zal duidelijk zijn dat wij op die gronden geen reden zien om af te zien van de term «vereveningsbijdrage». In de paragraaf inzake de fasering komen wij hierop terug, mede in verband met de verschillende behandeling van «oude» en «nieuwe» gevallen.

De leden van de fracties van de P.v.d.A. en D'66 onderschreven het minderheidsstandpunt van de SER, waarin gekozen wordt voor correcties in verband met vanaf 1 januari 1979 optredende premiemutaties voor werknemers, die niet voor uitkeringsgerechtigden gelden. Wij zijn van oordeel dat het door deze leden gedane voorstel niet wel te verenigen valt met de door de Regering gekozen uitgangspunten. De scheefgegroeide solidariteitsverhoudingen worden aldus niet geredresseerd, zodat naar onze mening sprake blijft van een overtrokken solidariteit van actieven met niet-actieven.

De leden van de fractie van D'66 konden een extra premie-inhouding slechts dan in principe aanvaarden indien deze verband hield met de opbouw van een aanvullend pensioen naast de AOW. Wij wijzen erop dat voor het merendeel van degenen die arbeidsongeschikt worden thans reeds een premievrije opbouw van pensioenrechten plaatsvindt. Voor zover in bepaal-de gevallen nog van een lacune kan worden gesproken wordt deze bezien bij de voorbereiding van de nieuwe wettelijke pensioenplicht.

De leden van de C.D.A.-fractie vernamen graag de opvatting van het kabinet over de gedachte om de uitkeringsgerechtigden ingevolge de WWV ook formeel in de kring der verzekerden ingevolge de ZW op te nemen. Wij willen allereerst opmerken, dat de uitkering ingevolge de WWV thans bij ziekte wordt doorbetaald. Invoering van formele verzekering zou betekenen, dat zowel het werkgeversals het werknemersdeel van de premie moet worden afgedragen aan de bedrijfsvereniging. Bij ziekte dient ziekmelding plaats te vinden bij en uitkering te worden verleend door de bedrijfsvereniging. Voor de gemeentelijke uitkeringsadministraties betekent zulks vooral in verband met de vele kortlopende ziektegevallen een belangrijke verzwaring. Daar-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

naast zijn belangrijke wettelijke aanpassingen nodig bij voorbeeld in verband met de hoogte en de duur van de uitkeringen en in verband met de omstandigheid dat na een periode van zes weken volgens de thans geldende wettelijke bepalingen een geheel nieuw recht op uitkering krachtens de WWV ontstaat. Wij geven er de voorkeur aan af te wachten tot welke resultaten de studie naar de integratie van de werkloosheidsregelingen op dit punt komt. De leden van de P.P.R.-fractie meenden dat de verhouding premieplicht tot verzekeringsplicht bezien moet worden in het licht van het onderscheid tussen werknemers-en volksverzekeringen. Allereerst merken wij op dat de heffing van een vereveningsbijdrage uitsluitend zal plaatsvinden op uitkeringen boven het minimum krachtens werknemersverzekeringen. Gezien de hiervoor gegeven onderbouwing van de vereveningsbijdrage kunnen wij de zienswijze van deze leden niet delen: het gaat hier niet om verzekeringstechnische aangelegenheden doch om scheefgegroeide solidariteitsverhoudingen die in die toekomst geleidelijk worden verevend. In ditzelfde verband vroegen deze leden naar de voor-en nadelen van premiedan wel belastingfinanciering. Wij hebben herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat een interdepartementale werkgroep hierop studeert. Het betreft hier veelal dezelfde ambtenaren die ook het onderhavige wetsontwerp en andere maatregelen in het kader van Bestek ' 81 hebben voorbereid. Bovendien betreft het hier een uiterst ingewikkelde materie met internationale raakpunten. Wij vragen nogmaals geduld tot de studie en de daaruit door het kabinet te trekken conclusies zijn afgerond. In de inleiding hebben wij reeds betoogd dat het buiten het kader van dit wetsontwerp ligt om verlaging van het bruto-uitkeringspercentage te overwegen zoals het lid van de G.P.V.-fractie suggereerde. De door dit lid bedoel-de verlaging van het bruto-uitkeringspercentage zou afhankelijk van het uitkeringsniveau 4,8 tot 7,0 procentpunten moeten bedragen ter bereiking van hetzelfde effect.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. hebben gevraagd naar het bedrag van de bezuiniging op de rijksbegroting en de sociale fondsen indien uitsluitend toekomstige premiestijgingen aan uitkeringsgerechtigden boven het minimum in rekening zouden worden gebracht. Ook de leden van de fractie van D'66 hebben hierover een aantal opmerkingen gemaakt. Volgens een globale berekening zou het totaal van de ombuigingen in de sfeer van de bovenminima, inclusief de doorwerking van de ombuigingen uit 1979, in 1980 globaal 90 a 100 min. en in 1981 140 a 160 min. belopen tegenover resp. 195 min. en 395 min. bij aanvaarding van het regeringsvoorstel.

Bij de leden van de fractie van de C.P.N, is kennelijk een misverstand gerezen. De in het wetsontwerp gedane voorstellen houden niet in dat de uitkeringen over een jaar in plaats van over drie maanden worden vastgesteld. Van een negatieve invloed op de uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet is dan ook geen sprake.

§ IV.7 De bejaardenaftrek en de arbeidsongeschiktheidsaftrek Wij hebben goede nota genomen van de mededeling van de leden van de fractie van de P.v.d.A. dat zij in het eindverslag op wetsontwerp 15849 zijn in-gegaan op de bejaarden-en arbeidsongeschiktheidsaftrek. De leden van de fractie van het C.D.A. hebben, hoewel zij geenszins uitsluiten dat de studie inzake de bejaarden-en de arbeidsongeschiktheidsaftrek tot aanmerkelijke vermindering van het belang van beide aftrekken zal leiden, zich de vraag gesteld of het zinvol is nu reeds het interimregime voor 1981 vastte leggen. Wij merken op dat de voorgenomen verlaging van de bejaardenaftrek in 1981 en 1982 tot het niveau van de arbeidsongeschiktheidsaftrek thans nog niet tot wettelijke maatregelen behoeft te leiden. Het komt ons echter niet Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

juist voor, gezien de standpuntbepaling met betrekking tot de aftrekken waartoe de Regering is gekomen, indien het parlement in het onzekere zou worden gelaten omtrent de concrete voornemens van de Regering. Wij menen dat deze voornemens tot een zinvolle gedachtenwisseling kunnen leiden. De leden van de fractie van de V.V.D. vragen zich af of de bewindslieden met hun keur van argumenten niet in feite de geleidelijke, volledige afschaffing van beide aftrekken bepleiten. Zou, zo vragen zij voorts, over een langere periode gemeten daartoe moeten worden overgegaan? Wij merken op dat de Regering met betrekking tot de bejaarden-en arbeidsongeschiktheidsaftrek tot de conclusie is gekomen dat de beide aftrekken in hun huidige vorm geen bestaansrecht meer hebben. Een aantai bejaarden en arbeidsongeschikten heeft echter in verband met ziekte of gebreken te maken met ex-tra kosten voor hun huishoudelijke verzorging. Voor zover tegenover deze extra kosten geen onbelaste voorzieningen en geen aftrek wegens buitengewone lasten staan hebben zij in vergelijking met andere belastingplichtigen die overigens in gelijke financiële omstandigheden verkeren, een geringere draagkracht om belasting te betalen. Voor deze groep blijft er aanleiding bestaan om rekening te houden met deze verminderde draagkracht, zodat de aftrekken niet zonder meer kunnen worden afgeschaft. Deze leden vragen naar de inkomenseffecten van geleidelijke, volledige afschaffing van beide aftrekken op verschillende jaarinkomensniveaus boven het minimum en naar de netto-effecten per maand voor bejaarden met neveninkomsten als gevolg van verlaging van de bejaardenaftrek in twee stappen tot het niveau van de arbeidsongeschiktheidsaftrek. Met betrekking tot volledige afschaffing van beide aftrekken is thans nog niet goed aan te geven welke inkomenseffecten daaraan zijn verbonden. Inzicht in de uiteindelijk optredende in-komenseffecten en de budgettaire implicaties kan eerst worden verkregen op grond van te verrichten nader onderzoek naar modaliteiten bij de individualisering van de aftrekken. De netto-effecten per maand voor bejaarden met neveninkomsten als gevolg van de verlaging van de bejaardenaftrek tot het niveau van de arbeidsongeschiktheidsaftrek blijken uit het navolgende overzicht. Inkomenseffecten per maand in cijfers 1980 naar verlaging van de bejaardenaftrek voor gehuwden met f 876 en voor ongehuwden met f 614 in geval van neveninkomsten

Gehuwd

Ongehuwd

AOW + f 5 000

-f

7,-

-f 2,-AOW + M0 000

-f 12,50

-f 5,-AOW + M5 000

-f 12,50

-f 8,50 AOW+ (20000

-f 14,50

-f 8,50 Het lid van de fractie van DS'70 is het niet duidelijk welke concrete beleidsdoeleinden de Regering met de voorgestelde bevriezing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek en de voorgenomen verlaging van de bejaardenaftrek nastreeft. Wij menen dat in de toelichting op de nota van wijziging op wetsontwerp 15849 (nr. 6) alsmede in de memorie van toelichting opdit wetsontwerp de door dit lid gevraagde duidelijkheid is verschaft. Nadere concretisering is naar onze mening eerst mogelijk nadat het onderzoek inzake modaliteiten bij de individualisering van de aftrekken heeft plaatsgevonden. Dit lid verzoek de Regering de studie van het Ministerie van Financiën met betrekking tot de bejaardenaftrek te publiceren. Onder meer in de nota naar aanleiding van het eindverslag van wetsontwerp 15849 is opgemerkt dat de bestudering van de bejaarden-en arbeidsongeschiktheidsaftrek het karakter heeft van een ambtelijke studie. Wij menen dat deze studie niet veel meer duidelijkheid kan verschaffen dan in vorengenoemde stukken is verschaft, zodat publikatie ons niet zinvol voorkomt.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

§ IV.S. Fasering

Met de door de Regering voorgestelde fasering hebben de fracties zich in-dringend beziggehouden. Hierbij kwamen twee hoofdpunten aan de orde: het probleem van de «oude» en «nieuwe» gevallen en de koopkrachtgarantie. Over de koopkrachtgarantie is reeds uitvoerig gesproken in de inleiding en naar aanleiding van § IV.4.

Leden van de fracties van de P.v.d.A., D'66, G.P.V., P.P.R. en DS'70 vroegen zich af of de verschillende behandeling van de uitkeringen boven het minimum met een ingangsdatum vóór of na 1 januari 1980 wel aanvaardbaar was en, volgens een deel van de hierbedoelde leden, neerkomt op een ongelijke behandeling voor de wet. Wij zijn van oordeel dat hier sprake is van een misverstand. Het wetsontwerp bedoelt voor oude en nieuwe gevallen op gelijke wijze de structureel juiste berekeningsmethode voor de netto-uitkeringen boven het minimum in de wet vast te leggen. Toepassing daarvan zonder meer, leidt voor oude gevallen tot onaanvaardbare koopkrachtconsequenties op korte termijn. Om die te vermijden wordt aan hen een tijdelijke, geleidelijk af te bouwen toeslag toegekend. Er is dus sprake van een principieel gelijke behandeling van oude en nieuwe gevallen, en voorts van een toeslag die te sterke koopkrachtmutaties voor oude gevallen opvangt. De leden van de C.D.A.-fractie vonden het op het eerste gezicht redelijk om uitkeringsgerechtigden die van de ene regeling naar de andere overgaan tot de oude gevallen te rekenen. Het betreft hier de volgende geschatte overgangen:

  • van WW naar WWV b. van WW naar ZW c. van WWV naar WAO d. van ZW naar WAO

± 25000 personen + 2 000 personen in 1977 ± 2 500 personen in 1978 1 75 000 personen in 1978

In geval a treedt ook onder de huidige wet een terugval in inkomen op. Deze terugval wordt, rekening houdend met de reeds in 1979 bij wijze van voorschot toegepaste correcties, twintig tot dertig gulden groter. De overgang bedoeld in b resulteert niet in een inkomensterugval doch in een lichte stijging. In geval c treedt in het algemeen eveneens een stijging van het netto-inkomen op. Ten slotte is de overgang van ZW naar WAO (d) in feite de overgang van iemand met een looninkomen naar een overdrachtsinkomen. Volgens het Burgerlijk Wetboek behoudt iemand die ziek is zijn dienstverband en in de praktijk komt dit in het algemeen tot uiting in feitelijke doorbetaling van het loon, op grond van een desbetreffende bepaling in de ca.o. Wij zijn van oordeel dat de hier aangegeven overgangen geen aanleiding geven om in de desbetreffende gevallen een overgangsregeling te treffen.

De opvatting van de leden van de P.v.d.A. dat voor de vraag of men «oud» danwei «nieuw» geval is beslissend zou zijn de dag waarop het besluit omtrent het recht op uitkering aan de betrokkene wordt medegedeeld, is onjuist. De betreffende overgangsbepalingen gaan namelijk uit van de vraag of de uitkering is ingegaan vóór of na 1 januari 1980. Daarmee is dus beslissend de datum van ingang. De uitkeringen gaan over het algemeen in op de datum waarop het recht op uitkering ontstaat (vergelijk bij voorbeeld artikel 35, eerste lid, WAO) danwei op een datum die afhankelijk is van de dag van aanvraag (zie bij voorbeeld artikel 34, eerste lid, WUV). Dat de vaststelling van het recht op uitkering in sommige gevallen eerst na enige tijd mogelijk is heeft dan ook geen consequenties voor de betrokkenen. De uitkering gaat in zulke gevallen met terugwerkende kracht in vanaf de datum waarop het recht op uitkering bestaat of de datum die bepaald is door de aanvraag. Iemand, die begin december 1979 recht op uitkering krijgt, welke hem echter heeft derhalve wel recht op een uitkering met toeslag, conform de overgangsbepalingen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

Wij stellen vast dat de leden van het C.D.A. met de Regering van mening waren dat nieuwe gevallen een uitkering ontvangen op in het wetsontwerp «correct vastgesteld nieuw niveau». Deze leden hadden twee alternatieve suggesties voor de door de Regering voorgestelde overgangsregeling voor lopende uitkeringen. De eerste is om de bij de ingangsdatum van de wet aanwezige «uitloop» als een afzonderlijk element te beschouwen van de uitkering. Wij hebben deze suggestie zo geïnterpreteerd dat de oude gevallen behandeld worden als nieuwe gevallen, doch dat zij daarnaast een nominaal vaststaand bedrag ontvangen, ter hoogte van het premievoordeel dat in de loop der jaren is ontstaan. Dit bedrag zal dus in de loop der jaren niet worden aangepast. De achterliggende gedachte bij dit alternatief is dat verkregen rechten niet mogen worden aangetast. Hoewel deze suggestie, vooral op het eerste oog, aantrekkelijke kanten heeft, zijn wij bij nader inzien tot de overtuiging gekomen dat hiermede ingegaan wordt tegen de geest van het wetsontwerp. Daarin worden vastgelegd de structureel juist geachte uitkeringsniveaus, en de ontwikkeling daarvan, van zowel minimumuitkeringen als van die daarboven uitgaan. Uitsluitend ter voorkoming van onaanvaardbare koopkrachteffecten is voor zowel de minimumuitkeringen alsook voor de oude uitkeringen boven het minimum een fasering ingevoerd. Het structureel juiste uitkeringsniveau wordt dus gefaseerd in de toekomst bereikt. Naar de opvatting van het kabinet zou het onjuist zijn om deze.gefaseerde benadering van het structurele uitkeringsniveau niet door te voeren voor lopende gevallen met een uitkering boven het minimum. Op deze manier zou een ongelijke behandeling resulteren van minimumuitkeringen en de overigen. Een tweede suggestie van de leden van de C.D.A.-fractie was om bij de in-gangsdatum van de wet de hiervoor bedoelde uitloop per individu of bij wijze van gemiddelde vast te stellen, en dit bedrag al of niet in termijnen aan betrokkenen uit te keren. Evenals in het eerste alternatief worden dus ook de oude gevallen behandeld als nieuwe en ontvangen daarnaast eenmalig het in de loop van tijd verkregen premievoordeel op jaarbasis. Alvorens op de principiële merites van dit voorstel in te gaan, wijzen wij erop dat het eenmalig vast te stellen premievoordeel per individu zou dienen te geschieden, omdat de hoogte van dit bedrag per individu verschilt. Bij het geven van een gemiddeld bedrag zouden er over-en onder-«compensaties» plaatsvinden. Gezien tegen de achtergrond van het voorliggende wetsontwerp hebben wij de indruk dat dit alternatief meer in overeenstemming is met het door het wetsontwerp beoogde doel: vaststelling van het structurele uitkeringsniveau. De eenmalige toeslag zou gezien kunnen worden als een tegemoetkoming in de koopkrachteffecten. De betrokkenen zouden het op jaarbasis te ontvangen bedrag gefaseerd kunnen aanwenden om koopkrachteffecten op te vangen. Hoezeer deze gedachte door ons welwillend is bestudeerd, wij menen dat het regeringsvoorstel voordelen heeft die voor ons doorslaggevend zijn. De toeslagen in het wetsontwerp kunnen namelijk zodanig gefaseerd worden afgebouwd dat de koopkracht tot aan het gewenste niveau blijft gehandhaafd. De eenmalige toeslag daarentegen, zal met name voor uitkeringsgerechtigden die over een langere periode op een uitkering aangewezen zijn, stellig ontoereikend zijn om het koopkrachtdoel te effectueren. Verhoging van het eenmalige bedrag op twee-of driejaarsbasis lijkt geen logische oplossing omdat toch het kanselement aanwezig blijft. Degene die over een langere periode uitkering zal genieten dan de periode gedurende welke de koopkracht met de eenmalige toeslag kan worden gehandhaafd, verkeert in het nadeel. In het regeringsvoorstel is het kanselement niet aanwezig: iedereen wordt op gelijke wijze behandeld. Ten slotte kan hettoekennen van een eenmalige toeslag leiden tot bizarre situaties: iemand die bij voorbeeld eind januari 1980 de WAO verlaat, krijgt een premievoordeel van een of meer jaren uitbetaald. Het is voor de uitvoeringsorganen niet mogelijk om rekening te houden met de verblijfsduur.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Het geheel overziende zijn wij van oordeel dat de in het wetsontwerp voorgestelde overgangsregeling de voorkeur verdient boven de hiervoor besproken alternatieven. De financiële consequenties zijn mede afhankelijk van een technische invulling, doch kunnen -om de gedachten te bepalen -voor het eerstgenoemde alternatief globaal worden geraamd op een besparingsverliesvan 50 min. in 1980 en in de richtingvan 100 min. in 1981. In het twee-de alternatief zou het besparingsverlies bij een éénmalige vergoeding over uitsluitend 1980 en alleen ten behoeve van de bovenminima in de WAO, WBPenWUVin dat jaar globaal 70 min. belopen. Daartegenover zouden in 1981 geen toeslagen voorde bovenminima worden gegeven en zou daardoor een extra ombuiging van ca. 270 min. ontstaan. Bij een berekeningsperiode van twee jaar zou het verlies stijgen naar bij benadering 175 min. in 1981. Een meer nauwkeurige becijfering van deze bedragen is slechts mogelijk na een meer gedetailleerde technische uitwerking.

De leden van de P.v.d.A. probeerden zich te verplaatsen in de situatie dat de regeringsvoorstellen zouden worden doorgevoerd. In dat geval wilden wij weten of het kabinet bereid is ook aan nieuwe gevallen toeslagen toe te kennen. Uit voorgaande betogen moge duidelijk zijn geworden dat wij de toeslagen uitsluitend beschouwen als een overgangsregeling in verband met optredende koopkrachteffecten. Daar deze koopkrachteffecten zich voor nieuwe gevallen niet in de hiervoor beschreven vorm voordoen, overweegt het kabirfet niet om eveneens aan nieuwe gevallen toeslagen toe te kennen. De kosten die met een veronderstelde toekenning van toeslagen aan nieuwe gevallen gepaard gaan, bedragen ca. 40 min. in 1980 en 75 min. in 1981. Deze vermindering van de besparingen betreft in hoofdzaak de WAO. Met begrip hebben wij kennis genomen van de verzuchting van de leden van de P.v.d.A. dat een en ander zo ingewikkeld is geworden dat het voor velen niet meer te volgen is. Wij willen daarbij wel benadrukken dat deze gecompliceerdheid niet te wijten is aan de vormgeving van de structurele uitkeringsniveaus. In de eindsituatie is juist meer eenvormigheid bereikt: lonen en uitkeringen worden op gelijke wijze behandeld van bruto naar netto. De door deze leden bedoelde complicaties houden verband met de te betraclv ten zorgvuldigheid om van het ene systeem naar het andere te komen. Deze zorgvuldigheid is met name verschuldigd waar het gaat om besteedbare in-komens van personen die niet actief aan het maatschappelijk proces deelnemen. Onderstaand hebben wij voor een tweetal gevallen het verloop van de gebeurtenissen nog eens cijfermatig uiteengezet.

Totaal

waarvan uitkering

dag-

vakantie-uitkering

uitkering

Minimumdagloon WAO' (bij 80% uitkering)-bruto 1-10-'79, na aftrek voorschot

81,68

76,34

5,34-idem, vóór aftrek voorschot'79

82,07

76,70

5,37-na indexverhoging per 1 januari '80: 2,7%, te verminderen met 1% reeds ontvangen verhogingper 1-10-'79

83,47

78,01

5,46-verhoging reservering vakantie-uitkering

83,47

77,29

6,18-extra verhoging in verband met handhaving nettonetto gelijkheid bij gewijzigde berekeningsmethode

86,21

79,82

6,39-tijdelijke extra verhoging in verband met gefaseerde invoering en handhaving koopkracht

87,52

81,04

6,48

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Totaal

waarvan uitkering

da9'

vakantie-uitkering

uitkeriiig

Maximumdagloon WAO' (bij 80% uitkering)-bruto 1-10-'7b, naaftrek voorschot '79-idem vóór aftrek voorschot'79-na indexverhoging per 1 januari '80: 2,7% te verminderen met 1% reeds ontvangen verhoging per 1-10-'79-verhoging reservering vakantie-uitkeringtijdelijke extra verhoging in verband met gefaseerde invoeringen handhaving koopkracht

1 Voorlopige cijfers.

Met betrekking tot de netto resultaten zij opgemerkt, dat middels de door de bedrijfsverenigingen aan de uitkeringsgerechtigden te verstrekken overzichten precies kan worden vastgesteld welke inhoudingen plaatsvinden en tot welke bedragen. De ontwikkeling van de koopkracht is niet alleen thans een uitkomst die door betrokkenen als juist zal moeten worden aanvaard. Deze becijferingen geschieden echter op volkomen objectieve wijze en met inachtneming van een bestendige gedragslijn.

In antwoord op vragen van de leden van de fracties van de P.v.d.A. en de V.V.D. naar de extra lasten van de in de toeslagen te verwerken beperkte handhaving van de per 1 oktober 1979 gegeven voorindexering kan worden medegedeeld, dat op basis van de becijferingen in de memorie van toelichting deze kosten kunnen worden geraamd op globaal 30 min. voor de sociale fondsen en 3 min. voor de rijksbegroting. De leden van de fractie van de V.V.D. hebben gevraagd naar de koopkrachtontwikkeling in 1979 en 1980 voor de onderscheiden inkomensniveaus. Deze zijn samengevat in onderstaande tabel.

Reële inkomensmutaties in 1979 en 1980 voor uitkeringsgerechtigden zonder kinderen

1979

1980'

Cumulatief

Minima

0,4

0,3

0,7 WAO: iets boven minimum

0,3

0,1

0,4 modaal

0,4

-0,3

0,1 maximum

-0,6

-1,3

-1,9 WWV: iets boven minimum

0,6

0,6 modaal

0,5

-0,1

0,4 maximum

-0,3

-1,3

-1,6

1 Overeenkomstig de memorie van toelichting, tabel IV.8, derhalve zonder extra aanpassing van de toeslagen in verband met de ontwikkelingvan de koopkracht.

183,40

171,40

12,00

186,00

173,83

12,17

189,14

176,77

12,37

189,14

175,13

14,01

199,22

184,29

14,93

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

In verband met het bovenstaande zij naar aanleiding van de vraag van het lid van de fractie van het G.P.V. naar de rechtvaardiging van de 0,3% koopkrachtverbetering van de minimumuitkeringen het volgende opgemerkt. Voor de minima krachtens de AOW/AWW resteert per 1 januari 1980 blijkens tabel IV.5 van de memorie van toelichting nog een aanpassing met f 12 netto per maand. Dit bedrag wordt volgens het voorstel in twee termijnen verrekend. Vanzelfsprekend geldt dan dezelfde verrekening voor de overige mini-ma (WAO, WWV, ABW). Onder deze veronderstellingen resulteert de 0,3% verbetering. De gevolgen van de lager uitvallende prijscompensatie per 1 januari dan geraamd in de MEV leiden bij overigens gelijk blijvende omstandigheden tot een nadelig effect van ten hoogste 0,1 % ten opzichte van de geraamde koopkrachtontwikkeling voor de uitkeringsgerechtigden. In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van de P.v.d.A. meent de Regering dat in afwachting van de feitelijke ontwikkelingen thans geen verdere aanpassingen van het beleid ter handhaving van de koopkracht nodig zijn. In antwoord op een vraag ter zake van de leden van de fracties van het C.D.A. en van de S.G.P. delen wij mede, dat de technisch nog nader uit te werken verlichting van de loon-en inkomstenbelasting vanzelfsprekend ook zal gelden voor de niet-actieve belastingplichtigen en derhalve de koopkracht voor betrokkenen in positieve zin zal kunnen beïnvloeden. Gegeven de tot op heden bestaande inzichten verwachten wij niet, dat -zoals gesteld door het lid van de fractie van DS'70 -de verwachtingen met betrekking tot de koopkracht te optimistisch zouden kunnen blijken.

Door de leden van de fractie van de P.P.R. is gevraagd naar de verdere fasering van de voorstellen na 1 januari 1980. In antwoord hierop kunnen wij meedelen, dat -voor zover de koopkrachtontwikkeling dit toelaat -de fasering voor de bovenminima zodanig is gedacht, dat de effectief drukkende vereveningsbijdrage stijgt met ten hoogste 1 % per jaar. De operatie zal derhalve voor een belangrijk deel van de uitkeringsgerechtigden inderdaad 4 a 5 jaarvergen. Voor de hoogste uitkeringen zal na afloop van deze periode moeten worden bezien of een versnelde afbouw mogelijk is. Voor wat betreft de minima kan het onderstaande overzicht van de naar huidige inzichten mogelijke fasering worden gegeven.

Netto toeslag per maand

AOW/AAW1

WAO/WWV/ABW

1 januari 1980

6,-

17,30 1 juli 1980

-

11,30 1 januari 1981

-

5,30

1 Gehuwden.

Zoals blijkt is de compensatieregeling voor de AOW/AAW slechts noodzakelijkin het eerste halfjaar van 1980 en voorde overige minima toten met het eerste halfjaar van 1981. In alle cijfers met betrekking tot de WAO-uitkeringen is het effect van de arbeidsongeschiktheidsaftrek verwerkt. Er is geen rekening gehouden met eventuele effecten in 1980 van wijzigingen in het brutoaanpassingsmechanisme. Op dit moment zijn nog geen ramingen ter zake beschikbaar; dit in antwoord op een vraag van het C.D.A.

§ IV. 9. Financiering

De leden van de fractie van de P.P.R. informeerden naar de nadere studie inzake de aanwending van de vereveningsbijdrage. Deze studie zal worden verricht door een interdepartementale werkgroep en zal gereed dienen te zijn voor de vaststelling van het dekkingsplan en de premiepercentages voor 1981.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

§ IV. 10. Besparingen

In antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie delen wij mee dat de gevolgen van het doorgaan van de afzonderlijke maatregelen voorde sociale premies zijn weergegeven in tabel IV.14 onder het hoofd «Fondsen». Het daar genoemde bedrag van 80 min. komt overeen met 0,1 % premie WAO en het bedrag van 485 min. met 0,5 % premie WAO.

De leden van de fracties van C.D.A., V.V.D. en G.P.V. stelden aanvullende vragen over de met het wetsontwerp te realiseren besparingen. In 1979 is er een aantal gaten gevallen ter hoogte van onderstaande bedragen. Tevens is de doorwerking naar 1981 aangegeven.

1979

1981

1 januari 1979 1 juli 1979

4060

6080

Totaal

100

140

In het kader van de voortgang van Bestek '81 zijn reeds compenserende ombuigingen aangegeven voor de gaten, die per 1 januari 1979 zijn gevallen. De leden van de fractie van de V.V.D. vroegen een vergelijking van de in Bestek'81 voorziene ombuigingen voor 1980 met de thans geraamde bedragen. In dit verband zij vermeld, dat in de ramingen in het kader van Bestek ' 81 voor 1980 een ombuiging op de onderhavige uitgaven was voorzien van ca. 670 min. De huidige raming is 590 min. Bij vergelijking van de bedragen moet rekening worden gehouden met het feit, dat door verlaging van het tarief van de eerste schijf van 20% naar 18% in 1980 de ombuigingen op de minimumuitkeringen in dat jaar bruto ca. 35 min. lager zijn. Dit verschil is overigens louter nominaal. Daartegenover staat een iets hogere nominale opbrengst in de sfeer van de bovenminima (15 a 20 min.). Per saldo is er op min of meer vergelijkbare basis een nadelig verschil van ongeveer 60 min. Dit wordt veroorzaakt door enerzijds lagere ombuigingen in 1979 (ca. 130 min.) en anderzijds iets hogere ombuigingen in 1980 (ca. 65 min.) door de directe invoering van de nieuwe systematiek op uitkeringen met een ingangsdatum na 31 december 1979. Een calculatiepremie van 2,5% in plaats van 1,8% zou in 1980 nog slechts ongeveer 15 min. extra opleveren, doordat deze premie uitsluitend voor de nieuwe uitkeringen direct effectief is. Voor de overige uitkeringen werkt dit eerst door in aansluiting aan de thans voorgestelde wijzigingen.

Met betrekking tot de thans voorziene ombuiging in 1981 ten opzichte van de raming in Bestek ' 81 is nog een nadere uiteenzetting gevraagd door het lid van de fractie van het G.P.V. Zoals gesteld in de memorie van toelichting zal de ombuiging in 1981, rekening houdend met de nader aangegeven ombuigingen in het kader van de voortgang van Bestek'81, ongeveer evenveel aan ombuigingen opleveren als oorspronkelijk geraamd. Voor de becijfering daarvan zijn de voor 1980 geraamde bedragen globaal bijgesteld voor 1981.

' Zitting 1978-1979,15081, nrs. 28 en 48.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Structurele ombuigingen, compensaties en feitelijke ombuigingen in 1980 en 1981

600

615

40 -170

-175 560

635

1085

1190 495

290

1980'

19815

Structurele ombuigingen:-hogere premie ZW/Wg.-verzekering in koppelingsgrondslagvaste aftrek f 150 in koppelingsgrondslagbeperking bejaardenaftrek en arbeidsongeschiktheidsaftrekopheffing afstand f 9,50 in AOW/AWW/AAW-vereveningsbijdrage bovenminima

Totaal Compensaties

Feitelijke ombuiging

590

900

1 Conform memorie van toelichting, tabel IV.14 2 Berekend op basis van globale bijstelling ramingen 1980.

De voor 1980 aangegeven nominale verschillen hebben in 1981 per saldo een negatief effect van ca. 40 min. Tegenover het resterend negatief verschil van 150 min. ten opzichte van de in Bestek '81 geraamde ombuiging van 1090 min. (inclusief maatregelen met betrekking tot bejaarden-en arbeidsongeschiktheidsaftrek) staan de in het kader van de voortgang aangegeven ombuigingen.

ARTIKELEN De leden van de P.v.d.A. en het C.D.A. hebben een vraag gesteld omtrent de mogelijkheid van vóórpublikatie in de Staatscourant van de tekst van de algemene maatregelen van bestuur te treffen opgrond van het nieuw voorgestelde artikel 14, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en op grond van nieuw voorgestelde overeenkomstige bepalingen in een aantal andere wetten. Wij wijzen erop, dat het hier om één algemene maatregel van bestuur gaat, waarin voor alle bedoelde wetten gezamenlijk wordt aangegeven wat onder indexcijfer der lonen wordt verstaan, welke componenten voortaan bij de brutoaanpassing buiten beschouwing blijven en welke componenten voortaan naar niveau zullen worden toegerekend. De concept-tekst met toelichting is als bijlage toegevoegd aan de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsontwerp. Ten einde bij de halfjaarlijkse aanpassing per 1 januari 1980 het gewijzigde brutoaanpassingssysteem te kunnen toepassen, is het noodzakelijk dat de algemene maatregel van bestuur in werking treedt onmiddellijk nadat het onderhavige wetsvoorstel kracht van wet heeft gekregen. Vóórpublikatie in de Staatscourant heeft in deze situatie naar ons oordeel weinig zin. Waar de materie waarop de algemene maatregel van bestuur betrekking heeft, onderdeel heeft gevormd van het SER-advies van 5 oktober 1979 lijkt een afzonderlijke advisering door de SER over deze algemene maatregel van bestuur overbodig.

De Minister van Sociale Zaken, W. Albeda Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 7

BIJLAGE I

Naar aanleiding van de vraag van de V.V.D.-fractie betreffende de groei van de aantallen uitkeringsgerechtigden resp. minimumloontrekkenden in relatie tot het totaal van de actieven in de afgelopen 10 jaren werd onderstaand overzicht opgesteld. Een uitsplitsing van de aantallen uitkeringsgerechtigden naar minimum en bovenminimum niveau is wegens gebrek aan betrouwbare gegevens niet goed mogelijk. Op grond van de beschikbare in-formatie wordt er bij de berekeningen ten aanzien van de werknemersverzekeringen van uitgegaan dat 25% van het aantal gerechtigden een uitkering ontvangt op minimumniveau.

Bijlage I'

1969

1970

1971

1972

1973

1974

1975

1976

1977

1978

Actieven

4641

4696

4724

4683

4685

4687

4656

4646

4658

4663 IIinimumloontrekkenden (23-64-jarigen, volledige dagtaak)

n.b.

n.b.

n.b.

n.b.

100

n.b.

108

n.b.

n.b. Uitkeringsgerechtigden AOW4

1035

1061

1088

1116

1141

1171

1197

1221

1252

1280 AWW4

154

155

159

163

167

166

168

171

172

173 AAW5

-

-

-

----

102

114

134 ABW4

284

299

319

341

344

372

423

388

361

364 WW5

54 WWV6

83 WAOs

189

196

211

230

287

313

349

374

405

435

1 Bronnen: Meerjarenramingen sociale zekerheidsregelingen 1980, bijlage 7a. CPB: Centraal Economisch Plan 1979 bijlage C1 CBS: Sociale Maandstatistiek, juni 1978 2 Totale beroepsbevolking (incl. zieken) 7. geregistreerde arbeidsreserve (1000 manjaren) 3 Aantallen per ultimo november (x 1000); informatie met betrekking tot overige jaren is niet beschikbaar 4 Aantallen (x 1000) per ultimo 5 Uitkeringsjaren (x 1000) (aantal uitkeringsdagen gedeeld door 260) 6 Jaargemiddelde (x 1000)

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

BIJLAGE II

INDEXCIJFERS VAN REGELINGSLONEN: DE ONTWIKKELING ONDER-SCHEIDEN NAAR COMPONENTEN

1 Inleiding

1 Indexcijfers van regelingslonen, methodebeschrijving en reeksen 1926-1974, ' 's-Gravenhage1975. 2 Interdepartementale Commissie inzake coördinatie en kostenbeheersing van de Sociale Verzekeringen en Inkomensoverdrachten.

In 1972 is een nieuwe reeks indexcijfers van regelingslonen gestart. Naar aanleiding daarvan is in 1975 een publikatie verschenen waarin de methode uitvoerig is beschreven. De verschillen met de voorgaande reeks, op basis 1954, die daar worden opgesomd en toegelicht waren een gevolg van een ontwikkeling in de behoeften van gebruikers. Tot 1972 werd als enig loonbegrip gehanteerd het basistijdloon verhoogd met vakantietoeslag en overige verplichte bijzondere uitkeringen. Vanaf 1972 zijn reeksen gepubliceerd zowel inclusief als exclusief vakantietoeslag, spaarloon en bijzondere uitkeringen; de ontwikkeling weergevend van respectievelijk het loon als kostenfactor en als regelmatig ontvangen looninkomen. De behoeften van de gebruikers zijn ook na 1972 verder geëvolueerd. De oorzaak hiervan is dat de indexcijfers van regelingslonen niet alleen gebruikt worden voor indexering van privaatrechtelijke langlopende contracten om een gemiddelde loonstijging te verdisconteren maar ook voor meer specifieke toepassingen zoals de bijstelling van ambtenarensalarissen, van het mini-mumloon en van sociale uitkeringen. Een belangrijke rol heeft daarbij het z.g. trendmechanisme voor de bepaling van de ambtenarensalarissen gespeeld. Gesteld werd dat bepaalde loonsverhogingen in het bedrijfsleven niet mochten doorwerken in de ambtenarensalarissen: als een bescheiden bedrijfspensioenregeling wordt verbeterd en de daaruit voortvloeiende premieverhoging voor de werknemer door een loonsverhoging wordt gecompenseerd, kan men zich afvragen of ook de ambtenaar met zijn relatief goede pensioenvoorziening, van die loonsverhoging moet profiteren. Een ander voorbeeld is de verhoging van het minimumloon. De consequentie dat daardoor de salarissen, die (ver) boven het minimumloon liggen, eveneens zouden stijgen werd niet reëel geacht. Zo ontstond de behoefte om bepaalde componenten van de stijging der regelingslonen te gaan elimineren. Het zou met een handmatige aanpak voor het CBS een zeer tijdrovende zaak zijn dit te doen voorde bijna 200contracten die worden verwerkt in de index van regelingslonen. Daarom zijn dergelijke berekeningen in het verleden alleen gemaakt voor een 40-tal van de grootste collectieve contracten. Dit leverde een benadering op dïe in 1976 nog acceptabel werd geacht. Ook op andere terreinen gaf het werken met een gemiddelde stijging volgens de index van de regelingslonen problemen. Enerzijds lagen die moeilijkheden in hetzelfde vlak als bij de ambtenarensalarissen. Zo vroeg men zich af of iemand met een hoge sociale uitkering, wel moest meeprofiteren van de stijging van het minimumloon, voorzover dat althans in de index van regelingslonen is verwerkt. Anderzijds meende men dat het minimumloon niet aangepast moest worden met slechts een gemiddelde stijging van lonen, maar dat ook nivelleringstendenties, die ontstaan door vloeren in prijscompensatie of verhogingen in vaste bedragen, tot uitdrukking dienden te komen.

Bestek '81, werkzaamheden van de commissie-Lamers en de voorbereiding van adviezen van de SER haakten in op bovengenoemde vraagpunten en scherpten ze aan. Daarbij kwamen enkele «tegenvallers» voor de overheid, zoals de toeslagverwerking in de bouwnijverheid en een flinke bijstelling van de normsalarissen van de uitzendbureaus, die een onverwacht sterk effect hadden op de index van de regelingslonen, hetgeen de behoefte deed ontstaan om het effect van toeslagverwerkingen te kennen. De ontwikkelingen leidden tot een vraag naar «geschoonde indices», dat wil zeggen indexcijfers van regelingslonen waar het effect uitgehaald was van bepaalde componenten zoals minimumlooneffect, toeslagverwerking en vloeren in de prijscompensatie die normaliter deel uitmaken van de gemiddelde loonontwikkeling.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Door de verwerking van de basisgegevens van de regelingsloonindex te mechaniseren is het nu mogelijk geworden op alle verwerkte ca.o.'s in plaats van op een 40-tal de berekeningen toe te passen. Praktische problemen kwamen voort uit de grote diversiteit in wensen om één of meerdere componenten uit te sluiten en uit de vraag om bepaalde componenten toe te rekenen naar de verschillende loonniveaus. Een veelheid van reeksen indexcijfers zou de duidelijkheid niet ten goede komen en bovendien afbreuk doen aan het algemene doel van de index: een gemiddelde loonontwikkeling weer te geven. Op berekening naar de verschillende loonniveaus wordt later nog teruggekomen. Voor wat de diversiteit van wensen betreft werd een oplossing gevonden in het publiceren van weliswaar één (reeds bestaand) indexcijfer, maar dat op te splitsen naar de componenten die gezamenlijk de stijging over een bepaalde periode veroorzaken, aldus als het ware een dimensie toevoegend aan de indexcijfers van regelingslonen.

  • De componenten

Het opsplitsen naar componenten betekent geen nieuw systeem van de index van regelingslonen. De reeksen blijven gehandhaafd zoals ze in 1972 zijn opgezet en de eerdergenoemde methodebeschrijving blijft van kracht. Uit die bestaande reeksen is één reeks gekozen en wel de reeks die gebruikt wordt voor de halfjaarlijkse aanpassing van het minimumloon en de sociale uitkeringen. Het is de reeks die de ontwikkeling binnen het particuliere bedrijf weergeeft van de week-en maandlonen inclusief vakantietoeslag en bijzondere uitkeringen, exclusief spaarloon. Het is de stijging van de indexcijfers van deze reeks die wordt opgesplitst in componenten. De componenten zelf zijn ontleend aan de ca.o."bepalingen. Ze worden hieronder vrijwel uitputtend opgesomd en vormen gezamenlijk met «niet te specificeren» de stijging van de «aanpassingsindex» over een bepaalde periode.

Prijscompensatie De overeengekomen loonsverhoging om de gestegen consumptieprijzen te compenseren.

Vloereffect Als een prijscompensatie wordt overeengekomen van bij voorbeeld 1% met een minimum van 20 gulden per maand, krijgt ieder met een loon van minder dan f 2000 in feite meer dan 1%, zodat de gemiddelde stijging ook (iets) meer wordt dan 1 %. Die «extra» stijging wordt het vloereffect genoemd.

Minimumlooneffect Alleen als een verhoging van het minimumloon doorwerkt in de schaallonen van een ca.o. vindt verwerking in de index plaats. Worden de schaallonen, bij voorbeeld omdat ze het karakter van een basisloon hebben, niet aangepast dan vindt ook geen stijging van de index plaats.

Uitstraling

minimumloon

Als schaallonen boven het minimumloon worden opgetrokken om de afstand ten opzichte van het verhoogde minimumloon te bewaren is sprake van uitstraling minimumloon.

Initieel in %/lnitieel in f

Een overeengekomen loonsverhoging in procenten of een vast bedrag die/dat niet verder gespecificeerd wordt, maar tot directe welvaartsverhoging leidt.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Herstructurering Bij een herziening van de loonschalenstructuur of bij een integratie van ca.o.'s voor arbeiders en beambten is sprake van herstructurering. Als dan verschuivingen in de gekozen meetpunten en hun gewichten binnen de schalen van een ca.o. optreden is een objectieve vaststelling van de loonstijging niet meer mogelijk. Aan partijen wordt dan om een gespecificeerde raming van de stijging gevraagd.

Verwerking toeslagen

Toeslagen worden verwerkt in de index zodra ze of algemeen verplicht worden of in de salarisschalen worden verwerkt. Invoering van een facultatieve toeslag of verwerking van een reeds verplichte toeslag in de salarisschalen heeft geen invloed op de index van regelingslonen.

VUT-regeling

In hoeverre een regeling vervroegde uittreding doorwerkt in de index van regelingslonen hangt af van de afspraken over de financiering. Directe financiering door werkgever of werknemer geeft geen wijziging in het brutoloon en heeft derhalve geen invloed op de index. Indien de werknemer bij zijn loon compensatie krijgt voor zijn bijdrage in de regeling stijgt zijn brutoloon wel en dus ook de index.

Niet te specificeren

Deze component bestaat in hoofdzaak uit niet te ontleden loonmutaties van trendvolgers in de particuliere sector. In de huidige periode van loonmatiging bestaat deze mutatie vrijwel uitsluitend uit prijscompensatie.

Compensatie pensioenpremie

Hiervan is sprake indien een grotere bijdrage van de werknemer aan zijn pensioenvoorziening wordt opgevangen door extra loon.

Bijzondere uitkeringen

Dit zijn loonbedragen die eenmalig of periodiek worden uitbetaald en niet tot het regelmatig betaalde loon gerekend worden. Om verwerkt te worden in de index moet het karaktervan de afspraak bindend zijn. Het belangrijkste voorbeeld is de eindejaarsuitkering.

Vakantietoeslag De vakantietoeslag zoals die in de ca.o. is geregeld.

Met deze componenten is het aanpassingsindexcijfer praktisch volledig te analyseren. De enige component die dan nog ontbreekt aan het meest ruime loonbegrip in het kader van de regelingsloonindex is het spaarloon. Dit bestaat uit stortingen van de werkgever op een geblokkeerde rekening waarover slechts onder bepaalde voorwaarden door de werknemer kan worden beschikt. De invloed van het spaarloon op de indexcijfers is zeer gering gebleken. Ten slotte is er nog een component van andere aard, namelijk de arbeidstijdverkorting die het gehele systeem sluitend maakt. Daarmede is namelijk de stap van de ontwikkeling van weeklonen naar die van uurlonen te maken. De beide laatste componenten waren reeds sedert 1972 traceerbaar met behulp van de gepubliceerde indexcijfers.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

  • Resultaten

In staat 1 zijn de resultaten van de uitsplitsing naar componenten weergegeven over de periode januari t/m juli 1979.

Staat 1. Index van regelingslonen per week excl. spaarloon voor werknemers in het particulier bedrijf; stijgingspercentages cumulatief per element t.o.v. dec. 1978

dec.

jan.

febr.

mrt.

april

mei

juni

juli 1978

1979

1979

1979

1979

1979

1979

1979

Aanpassingsindex

182,9

187,3

187,5

187,5

187,7

187,7

187,7

189,2 Mutaties in % t.o.v. dec. 1978

2,43

2,51

2,54

2,63

2,67

2,67

3,47 waarvan: prijscompensatie

1,77

1,84

1,84

1,90

1,90

1,90

2,63 vloereffect

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

0,05 minimumloon

---

-

--

  • uitstraling min. loon

-

------ initieel in %

0,05

0,07

0,08

0,10

0,10

0,10

0,17 initieel in gld.

-

-

-

---

  • herstructurering

0,03

0,03

0,03

0,04

0,04

0,04

0,04 verwerking toeslagen

0,49

0,49

0,50

0,51

0,61

0,51

0,51 VUT-regeling

-------0,02 niet te specificeren

0,07

0,07

0,07

0,07

0,07

0,07

0,07 compensatie pensioenpr.

-0.03

-0.03

-0.03

-0,03

0,01

0,01

-bijzondere uitkeringen

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02 vakantietoeslag

-------

De eerste regel van deze staat bevat de aanpassingsindex in één decimaal. Tot nu toe is steeds vermeden de indexcijfers van regelingslonen in decimalen te publiceren omdat daar een te sterke suggestie van zou uitgaan wat de nauwkeurigheid betreft. Een dergelijke suggestie is onverantwoord omdat de keuze van de meetpunten binnen de ca.o.'s en de daarbij behorende gewichten in een aantal gevallen op schattingen van partijen berusten zodat rekening moet worden gehouden met enige marge. Uiteraard geldt dit argument ook voor de aanpassingsreeks. Niettemin wordt nu in één decimaal gepubliceerd omdat anders geen aansluiting gevonden kan worden tussen de opsplitsing in componenten en de mutaties in de indexcijfers. De mutaties in de indexcijfers op de tweede regel zijn cumulatief ten opzichte van december 1978. Door middelvan deling is het mogelijk een ander referentiepunt te kiezen. Zo is de mutatie van juli ten opzichte van april :-;= (1.0082-102.63 1.00) x 100 = 0,82%. Het tweede cijfer achter de komma van het berekende percentage wordt beïnvloed door afrondingen van de cijfers die de basis van de berekening vormen. De kans dat het eerste cijfer achter de komma daardoor wordt beïnvloed is zeer gering.

Op de derde en volgende regels van de staat zijn de mutaties van de componenten opgenomen, eveneens cumulatief ten opzichte van 1978. Deafzonderlijke componenten in een kolom zijn optelbaar tot de totale mutatie in de aanpassingsindex. Ook voor de componenten geldt dat door middel van deling -bij geringe mutaties ook door aftrekking -een ander referentiepunt gekozen kan worden, met dezelfde consequenties voor de cijfers achter de komma als bij de totale mutatie. Op deze wijze is de boven berekende stijging van juli ten opzichte van april 1979, groot 0,82% met behulp van analoge berekeningen op te splitsen in de componenten prijscompensatie 0,72%, vloereffect 0,03% initieel in % 0.07, VUT-regeling -0,02% en compensatie pensioenpremie 0,03%. Sommatie levert, afgezien van 0,01% afrondingsverschil, in totaal bovengenoemde 0,82% op. Enige posten uit staat 1 vereisen een nadere toelichting. De grootste component in de beschouwde periode is de prijscompensatie, een illustratie van het feit dat we momenteel leven in een periode van loonmatiging. Eigenlijk Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

is de invloed van de prijscompensatie nog onderschat omdat, zoals bij de beschrijving van de componenten reeds is gezegd, de post «niette specificeren» vrijwel geheel bestaat uit de invloed van de z.g. trendvolgers op de aanpassingsindex. Dit betreft in de beschouwde periode vrijwel uitsluitend prijscompensatie. De VUT-regeling vormt een negatieve component. Het betreft een korting op de eerder afgesproken prijscompensatie. De prijscompensatie is binnen het systeem volledig opgevoerd; het gekorte deel is als negatieve post VUT-regeling verwerkt. Een andere nu en dan negatieve component is de compensatie pensioenpremie. De geringe negatieve effecten zijn het gevolg van het relatief afnemen van eerder ingecalculeerde positieve effecten. De verleende compensatie in een vast bedrag krijgt in de loop der tijd minder effect door loonsverhogingen zonder dat de compensatie pensioenpremie zelf omhoog gaat1. In het kader van het gekozen rekenschema is het stelsel van loonbegrippen dat bij de index van regelingslonen behoort te completeren. Dit is gedaan in staat 2, waar wederom wordt uitgegaan van de aanpassingsreeks en de daarbij behorende mutaties. Door bijtelling van de mutaties in het spaarloon (in de beschouwde periode steeds nul) wordt de reeks inclusief spaarloon verkregen. Door vervolgens de effecten van arbeidstijdverkorting daarbij op te tellen ontstaan de mutaties van de reeks uurlonen van alle volwassen werknemers in het particulier bedrijf. Arbeidstijdverkorting heeft, althans tot op heden, geen invloed op weeklonen, maar wel op uurlonen.

Staat 2. Opbouw van de reeks uurlonen van werknemers in het particulier bedrijf

dec. 1978

jan. 1979

febr. 1979

mrt. 1979

april 1979

mei 1979

juni 1979

juli 1979

Aanpassingsindex Mutaties in % t.o.v. dec. 1978 mutatie spaarloon arbeidstijdverkorting mutatie index uurloon index uurl. part. bedr.

182,9

192,0

187,3 2,43

187,5 2,51 187,5 2,54 187,7 2,63 187,7 2,67 187,7 2,67

189,2 3,47

0,03 2,46 196,7

0,03 2,54 196,8

0,03 2,57 196,9

0,03 2,66 197,1

0,03 2,70 197,2

0,03 2,70 197,2

0,07 3,54 198,8

Alleen de gegevens van staat 1 zullen -naast de gebruikelijke tabellen -regelmatig worden gepubliceerd in het Statistisch bulletin en de Sociale maandstatistiek. De gegevens van staat 2 dienen uitsluitend als illustratie van het systeem.

  • Mogelijkheden en onmogelijkheden bij de analyse van de regelingsloonindex

Voor nadere toelichting zie aanhangsel.

Met behulp van de gegevens zoals die in staat 1 zijn vermeld, kan een ieder als het ware zijn eigen index samenstellen en daarbij die componenten buiten beschouwing laten die naarzijn mening niet vooreen aanpassing moeten worden gebruikt. Het nu voorliggende systeem is inmiddels gedurende ruim een halfjaar beproefd. Vergelijking van de computerbewerking en de handbewerking geeft minimale verschillen aan, die worden verklaard door afrondingen bij de handbewerking. Dit neemt niet weg dat de opzet nog in enkele opzichten tentatief van karakter blijft. In de praktijk van de collectieve arbeidsovereenkomsten kunnen zich ontwikkelingen voordoen die niet of nauwelijks in het keurslijf van een indexsysteem zijn onder te brengen. Een voorbeeld daarvan is het geval van herstructurering. Korting op prijscompensatie als overheidsmaatregel of ter financiering van VUT is een recent verschijnsel; het is de vraag of dergelijke onderwerpen, ook als men nieuwe formules ontwikkelt, inpasbaar zijn in de gekozen aanpak. Een aantal wensen is nog niet vervuld. Een splitsing van verwerkte toeslagen in vaste bedragen en in procenten zou zinvol kunnen blijken. De capaciteit van de tafelcomputer dwong hier voorlopig tot een keuze. Ook ten aan-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

zien van de post «niette specificeren» is een meer elegante oplossing denkbaar. Een ander vraagpunt is of de keuze van de reeks waarvan wordt uitgegaan bij de splitsing van componenten, de beste keuze is, mede gezien tegen de achtergrond van de rekentechniek. Ook ten aanzien van de reken-techniek op zich genomen zijn vaak verschillende benaderingen mogelijk, die leiden tot uitkomsten die -zij het minimaal -verschillen. Samenvattend kan men stellen dat de gekozen aanpak in de praktijk nog wat moet uittrillen. Bij de keuze van een nieuwe basis voor de index van regelingslonen -gedacht wordt aan het jaar 1980 = 100-zou de aanpak zijn meer definitieve vorm moeten krijgen. Een wens die ook dan nog onvervuld zal blijven is de toerekening van bepaalde componenten naar de verschillende inkomensniveaus. De stijgingspercentages van bij voorbeeld prijscompensatie vormen een gemiddeld percentage. Zolang iedereen een zelfde procentuele prijscompensatie krijgt geldt het gemiddelde voor ieder salarisniveau. Indien een vloer wordt gelegd door bij voorbeeld minimaal f 300 per % prijsstijging te betalen en er is sprake van een prijsstijging van 5% dan ontstaat het volgende beeld. Iemand dief 50 000 verdient krijgt exact 5% prijscompensatie. Iemand die f 25000 verdient ontvangt 5 xf 300 = f 1500, zijnde 6% van zijn salaris. Dergelijke vloeren zouden leiden tot een gemiddelde prijscompensatie van bij voorbeeld 5,2% in plaats van 5%. Het wordt algemeen wenselijk geacht dat van degenen wier salaris wordt aangepast aan de mutaties der regelingslonen niet iedereen 5,2% krijgt, maar dat iemand met f 25000 6% krijgt en iemand met f 50 000 5%. Om die reden wordt dan ook in het bovenomschreven systeem onderscheid gemaakt tussen prijscompensatie in % en vloereffect. Systematische toerekening naar niveau stuit echter op twee problemen. Men moet in de eerste plaats een keuze maken van niveaus of intervallen waaraan de verschillende mutaties moeten worden toegerekend, waarbij arbitraire elementen zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Het bezwaar dat de doorslag geeft, is echter dat ca.o.'s in het algemeen geen schaalbedragen voor hoger personeel bevatten. Een consequente toerekening naar niveau van hetzij extra verhogingen, hetzij aftoppingen wordt dan onmogelijk omdat de toerekeningen voor de niveaus boven het modale loon op een zó gering aantal waarnemingen zouden komen te berusten dat toevalligheden een overheersende rol kunnen gaan spelen. In staat 3 wordt een indruk gegeven van de spreiding van de meetpunten.

Staat 3. Verdeling van meetpunten in de c.a.o.'s naar loonklasse per december 1978

Loonklasse in guldens

< 22800

21501-25 200

21501-30 000

21501-36 000

21501-42 000

42 000 -60 000

> 60 000

Meetpunten in % van het totaal 44,7

19,2

18,6

9,1

4,6

2,5

1.3

De genoemde loonbedragen zijn exclusief vakantietoeslag en bijzondere uitkeringen. Uit staat 3 blijkt dat een consequente toerekening naar niveaus op een statistisch verantwoorde wijze eerst kan plaatsvinden als het aantal c.a.o.'s voor hoger personeel sterk wordt uitgebreid. Intussen is het wel mogelijk dergelijke exercities partieel uit te voeren voor enkele niveaus beneden of rond het modaal loon.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

b8

AANHANGSEL

Rekentechnische toelichting bij de componentenanalyse van de index van regelingslonen Bij de opbouw van het rekenschema deden zich enkele problemen voor die in hoofdzaak een gevolg zijn van de poging om verschillende loonbegrippen in één systeem van regelingsloonindex onder te brengen. Bij het starten van een nieuwe reeks wordt uitgegaan van lonen die in de loop der jaren zijn gevormd door een cumulatie van prijscompensaties, initiële verhogingen, toeslagverwerkingen enz. De eerste tien van de componenten die in staat 1 zijn opgesomd, zijn componenten die steeds zodanig in het beloningssysteem worden verwerkt dat ze er een integraal deel van gaan uitmaken. Alle verdere procentuele verhogingen worden steeds berekend over het loonbedrag inclusief de eerder toegevoegde componenten. Men kan spreken van een kernloon. De reeks die ontstaat door mutaties van dat kernloon van maand op maand wordt dan de kernreeks. Het ligt voor de hand de mutaties die ontstaan door de tien componenten, uit te drukken in procenten van het kernloon. Complicaties ontstaan doordat de aanpassingsreeks een aantal componenten bevat -compensatie pensioenpremie, bijzondere uitkeringen en vakantietoeslag -die niet tot de kernreeks behoren en als het ware een eigen leven leiden. De mogelijkheid bestaat dan om de mutaties van bij voorbeeld de vakantietoeslag (v.t.) in verschillende grootheden uit te drukken, namelijk in procenten van de kernreeks of van de kernreeks plus vakantietoeslag. Dit laatste ligt het meest voor de hand maar geeft wat technische problemen. Een eenvoudig voorbeeld moge dat verduidelijken.

Staat a. Vereenvoudigd rekenschema index regelingslonen

Tijdstip t

Mutatie

Tijdstip tt

  • A. 
    Kernreeks excl. vakantietoeslag bedrag in gld. = index

100

5% initieel

105 B. Reeks incl. 6% vakantietoeslag bedrag in gld. = kernloon

f 100

5% initieel

f 105 vak. toeslag 6%

verhoging v.t. tot 8%

8,40

Totaal

f 106

-

f 113,40 index incl. v.t.

100

106,9811

De A-reeks behoeft geen nadere toelichting. De berekening van het bedrag inde B-reeks vormt ook geen probleem: het uitbetaalde bedrag is f 113,40.

Het indexcijfer wordt dan

'

x 100 = 106,9811. Afronding geeft de plau-106,00 sibele uitkomst van 107 als gevolg van de gecombineerde effecten van de mutaties door beide componenten. Het probleem treedt aan de dag als niét wordt afgerond en vervolgens een opsplitsing in componenten plaatsvindt. Bij de gekozen aanpak is gesteld dat de totale stijging van 6,98% bestaat uit initieel ter grootte van 5% en dat het restant bestaat uit vakantietoeslag. De vraag rijst dan waar de 1,98% stijging van de v.t. precies aan is gerelateerd. Hoewel de stijging van het initieel wordt uitgedrukt in het kernloon van f 100 wordt de v.t.-stijging uitgedrukt in het bedrag inclusief vakantietoeslag f 106. 108 Daardoor wordt de stijging van de vakantietoeslag minder dan 2% nl.--'x i Ub 100-100 = 1,8868%. Het «tekort» (2-1,8868) wordt weer nagenoeg gecompenseerd doordat de hogere vakantietoeslag berekend wordt over een hoger loon. Dit extra (5% van 1,8868 = 0,0943%) wordt in zijn geheel aan de v.t. toegerekend. Op deze wijze ontstaat dan een totale stijging van 1,8868 + 0,0943 = 1,9811%. De conclusie is dan dat de totale mutatie op correcte wijze exact is vastgesteld. De verdeling naar componenten, voor zover het v.t.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

e.d. betreft, geschiedt door aftrekking waardoor een sluitend geheel ontstaat, hoewel de componenten werden uitgedrukt in verschillende grootheden. De opsplitsing krijgt daardoor het karakter van een benadering, die echter 20 nauwkeurig is dat de afwijkingen in honderdste procenten gemeten moeten worden om ze zichtbaar te maken. Een extra complicatie vormt dan nog de compensatie pensioenpremie. Omdat het daarbij gaat om vaste bedragen die éénmaal per jaar worden bijgesteld, ontstaat een geheel ander beeld dan bij procentuele uitkeringen zoals de v.t. Dit moge blijken uit de volgende cijferopstelling.

Staat b. Rekenscherr.a verwerking compensatie pensioenpremie

tijdstip t0

mutatie

tijdstip t

mutatie

tijdstip t,

Kernloon Comp. pens. premie Totaal Index

f 100 f 5 f 105 100

comp. + f 1 f 100 f 6 f 106 100,9524 + 20% init. f 120 f 6 f 12612 0

Uit staat b blijkt dat de verhoging van de compensatie pensioenpremie ad f 1 niet leidt tot stijging van de index met 1 % maar met iets minder omdat de mutatie berekend is op basis van een hoger bedrag dan het kernloon. Uit de laatste kolommen blijkt dat door een stijging van het initieel met 20% heteffect van de verhoging van de compensatie pensioenpremie verdwijnt. Op ti was het effect 0,95 %. Op t.2 blijft van de vroegere stijging door de compensatie pensioenpremie niets meer over als men de initiële loonstijging van 20% aftrekt van de totale index. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de initiële loonstijging weliswaar 20% is, maar van f 100 in plaats van f 105. Indien in een volgende periode, zonder verhoging van de compensatie pensioenpremie, nogmaals 20 % initieel zou worden overeengekomen wordt het totaal bedrag f 24 hoger. Cumulatief is dan sedert to 44% initieel gegeven. De index 150 wordt dan op t3:_I_x 100 = 142,86. Na aftrek van 44% initieel resteert een 105 negatieve compensatie pensioenpremie. Dat is de situatie die zich in werkelijkheid voordoet, zij het met veel geringere mutaties en daardoor minieme verschillen. In staat 1 start de component compensatie meteen negatief omdat in januari 1979 geen mutatie in de compensatie plaatsvond (maar in mei) en door verhoging van het kernloon het negatieve effect meteen in werking trad. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Bijlage III

Gegevens met betrekking tot het opnemen van het wettelijk minimumloon in de c.a.o.-schaallonen Akker-en weidebouw en veehouderij Tuinbouw Landbouwwerktuigen exploit. ondern. Banketbakkersbedrijf Elballage-pallet-en klompenindustrie Meubelindustrie etc.

Zeep-en wasmidd. en reinig, midd. ind. Metaalnijverheid

Baggerbedrijf

Groothandel in levensmidd.

Grootwinkelbedrijf in levensmiddelen Levensmiddelenbedrijf Grootwinkelbedrijven in textiel Detailhandel in meub. en won. textiel Uitzendkrachten

Ziekenfondsen

Bedrijfsverenigingen

Notariaat

Bakkersbedrijf* winkelp.

Horecabedrijf

Bankbedrijf

Verzekeringsbedrijf

Natwasserijen etc.

Kappersbedrijf

Suikerwerk-en choc. verwerkende ind.

Metaalindustrie

Schoonmaak" en glazenwassersbedrijf sedert 1975 loon ongeschoolde wn. 12000wns.

van 22 jr. e.o. = w.m.l. 21000 wns.

sedert 1975 loon ongsch. wns. 22 jr. e.o. = w.m.l. sedert 1975 loon overige wns. 12000 wns.

22 jr. e.o. = w.m.l. 5 500 wns.

reeds vóór 1976 gold voor winkelpers. 23 jr. e.o. loon is tenminste w.m.l. sedert 1978 w.m.l. verwerkt in 3 300 wns.

laagste groep 24000 wns.

sedert 1978 w.m.l. verwerkt in groep A (laagste groep) bij 22 jr. e.o. sedert 1974 w.m.l. verwerkt in 200 wns.

groep 1 200 000 wns.

in 1975 w.m.l. verwerkt in laagste groepen 6 000 wns.

reeds voor 1978 groep I (21 jr. e.o.) = w.m.l. 6 000 wns.

sedert 1977 w.m.l, verwerkt in groep I 20000 wns.

sedert 1972 w.m.l. verwerkt in laagste groep 30000 wns.

sedert 1972 w.m.l. verwerkt in laagste groep sedert 1974 w.m.l. verwerkt in 20000 wns.

laagste groep sedert 1975 w.m.l. in laagste 12000

groepen '23500 wns.

sedert 1978 bij toepassing van de max. afwijking naar beneden (1978: 10% -1979: 8%) komt functie groep I uit op w.m.l. 5 000 wns.

reeds voor 1977 laagste groep binnen dienst personeel = w.m.l. 20000 wns.

sedert 1978 groep I bij 23 jr. = w.m.l. + 0,5% 4 200 wns.

sedert 1974 w.m.l. in laagste schaal sedert 1975 w.m.l. verwerkt in 5 000 wns.

laagste groep; in 1979 niet meer exact 55 000 wns.

in 1978 w.m.l. verwerkt in laagste groepen; in 1979 niet meer exact 60 000 wns.

in 1977 w.m.l. in groep I; in 1979 niet meer exact 35000 wns.

vóór 1976 reeds w.m.l. verwerkt in laagste groep; in 1979 niet meer exact 10500 wns.

sedert 1974 w.m.l. verwerkt in laagste groep(en); in 1979 niet meer exact 12000 wns.

vóór 1978 loon bij 0 t/m 6 ervaringsjaren • w.m.l.; in 1979 niet meer exact in 1977 loon groep 2 v.h. prod. 6 000 wns.

pers. 22 jr e.o. = w.m.l.: dit geldt niet meer in 1979 250 000 wns.

in 1977 w.m.l. verwerkt in laagste gcoep(en); in 1979 is dit niet meer het geval sedert 1974 loon van groep I • 64 000 wns.

w.m.l.; vanaf 1978 niet meer het geval Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 7

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zitting 1979-1980

15900

Nadere wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum)

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.