Gewijzigd voorstel van wet - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 266

Herdruk

23141

De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen)

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 17 februari 1994

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal knelpunten in de organisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen op te lossen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. DEFINITIES

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. College: het College van toezicht sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2; c. Bank: de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in artikel 21; d. Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming: het Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, bedoeld in artikel 31; e. bedrijfsvereniging: een bedrijfsvereniging als bedoeld in artikel 40; f. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 61;g. sociaal-fiscaal nummer: het nummer waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de rijksbelastingdienst en dat dient als registratienummer voor de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de uitvoering van wetten door de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen; h. fonds: 1°. het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedocld in artikel 103 van de Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93); 2°. het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 76 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1987, 89);

412095F ISSN 0921 • 7363 Sdu Uitgevenj Plantijnstraat 's-Gravenhage 1994

3°. het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wetfinanciering volksverzekeringen (Stb. 1989, 129); 4°. het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de Toeslagenwet (Stb. 1987,91); 5°. het Ouderdomsfonds, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet financiering volksverzekeringen; 6°. het Weduwen-en Wezenfonds, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen; 7°. het Algemeen Kinderbijslagfonds, bedoeld in artikel 29a van de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1991, 759); 8°. het Invaliditeits-en Ouderdomsfonds, bedoeld in de Invaliditeitswet (Stb. 1913, 215) en de Ouderdomswet 1919 (Stb. 1979, 673); 9°. het Ouderdomsfonds B, bedoeld in de Ouderdomswet 1919; i. wachtgeldfonds: een wachtgeldfonds als bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet; j. ziekengeldkas: een reserve als bedoeld in artikel 63 van de Ziektewet (Stb. 1987,88); k. uitvoeringskosten: de personele en materiële kosten van de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en de bedrijfsverenigingen; I. overheidspensioenlichamen: de lichamen, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, aan welke het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming ten laste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds de aldaar bedoelde uitkering verschuldigd is;m. verzekerde: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, voorzover hij geen uitkering of voorziening op grond van deze wetten ontvangt; n. werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; o. uitkeringsgerechtigde: degene die een uitkering of voorziening ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet (Stb. 1987, 88), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1987, 90), de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1985, 81), de Algemene Weduwen-en Wezenwet (Stb. 1965, 429) of de Algemene Kinderbijslagwet.

HOOFDSTUK II. HET COLLEGE VAN TOEZICHT SOCIALE VERZEKERINGEN AFDELING 1. SAMENSTELLING VAN HET BESTUUR EN WERKWIJZE

Artikel 2

  • Er is een College van toezicht sociale verzekeringen. 2. Het College bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel op een door Onze Minister te bepalen plaats.

Artikel 3

Het bestuur van het College bestaat uit vijf leden onder wie de voorzitter.

Artikel 4

  • De in artikel 3 bedoelde leden worden bij koninklijk besluit benoemd voor een periode van vier jNr. 2. Bij koninklijk besluit wordt een lid aangewezen dat tevens voorzitter is en wordt een lid aangewezen dattevens plaatsvervangend voorzitter is.
  • De leden kunnen door Onze Minister worden geschorst en bij koninklijk besluit worden ontslagen. 4. De persoon die tussentijds als lid wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.

Artikel 5

Alvorens een voordracht voor benoeming of ontslag, als bedoeld in artikel 4, te doen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid hierover advies uitte brengen.

Artikel 6

  • Onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur van het College zijn: a. het lidmaatschap en het plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur van de Bank, van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, van een bedrijfsvereniging en van een uitvoeringsinstelling; b. werkzaamheden ten behoeve van de onder a bedoelde rechtspersonen. 2. De leden van het bestuur van het College verrichten geen werkzaamheden indien dit ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het lidmaatschap van het bestuur van het College.

Artikel 7

  • Onze Minister regelt de rechtspositie van de leden van het bestuur van het College. 2. Het personeel van het College wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van de zevende titel A van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.

Artikel 8

  • Het bestuur van het College stelt een reglement van werkzaamheden vast. 2. In het reglement wordt in elk geval geregeld: a. de openbaarheid van de vergaderingen; b. welke taken en bevoegdheden van het College door personeelsleden van het College kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 9

  • Het College kan commissies instellen, waaraan ook personen kunnen deelnemen die geen lid van het bestuur van het College zijn. 2. Het College regelt in het reglement van werkzaamheden, bedoeld in artikel 8, de samenstelling, taken en bevoegdheden van de door hem ingestelde commissies, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en reis-en verblijfkostenvergoedingen voor leden van de commissies.

Artikel 10

  • Op verzoek van Onze Minister verstrekken het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen, overeenkomstig de daarbij door Onze Minister gestelde eisen en binnen de daarbij door Onze Minister gestelde termijn, kosteloos alle door Onze Minister gevraagde gegevens en inlichtingen.
  • Op verzoek van Onze Minister verlenen het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen aan door Onze Minister aangewezen personen toegang tot en inzage in alle gegevens met betrekking tot de wetten die zij uitvoeren.

Artikel 11

Onze Minister kan aan het College aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van zijn taken.

AFDELING 2. TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN HET COLLEGE VAN TOEZICHT SOCIALE VERZEKERINGEN

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 12

Het College heeft tot taak: a. het houden van toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van wetten door de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen; b. het verstrekken van gegevens over transacties en geldstromen aan Onze Minister; c. het zorgdragen voor informatievoorziening in verband met de uitvoering van wetten door de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen, alsmede het houden van toezicht op de inrichting van de informatievoorziening door deze rechtspersonen; d. het verrichten of laten verrichten van onderzoek, voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van wetten door de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen.

Artikel 13

  • Op verzoek van het College verstrekken de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen, overeenkomstig de daarbij door het College gestelde eisen en binnen de daarbij door het College gestelde termijn, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die het College nodig acht voor de uitoefening van zijn taak. 2. Op verzoek van het College verlenen de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen aan door het College aangewezen personen toegang tot en inzage in alle gegevens die het College nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.

Artikel 14

Het College verstrekt op verzoek aan de Sociaal-Economische Raad, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die deze raad meent nodig te hebben voor de uitoefening van zijn adviserende taak.

§ 2. Toezicht

Artikel 15

  • Besluiten van de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling, diezijn omschreven in een door het College gestelde regeiing, behoeven goedkeuring van het College. 2. Het College kan in de in het eerste lid bedoelde regeling bepalen dat besluiten van de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling, die geen goedkeuring behoeven en in deze regeling zijn omschreven, ter kennis van het College worden gebracht. 3. Een regeling van het College als bedoeld in het eerste lid, treedt niet in werking dan nadat deze in de Staatscourant is geplaatst.

Artikel 16

  • Het College kan uit hoofde van zijn taak aanwijzingen geven aan de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. 2. Aanwijzingen als bedoeld in het eerste lid kunnen geen betrekking hebben op de besluitvorming betreffende een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever.

Artikel 17

  • Indien een bedrijfsvereniging niet handelt overeenkomstig een aanwijzing van het College, kan het College besluiten dat uitgaven van die bedrijfsvereniging die ten laste zouden komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds of hetToeslagenfonds, onaanvaardbaar zijn en nietten laste van deze fondsen worden gebracht. 2. Een besluit van het College als bedoeld in het eerste lid, wordt met redenen omkleed en schriftelijk meegedeeld aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en de bedrijfsvereniging. 3. De bedrijfsvereniging kan uitgaven die, ingevolge een besluit van het College op grond van het eerste lid, niet ten laste van de in het eerste lid genoemde fondsen worden gebracht, ten laste brengen van ziekengeldkassen, als bedoeld in artikel 63 van de Ziektewet, of wachtgeldfondsen, als bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet.

Artikel 18

  • Elke bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling stelt op verzoek van het College personeelsleden ter beschikking van het College ten behoeve van onderzoek naar detoekenning, herziening, intrekking of heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als bedoeld in hoofdstuk II, paragraaf 2, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekerïng of hoofdstuk III paragraaf 2, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. 2. Het College vergoedt aan elke bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling die op grond van het eerste lid personeelsleden ter beschikking van het College stelt, de kosten van deze terbeschikkingstelling.

Artikel 19

Het College kan regels stellen omtrent de inrichting van de administratie en de administratieve organisatie van de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen.

Artikel 20

Indien het College klachten in behandeling neemt omtrent de wijze waarop de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon heeft gedragen, behandelt het College deze klachten overeenkomstig door het College gestelde regels. Deze regels worden in de Staatscourant geplaatst.

HOOFDSTUK III. DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK

§ 1. Samenstelling van het bestuur en werkwijze

Artikel 21

  • Er is een Sociale verzekeringsbank. 2. De Bank bezit rechtspersoonlijkheid en heeft haar zetel op een door Onze Minister te bepalen plaats.

Artikel 22

De Bank heeft een bestuur, bestaande uit een voorzitter, een door Onze Minister te bepalen aantal leden, dat ten hoogste vijftien bedraagt, en een gelijkaantal plaatsvervangende leden.

Artikel 23

  • De voorzitter wordt voor een periode van vier jaar benoemd door Onze Minister, nadat hij het bestuur van de Bank en het College in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te brengen. 2. De voorzitter kan door Onze Minister worden geschorst en ontslagen, nadat hij het bestuur van de Bank en het College in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te brengen. 3. Het bestuur van de Bank benoemt uit zijn leden één of meer leden tot plaatsvervangend voorzitter voor een door dit bestuur te bepalen periode. 4. De benoeming tot plaatsvervangend voorzitter kan door het bestuur van de Bank worden beëindigd.

Artikel 24

  • De leden en plaatsvervangende leden van het bestuur van de Bank worden door Onze Minister benoemd voor een periode van vier jNr. 2. Een derde gedeelte van het aantal leden en plaatsvervangende leden wordt door Onze Minister benoemd op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers. 3. Een derde gedeelte van het aantal leden en plaatsvervangende leden wordt door Onze Minister benoemd op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister algemeen erkende centrale representatieve organisaties van werknemers. 4. Onze Minister bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden dat door elke organisatie wordt voorgedragen. 5. De leden en plaatsvervangende leden kunnen door Onze Minister worden geschorst en ontslagen. 6. De persoon die tussentijds als lid of plaatsvervangend lid wordt

benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden. 7. Alvorens te oordelen omtrent representatieve organisaties als bedoeld in het tweede en derde lid en alvorens op grond van het vierde lid het aantal leden en plaatsvervangende leden dat door elke organisatie wordt voorgedragen te bepalen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid hierover advies uit te brengen.

Artikel 25

  • Het bestuur van de Bank regelt de rechtspositie van zijn voorzitNr. 2. Het bestuur van de Bank regelt de tijdverzuimvergoeding en de vergoeding voor reis-en verblijfkosten voor de leden en de plaatsvervangende leden. 3. Het personeel van de Bank wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van de zevende titel A van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.

Artikel 26

  • Het bestuur van de Bank stelt een reglement van werkzaamheden vast. 2. In het reglement, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval geregeld: a. de openbaarheid van de vergaderingen; b. de wijze waarop uitkeringsgerechtigden worden betrokken bij besluitvorming omtrent de wijze waarop wetten door de Bank ten aanzien van uitkeringsgerechtigden worden uitgevoerd.

Artikel 27

  • Het bestuur van de Bank kan commissies instellen, waaraan ook personen kunnen deelnemen die geen lid of plaatsvervangend lid zijn van het bestuur van de Bank. 2. Het bestuur van de Bank regelt in het reglement van werkzaamheden, bedoeld in artikel 26, de samenstelling, taken en bevoegdheden van de in het eerste lid bedoelde commissies, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en reis-en verblijfkostenvergoedingen voor leden van deze commissies.

§ 2. Taken en bevoegdheden van de Sociale verzekeringsbank

Artikel 28

  • De Bank heeft tot taak: a. de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen-en Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet, de Ouderdomswet 1919, de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919 (Stb. 1979, 673), de Invaliditeitswet, de Liquidatiewet Invaliditeitswetten (Stb. 1967, 307), alsmede wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, uit te voeren, voorzover die uitvoering niet bij of krachtens de wet aan anderen is opgedragen; b. het beheren en administreren van de in artikel 1, onderdeel h, onder 5° tot en met 9°, bedoelde fondsen; c. het op verzoek of uit eigen beweging adviseren van Onze Minister over onderwerpen die verband houden met de uitvoering van de onder a bedoelde wetten. 2. De Bank kan andere dan de in het eerste lid genoemde taken

vervullen indien Onze Minister daarvoor schriftelijktoestemming heeft verleend.

Artikel 29

De Bank deelt Nederland in een aantal werkgebieden in. In elk werkgebied wordt een districtskantoor van de Bank in stand gehouden.

Artikel 3O

  • De Bank voert een administratie ten behoeve van de uitoefening van haartaak. 2. In de administratie van de Bank wordt het sociaal-fiscaal nummer opgenomen van degene die verzekerd of uitkeringsgerechtigd is op grond van een wet die door de Bank wordt uitgevoerd. 3. Het sociaal-fiscaal nummer van een persoon dient tevens als registratienummer voor de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de uitvoering van wetten door de Bank. 4. De Bank stelt bij de uitoefening van haar taak de identiteit van degene die verzekerd of uitkeringsgerechtigd is vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van haar taak.

HOOFDSTUK IV. HET TUDELIJK INSTITUUT VOOR COÖRDINATIE EN AFSTEMMING § 1. Erkenning als Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming

Artikel 31

  • Een rechtspersoon, opgericht door naar het oordeel van Onze Minister algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers en algemeen erkende centrale representatieve organisaties van werknemers, wordt door Onze Minister erkend als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en kan slechts als zodanig worden erkend, indien: a. de rechtspersoon blijkens zijn statuten uitsluitend als doel heeft de in artikel 36, eerste lid, omschreven taken uit te oefenen; b. het bestuur van de rechtspersoon blijkens de statuten bestaat uit leden van de besturen van de bedrijfsverenigingen en een bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemde voorzitter, van wie de rechtspositie wordt vastgelegd in een door het bestuur van de rechtspersoon te stellen regeling, die goedkeuring van het College behoeft; c. het bestuur van de rechtspersoon zich blijkens de statuten kan uitbreiden met personen die afkomstig zijn van naar het oordeel van Onze Minister algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers of algemeen erkende centrale representatieve organisaties van werknemers; d. in het bestuur van de rechtspersoon blijkens de statuten het aantal leden en plaatsvervangende leden dat afkomstig is van organisaties van werkgevers gelijk is aan het aantal leden en plaatsvervangende leden dat afkomstig is van organisaties van werknemers; e. in de statuten is geregeld dat het College leden van het bestuur van de rechtspersoon kan schorsen en ontslaan en dat ontslagen leden van het bestuur van de rechtspersoon gedurende een periode van vier jaar na de datum van ontslag niet opnieuw benoembaar zijn; f. de statuten van de rechtspersoon zijn goedgekeurd door Onze Minister en gepubliceerd in de Staatscourant;
  • geen andere rechtspersoon als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming is erkend of ingesteld. 2. Een besluit tot erkenning als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming bepaalt de dag waarop de erkenning ingaat en wordt in de Staatscourant geplaatst. 3. De voorzitter, bedoeld in het eerste lid, onder b, is in het bijzonder belast met het veranderingsproces gericht op regionalisering van de uitvoeringsorganisatie. Hij bewaakt de voortgang van dit proces en rapporteert hierover rechtstreeks aan Onze Minister.

Artikel 32

  • Onze Ministertrekt de erkenning als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming in, indien het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming: a. daarom verzoekt; b. tot ontbinding besluit; c. in staat van faillissement wordt verklaard. 2. Alvorens de erkenning als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming op grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het College in de gelegenheid hierover zijn oordeel te geven.

Artikel 33

  • Onze Minister kan de erkenning als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming intrekken, indien het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming: a. zijn taken niet naar behoren heeft uitgevoerd; b. zijn statuten heeft gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister; c. zijn statuten niet binnen een door Onze Minister gestelde termijn in overeenstemming heeft gebracht met door Onze Minister aan haar kenbaar gemaakte gewijzigde vereisten voor goedkeuring van de statuten; d. heeft gehandeld in strijd met zijn statuten; e. handelingen heeft verricht die niet onder de statutaire doelstelling vallen. 2. Alvorens een erkenning op grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het College en de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid hierover advies uit te brengen.

Artikel 34

  • Onze Minister regelt in een besluit tot intrekking van de erkenning als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, voorzover nodig, de gevolgen van die intrekking, nadat hij het College en de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te brengen. 2. Een besluit tot intrekking bepaalt de dag waarop de intrekking ingaat en wordt in de Staatscourant geplaatst.

Artikel 35

Indien geen rechtspersoon als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming is erkend, kan Onze Minister, overeenkomstig daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels, een rechtspersoon als Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming instellen.

§ 2. Taken en bevoegdheden van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming

Artikel 36

Het Tïjdelijk instituut voor coördinatie en afstemming heeft tot taak: a. het bevorderen van een goed gecoördineerde uitvoering van wetten door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen; b. het bevorderen van samenwerking tussen de bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen onderling en tussen enerzijds bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen en anderzijds diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten, verband houdende met de werkzaamheden van bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen; c. het op verzoek of uit eigen beweging adviseren van Onze Minister over onderwerpen die verband houden met de uitvoering van wetten door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen; d. het beheren en administreren van de in artikel 1, onderdeel h, onder 1° tot en met 4°, bedoelde fondsen.

Artikel 37

Bij de uitoefening van de in artikei 36 bedoelde taak bevordert het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming onder meer dat: a. de kantoren waarin taken van de bedrijfsverenigingen door de bedrijfsverenigingen of de uitvoeringsinstellingen worden uitgeoefend, zoveel mogelijk bijeen zijn geplaatst in de werkgebieden van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening, bedoeld in artikel 9 van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402); b. de organisaties van de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zodanig zijn ingericht dat een goede coördinatie van uitvoeringswerkzaamheden mogelijk wordt; c. de administraties van de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zodanig zijn ingericht dat de daarin vastgelegde gegevens beschikbaar zijn in een bruikbare, geordende en uitwisselbare vorm; d. de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen aan elkaar en aan de in artikel 36, onder b, bedoelde diensten en instellingen de inlichtingen verstrekken die voor een goede coördinatie van uitvoeringswerkzaamheden nodig zijn.

Artikel 38

  • Het bestuur van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan, voor zover dit voor een goede vervulling van zijn taak nodig is, regels stellen die door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen in acht worden genomen. 2. Door het bestuur van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming krachtens het eerste lid gestelde regels treden niet in werking dan nadat deze in de Staatscourant zijn geplaatst.

HOOFDSTUK V. DE BEDRIJFSVERENIGINGEN EN DE UITVOERINGSINSTELLINGEN

§ 1. Erkenning als bedrijfsvereniging

Artikel 39

  • Onze Minister deelt het bedrijfs-en beroepsleven in onderdelen in, elk onderdeel omvattende één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan.
  • Indien Onze Minister besluittot wijziging van het onderdeel of de onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven waarover een bedrijfsvereniging haar werkzaamheden uitstrekt, regelt het bestuur van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, voor zover nodig, de gevolgen daarvan.

Artikel 4O

  • Een vereniging, opgericht door naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van werkgevers en van werknemers wordt door Onze Minister erkend als bedrijfsvereniging voor één of meer onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven en kan slechts ais zodanig worden erkend, indien: a. de vereniging blijkens haar statuten bij uitsluiting als doel heeft: 1° voor één of meer onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven uitvoering te geven aan de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke ziekengeldverzekeringen, de wettelijke werkloosheidsverzekeringen, de Toeslagenwet, de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Stb. 1986, 300), alsmede wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, voorzover die uitvoering niet bij of krachtens de wet aan anderen is opgedragen; 2° het vervullen van taken waarvoor door Onze Minster schriftelijk toestemming is verleend. b. het bestuur van de vereniging blijkens haar statuten bestaat uit een aantal leden dat is benoemd door naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van werkgevers en een gelijk aantal leden dat is benoemd door naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van werknemers; c. in de statuten is geregeld dat het College leden van het bestuur van de vereniging kan schorsen en ontslaan en dat ontslagen leden van het bestuur van de vereniging gedurende een periode van vier jaar na de datum van ontslag niet opnieuw benoembaar zijn; d. in de statuten is bepaald dat het bestuur van de vereniging, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels, een werkgever op zijn verzoek toestemming verleent om het risico van de wettelijke ziekengeldverzekering zelf te dragen; e. de statuten van de vereniging zijn goedgekeurd door Onze Minister en gepubliceerd in de Staatscourant; f. voor het desbetreffende onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven geen andere vereniging als bedrijfsvereniging is erkend. 2. Alvorens te oordelen over representatieve organisaties van werkgevers en van werknemers, als bedoeld in het eerste lid en alvorens een vereniging als bedrijfsvereniging te erkennen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid hierover advies uitte brengen. 3. Een besluit tot erkenning als bedrijfsvereniging bepaalt de dag waarop de erkenning ingaat en wordt in de Staatscourant geplaatst.

Artikel 41

  • Voor de erkenning van een vereniging als bedrijfsvereniging, bestemd voor één of meer onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven waartoe rijksdiensten behoren, wordt het Rijk beschouwd als representatieve organisatie van werkgevers. 2. Voor de erkenning van een vereniging als bedrijfsvereniging kan Onze Minister rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties aanmerken als representatieve organisaties van werkgevers, nadat hij de Sociaal-

Economische Raad in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te brengen.

Artikel 42

Indien voor een onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven geen vereniging als bedrijfsvereniging is erkend, kan Onze Minister bepalen dat de wetten die door bedrijfsverenigingen worden uitgevoerd, ten behoeve van dat onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven door een door Onze Minister aan te wijzen bedrijfsvereniging worden uitgevoerd, nadat hij de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te brengen.

Artikel 43

  • De statuten van een bedrijfsvereniging kunnen bepalen dat het bestuur van de bedrijfsvereniging bevoegd is, overeenkomstig daaromtrent in de statuten te stellen regels, een afdelingskas te vormen voor de ziekengeldverzekering op grond van de Ziektewet. 2. Een afdelingskas strekt ertoe een werkgever of meer werkgevers gezamenlijk, samen met zijn of hun bij de afdelingskas verzekerde werknemers, zelf het risico te doen dragen van de ziekengeldverzekering van die werknemers op grond van de Ziektewet. 3. Een afdelingskas maakt onderdeel uit van de bedrijfsvereniging en wordt beheerd door een bestuur. De bedrijfsvereniging kan dit bestuur belasten met taken als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Ziektewet, onder door haar te stellen regels.

Artikel 44

De in de statuten van een bedrijfsvereniging te stellen regels, bedoeld in artikel 43, eerste lid, betreffen in elk geval: a. de wijze waarop het bestuur van de afdelingskas wordt samengesteld; b. de taken die het bestuur van de afdelingskas dient uit te voeren of te doen uitvoeren; c. de wijze waarop geschillen tussen het bestuur van de afdelingskas en een verzekerde werknemer of werkgever worden behandeld; d. de opheffing van de afdelingskas en de afwikkeling daarvan.

Artikel 45

Indien in een bedrijfsvereniging een afdelingskas als bedoeld in artikel 43, eerste lid, is gevormd, stelt de bedrijfsvereniging de premies ten behoeve van de afdelingskas vast en bepaalt zij welk deel daarvan aan de bedrijfsvereniging dient te worden afgedragen tot dekking van de te haren laste komende uitgaven.

Artikel 46

In de statuten gestelde regels betreffende het toestaan dat een werkgever het risico van de ziekengeldverzekering op grond van de Ziektewet zelf draagt, bepalen in elk geval dat: a. hem ook wordt toegestaan op het loon van de bij hem in dienst zijnde werknemers een deel in te houden ter dekking van de uit de statuten of overige regelingen van de bedrijfsvereniging voor hem voortvloeiende lasten van de uitvoering van de ziekengeldverzekering op grond van de Ziektewet; b. hem niet wordt toegestaan op het loon van de bij hem in dienst zijnde werknemers een deel in te houden dat meer bedraagt dan de

premie die de verzekerde ingevolge artikel 60, tweede lid, van de Ziektewet verschuldigd zou zijn indien zijn werkgever het risico van deze ziekengeldverzekering niet zelf zou dragen.

Artikel 47

  • Onze Ministertrekt de erkenning als bedrijfsvereniging in, indien de bedrijfsvereniging a. daarom verzoekt; b. tot ontbinding besluit; c. in staat van faillissement wordt verklaard. 2. Alvorens de erkenning als bedrijfsvereniging op grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het College in de gelegenheid hierover advies uit te brengen.

Artikel 48

  • Onze Minister kan de erkenning als bedrijfsvereniging intrekken, indien de bedrijfsvereniging: a. haartaken niet naar behoren heeft uitgevoerd; b. haar statuten heeft gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister; c. haarstatuten niet binnen een door Onze Minister gestelde termijn in overeenstemming heeft gebracht met door Onze Minister aan haar kenbaar gemaakte gewijzigde vereisten voor goedkeuring van de statuten; d. heeft gehandeld in strijd met haar statuten; e. handelingen heeft verricht die niet onder de statutaire doelstelling vallen en waarvoor door Onze Minister geen toestemming als bedoeld in artikel 49 is verleend. 2. Alvorens een erkenning op grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het College en de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid hierover advies uitte brengen.

Artikel 49

Onze Minister kan aan een bedrijfsvereniging schriftelijk toestemming verlenen voor het vervullen van andere dan de in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde taken.

Artikel 50

  • Onze Minister regelt in een besluit tot intrekking van de erkenning als bedrijfsvereniging, voorzover nodig, de gevolgen van die intrekking, nadat hij het College en de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uitte brengen. 2. Een besluit tot intrekking bepaalt de dag waarop de intrekking ingaat en wordt in de Staatscourant geplaatst.

§ 2. Erkenning als uitvoeringsinstelling

Artikel 51

  • Onze Minister kan een rechtspersoon erkennen als uitvoeringsinstelling, indien: a. de rechtspersoon blijkens zijn statuten bij uitsluiting als doel heeft: 1° het uitvoeren van wetten waarvan de uitvoering aan de bedrijfsverenigingen is opgedragen; 2° het vervullen van taken waarvoor door Onze Minster schriftelijk toestemming is verleend.
  • de statuten van de rec'ntspersoon zijn goedgekeurd door Onze Minister en gepubliceerd in de Staatscourant. 2. Alvorens een rechtspersoon op grond van het eerste lid te erkennen als uitvoeringsinstelling, stelt Onze Minister het College in de gelegenheid hierover advies uit te brengen. 3. Een besluit tot erkenning als uitvoeringsinstelling bepaalt de dag waarop de erkenning ingaat en wordt in de Staatscourant geplaatst.

Artikel 52

  • Onze Minister trekt de erkenning als uitvoeringsinstelling in, indien de uitvoeringsinstelling a. daarom verzoekt; b. tot ontbinding besluit; c. in staat van faillissement wordt verklaard. 2. Alvorens een erkenning op grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het College in de gelegenheid hierover advies uitte brengen.

Artikel 53

  • Onze Minister kan de erkenning als uitvoeringsinstelling intrekken, indien de uitvoeringsinstelling: a. haar statuten heeft gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister; b. haar statuten niet binnen een door Onze Minister gestelde termijn in overeenstemming heeft gebracht met door Onze Minister aan haar kenbaar gemaakte gewijzigde vereisten voor goedkeuring van de statuten; c. heeft gehandeld in strijd met haar statuten; d. handelingen heeft verricht die niet onder de statutaire doelstelling vallen en waarvoor door Onze Minister geen toestemming als bedoeld in artikel 54 is verleend. 2. Alvorens een erkenning op grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister hetCollege in de gelegenheid hierover advies uitte brengen.

Artikel 54

Onze Minister kan aan een uitvoeringsinstelling schriftelijktoestemming verlenen voor het vervullen van andere dan de in artikel 51, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde taken.

Artikel 55

  • Onze Minister regelt in een besluit tot intrekking van de erkenning als uitvoeringsinstelling, voorzover nodig, de gevolgen van die intrekking, nadat hij het College en de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te brengen. 2. Een besluit tot intrekking bepaalt de dag waarop de intrekking ingaat en wordt in de Staatscourant geplaatst.

§ 3. Taken en bevoegdheden van de bedrijfsvereniging

Artikel 56

De bedrijfsvereniging heeft tot taak voor het onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven waarvoor zij is erkend als bedrijfsvereniging of waarvoor door Onze Minister is bepaald dat die uitvoering door haar geschiedt, uitvoering te geven aan de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloos-

heidsverzekering, de Toeslagenwet, de Wet arbeid gehandicapte werknemers, alsmede wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, voor zover die uitvoering niet bij of krachtens de wet aan anderen is opgedragen.

Artikel 57

  • De bedrijfsvereniging laat alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van beslissingen van de bedrijfsvereniging omtrent prestaties en verschuldigde premies, op grond van een schriftelijke overeenkomst, verrichten door ten hoogste één uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 51. 2. In een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval geregeld op welke wijze uitkeringsgerechtigden worden betrokken bij besluitvorming omtrent de wijze waarop wetten door de uitvoeringsinstelling ten aanzien van uitkeringsgerechtigden worden uitgevoerd. 3. Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, behoeft goedkeuring van het College.

Artikel 58

Elke ziekengeldkas, bedoeld in artikel 63 van de Ziektewet, en elk wachtgeldfonds, bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet, wordt afzonderlijk beheerd en geadministreerd.

Artikel 59

  • De bedrijfsvereniging draagt er zorg voor dat ten behoeve van de uitoefening van haartaak, met inachtneming van artikel 57, één uitvoeringsinstelling een administratie voert. 2. De uitvoeringsinstelling houdt in haar administratie aantekening van de bij de bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers, verzekerden en uitkeringsgerechtigden. 3. De in hettweede lid bedoelde instellingen stellen bij de uitoefening van hun taak de identiteit van verzekerden en uitkeringsgerechtigden vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taak. 4. In de administratie van de uitvoeringsinstelling wordt het sociaal-fiscaal nummer van de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde opgenomen. 5. De uitvoeringsinstelling verstrekt aan de verzekerde, uiterlijk binnen twee maanden na de aanvang van zijn werkzaamheden of de aanvang van de periode waarover loon wordt genoten, een bericht dat hem betreffende gegevens in de administratie worden opgenomen. 6. De uitvoeringsinstelling verstrekt aan de verzekerde en aan de uitkeringsgerechtigde regelmatig, een overzicht van de hem betreffende gegevens die in de administratie zijn opgenomen. 7. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van het in het vierde lid bedoelde bericht en met betrekking tot de inhoud en de tijdstippen van verstrekking van het in het vijfde lid bedoelde overzicht.

Artikel 60

  • Het sociaal-fiscaal nummer van een persoon dient tevens als registratienummer voor de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de uitvoering van wetten door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. 2. Onze Minister van Financiën kent, in overeenstemming met Onze

Minister, aan de verzekerden en de uitkeringsgerechtigden die niet reeds ten behoeve van de belastingheffing bij de rijksbelastingdienst zijn geregistreerd, een sociaal-fiscaal nummertoe.

Artikel 61

  • De bedrijfsvereniging verstrekt aan het Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en het College onverwijld opgave van de door haar vastgestelde premiepercentages, bedoeld in de artikelen 60 van de Ziektewet en 85 van de Werkloosheidswet, alsmede van de aan deze vaststelling ten grondslag liggende berekeningen en ramingen. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde percentages worden vastgesteld, alsmede omtrent de daarbij te hanteren berekeningen en ramingen.

Artikel 62

  • De bedrijfsvereniging stelt een reglement van werkzaamheden vast waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze uitkeringsgerechtigden worden betrokken bij de besluitvorming omtrent de wijze waarop wetten ten aanzien van uitkeringsgerechtigden door de bedrijfsvereniging worden uitgevoerd. 2. Het reglement van werkzaamheden wordt openbaar gemaakt door terinzagelegging bij de bedrijfsvereniging.

Artikel 63

  • De bedrijfsverenigingen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen. 2. De bedrijfsverenigingen zenden jaarlijks vóór een door Onze Minister vast te stellen tijdstip aan Onze Minister een rapportage van de wijze waarop zij met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie hebben samengewerkt. Onze Minister kan regels stellen omtrent de aard en inrichting van deze rapportage. 3. De bedrijfsverenigingen dragen zoveel mogelijk zorg voor samenwerking met elkaar, met gemeenten en met andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten, verband houdende met werkzaamheden van de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. 4. De bedrijfsverenigingen brengen afspraken die zij met elkaar, met gemeenten of met andere diensten of instellingen maken teneinde tot afstemming, samenwerking of anderszins tot een betere uitoefening van hun taken te komen, ter kennis van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

§ 4. Aansluiting van werkgevers bij bedrijfsverenigingen

Artikel 64

  • Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de bedrijfsvereniging die haar taak uitoefent voor één of meer onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. 2. Indien een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven waarvoor verschillende bedrijfsverenigingen hun taken uitoefenen, is hij van rechtswege aangesloten bij de bedrijfsvereniging die haar taak uitoefent voor het onderdeel of de onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven waartoe de

werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon betaalt of vermoedelijk zal betalen. 3. De werkgever die ingevolge het eerste of tweede lid bij een bedrijfsvereniging is aangesloten of ophoudt bij die bedrijfsvereniging aangesloten te zijn, doet daarvan schriftelijk melding bij die bedrijfsvereniging, binnen een door het Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming te stellen termijn. 4. De bedrijfsvereniging schrijft een werkgever over naar een andere bedrijfsvereniging, indien zij van oordeel is dat die werkgever bij die andere bedrijfsvereniging behoort te zijn aangesloten. 5. Tegen een besluit van een bedrijfsvereniging, inhoudende dat de werkgever ingevolge het eerste of tweede lid bij die bedrijfsvereniging is aangesloten of dat hij ingevolge hetvierde lid naareen andere bedrijfsvereniging wordt overgeschreven, kan een belanghebbende beroep instellen bij het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

Artikel 65

  • Het Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan met betrekking tot de aansluiting van één of meer categorieën van werkgevers bij een bedrijfsvereniging regels stellen die afwijken van artikel 64, eerste en tweede lid. Deze regels behoeven goedkeuring van Onze MinisNr. 2. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan, indien hij dit nodig acht, beslissen bij welke bedrijfsvereniging en vanaf welke datum een werkgever ingevolge artikel 64, eerste en tweede lid, is aangesloten. 3. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan, in afwijking van artikel 64, tweede lid, uit eigen beweging of op verzoek van een werkgever, besluiten dat deze met ingang van een door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming aan te geven datum voor door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming aan te wijzen werkzaamheden, behorende tot het onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven dat ressorteert onder een andere bedrijfsvereniging, is aangesloten bij die bedrijfsvereniging. 4. De bedrijfsverenigingen zijn gehouden te handelen overeenkomstig een door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming op grond van het tweede of derde lid genomen besluit.

Artikel 66

  • Indien één of meer werkgevers van een bedrijfsvereniging overgaan naar een andere bedrijfsvereniging, kan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming besluiten dattevens een deel van het vermogen van de bedrijfsvereniging, waaronder begrepen een deel van het wachtgeldfonds en een deel van de ziekengeldkas van die bedrijfsvereniging, overgaat naar de andere bedrijfsvereniging en haar wachtgeldfonds respectievelijk haar ziekengeldkas. 2. Met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid stelt het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming regels omtrent: a. de gevallen waarin vermogen overgaat; b. de wijze van berekening van vermogensbestanddelen; c. de termijnen waarin en de wijze waarop vermogen overgaat. 3. De regels, bedoeld in het tweede lid, behoeven goedkeuring van het College.

Artikel 67

Tegen een beslissing van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming op grond van artikel 64, vijfde lid, artikel 65, tweede of derde

lid, of artikel 66, eerste lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

S 5. De uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet door overheidspensioenlichamen

Artikel 68

  • Voor de toepassing van de artikelen 10, 12, aanhef en onder a, 13, 16, 17, eerste en tweede lid, 36, aanhef en onderdelen a en b, 38, 75, 78, eerste, vierde en vijfde lid, alsmede de artikelen in hoofdstuk VI, § 2 en § 3, worden de overheidspensioenlichamen, voor zover zij artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet uitvoeren, gelijkgesteld met bedrijfsverenigingen. 2. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Defensie, worden nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

HOOFDSTUK VI. FONDSBEHEER, UITVOERINGSKOSTEN EN VERSLAGLEGGING

§ 1. Fondsbeheer

Artikel 69

  • De Bank en het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming beheren en administreren elkfonds afzonderlijk. 2. Indien met betrekking tot een fonds de lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het tekort niet gedekt uit een ander fonds. 3. Indien in een fonds de middelen ter dekking van de uitgaven die ten laste komen van dat fonds tijdelijk te kort schieten en tegelijkertijd in een ander fonds meer middelen aanwezig zijn dan nodig is ter dekking van de uitgaven die ten laste komen van dat fonds, kan het College besluiten dat middelen uit laatstbedoeld fonds worden aangewend voor uitgaven die ten laste komen van eerstbedoeld fonds. 4. Een besluit van het College als bedoeld in het derde lid, bevat de termijn waarbinnen middelen uit het in het derde lid eerstbedoelde fonds worden overgeheveld naar het in het derde lid laatstbedoelde fonds. 5. De waarde van de in het vierde lid bedoelde middelen is gelijk aan de waarde van de middelen die worden aangewend krachtens een besluit van het College op grond van het derde lid. 6. Met betrekking tot het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid kan Onze Minister nadere regels stellen omtrent: a. de periode gedurende welke ten hoogste middelen uit het ene fonds kunnen worden aangewend voor uitgaven ten laste van het andere fonds; b. de omvang van de middelen die worden aangewend ingevolge een besluit van het College als bedoeld in het derde lid en de rente die over deze middelen wordt berekend; c. de termijnen waarbinnen en de wijze waarop de in het vierde lid bedoelde middelen en de onder b bedoelde rente worden overgeheveld naar het fonds waaruit middelen werden aangewend ingevolge een besluit van het College als bedoeld in het derde lid. 7. Indien in een fonds tijdelijk onvoldoende middelen aanwezig zijn ter dekking van de uitgaven die ten laste komen van dat fonds en voor die uitgaven geen middelen kunnen worden aangewend uit een ander fonds, kan de Bank onderscheidenlijk het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, onder goedkeuring van het College, besluiten voor die uitgaven leningen aan te gaan.
  • Indien in een fonds tijdelijk onvoldoende middelen aanwezig zijn ter dekking van de uitgaven die ten laste komen van dat fonds en voor deze uitgaven geen middelen kunnen worden aangewend uit een anderfonds en geen leningen op de kapitaalmarkt kunnen worden aangegaan, verstrekt het Rijk voor die uitgaven leningen aan de Bank onderscheidenlijk het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming tegen een door Onze Minister vast te stellen rente. 9. Indien in een wachtgeldfonds tijdelijk niet voldoende middelen aanwezig zijn tot dekking van de uitgaven die ten laste komen van dat wachtgeldfonds, verstrekt het Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds leningen voor de duur van ten hoogste een jaar tegen een rente. 10. Indien in een ziekengeldkas tijdelijk niet voldoende middelen aanwezig zijn tot dekking van de uitgaven die ten laste komen van die ziekengeldkas, verstrekt het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds leningen voor de duur van ten hoogste een jaar tegen een rente. 11. Het College stelt regels omtrent de voorwaarden waaronder de in het negende en tiende lid bedoelde leningen worden verstrekt en de rente.

Artikel 7O

Met betrekking tot besluiten van de Bank of het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming als bedoeld in artikel 69, zevende lid, kan Onze Minister nadere regels stellen.

Artikel 71

  • Met betrekking tot verstrekking van leningen, als bedoeld in artikel 69, achtste lid, stelt Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, nadere regels. 2. De in het eerste lid bedoelde regels betreffen in elk geval: a. de omvang die de leningen ten hoogste hebben; b. de periode gedurende welke leningen ten hoogste worden verstrekt; c. de termijnen waarbinnen de leningen worden afgelost; d. de wijze waarop de leningen worden afgelost; e. de rente die aan de Bank onderscheidenlijk het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming in rekening wordt gebracht; f. de door de Bank onderscheidenlijk het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming aan Onze Ministerte verstrekken inlichtingen in verband met de verstrekking van leningen.

Artikel 72

Indien de Bank of een bedrijfsvereniging met betrekking tot verplichtingen ten laste van een fonds niet meer tot betaling in staat is, is het Rijk tegenover degenen die recht op uitkering hebben op grond van wetten waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Bank of de bedrijfsvereniging, aansprakelijk voor de betaling van de uitkering.

Artikel 73

  • Jaarlijks vóór een door Onze Minister vast te stellen tijdstip zenden de Bank en het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming aan Onze Minister en het College met betrekking tot elk fonds afzonderlijk: a. een rapportage van de ontwikkelingen die zich tot op dat moment hebben voorgedaan met betrekking tot de financiële middelen en de gerealiseerde uitgaven;
  • een begroting van de te verwachten uitgaven uit elk afzonderlijk fonds in het eerstvolgend kalenderjaar; c. een advies omtrent de vast te stellen premiepercentages in verband met de voorgenomen financiering van de begrote uitgaven. 2. Onze Minister kan, na overleg met het College, regels stellen omtrent de aard en inrichting van de in het eerste lid bedoelde rapportage, van de begroting van uitgaven en van het advies omtrent de vast te stellen premiepercentages.

Artikel 74

Onze Minster kan, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels stellen over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan de fondsen die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd.

Artikel 75

  • De bedrijfsverenigingen zenden maandelijks, met betrekking tot elk fonds afzonderlijk, overzichten van de ontvangsten en uitgaven in de afgelopen maand aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, waarbij zij ingaan op relevante afwijkingen ten opzichte van eerder gemaakte ramingen. 2. Indien de bedrijfsvereniging verwacht dat een overzicht van de volgende maand zal afwijken van een overzicht van de huidige maand, vermeldt zij dit bij het overzicht van de huidige maand. 3. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan regels stellen omtrent de aard en inrichting van de in het eerste lid bedoelde overzichten.

Artikel 76

Onze Minister kan met betrekking tot de door de Bank en het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming beheerde fondsen regels stellen betreffende: a. de onderscheiding van het vermogen van het fonds in verschillende bestanddelen en de normen tot vaststelling van de omvang van deze bestanddelen; b. de vorming, omvang en instandhouding van reserves; c. de belegging van gelden; d. het verstrekken van geldleningen of geldelijke bijdragen; e. het opnemen van openbare of onderhandse geldleningen.

Artikel 77

  • HetTijdelijk instituut voorcoördinatie en afstemming houdt een rekeningcourant aan van de geldelijke betrekkingen tussen het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en de bedrijfsverenigingen. 2. Het College stelt regels met betrekking tot het aanhouden van een rekeningcourant als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 78

  • Het College gaat na of bedragen die door de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling ten laste of ten gunste van een fonds, een wachtgeldfonds of een ziekengeldkas worden gebracht, in overeenstemming zijn met daaromtrent gestelde regels en daaraan redelijkerwijs te stellen eisen. 2. Indien het College van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde overeenstemming ontbreekt met betrekking tot bedragen die door de

Bank ten laste van een fonds zijn gebracht, doet hij hiervan mededeling aan de Bank. 3. Indien het College van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde overeenstemming ontbreekt met betrekking tot bedragen die door een bedrijfsvereniging ten laste van een wachtgeldfonds of ziekengeldkas zijn gebracht, doet hij hiervan mededeling aan de bedrijfsvereniging. 4. Indien het College van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde overeenstemming ontbreekt met betrekking tot bedragen die door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming ten laste van een fonds zijn gebracht, doet hij hiervan mededeling aan hetTijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en de betrokken bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling en deelt hij aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming mede welke bedragen het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming ten laste of ten gunste van het fonds dient te brengen. 5. Bij de toepassing van het vierde lid kan het College aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming opdragen dat betalingen aan een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling ten laste van het desbetreffende fonds, geheel of gedeeltelijk worden opgeschort. 6. De bedrijfsvereniging kan bedragen die, in gevallen als bedoeld in het vierde lid, nietten laste van een in artikel 1, onderdeel h, onder 1°, 2°, 3° of 4° bedoeld fonds kunnen worden gebracht, ten laste brengen van een wachtgeldfonds of een ziekengeldkas.

§ 2. De uitvoeringskosten

Artikel 79

  • Het College biedt jaarlijks vóór 1 augustus een begroting van zijn uitvoeringskosten in het eerstvolgende kalenderjaar aan Onze Minister aan. 2. De Bank en het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming bieden jaarlijks vóór 1 augustus een begroting van hun uitvoeringskosten in het eerstvolgende kalenderjaar aan het College aan. 3. De bedrijfsverenigingen bieden jaarlijks vóór 1 augustus een begroting van hun uitvoeringskosten in het eerstvolgende kalenderjaar aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming aan.

Artikel 80

  • De in artikel 79 bedoelde begrotingen worden ingedeeld naar de kostensoorten personeel en materieel. 2. De in het eerste lid bedoelde kostensoorten worden zodanig gespecificeerd en toegelicht dat een overzichtelijk beeld ontstaat van de samenstelling ervan, van de samenhang met de andere kostensoort en van de relatie met het niveau van de dienstverlening. 3. De in het eerste lid bedoelde begrotingen gaan vergezeld van een analyse van de uitvoeringskosten in het lopende kalenderjaar en van een onderbouwde raming van de uitvoeringskosten in de vier jaren die volgen op het eerstvolgende kalenderjaar.

Artikel 81

  • Onze Minister kan regels stellen omtrent de inrichting van de in artikel 79, eerste lid, bedoelde begroting, alsmede omtrent de in die begroting op te nemen gegevens. 2. Het College kan regels stellen ten aanzien van de inrichting van de in

artikel 79, tweede en derde lid, bedoelde begrotingen, alsmede ten aanzien van de in die begrotingen op te nemen gegevens.

Artikel 82

  • Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het budget voor de uitvoeringskosten van het College in het eerstvolgende kalenderjaar vast. 2. Het College stelt jaarlijks vóór 1 december de budgetten voor de uitvoeringskosten van de Bank en het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming in het eerstvolgende kalenderjaar vast. 3. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt jaarlijks vóór 1 december de budgetten voor de uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen in het eerstvolgende kalenderjaar vast. 4. Het College brengt de op grond van het tweede lid genomen besluiten ter kennis van Onze MinisNr. 5. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming brengt de op grond van het derde lid genomen besluiten ter kennis van het College.

Artikel 83

  • Onze Minister kan besluiten het budget voor de uitvoeringskosten van het College in het lopende kalenderjaar te wijzigen. 2. Het College kan besluiten het budget voor de uitvoeringskosten van de Bank of het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming in het lopende kalenderjaar te wijzigen. 3. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming kan besluiten het budget voor de uitvoeringskosten van een bedrijfsvereniging in het lopende kalenderjaar te wijzigen. 4. Het College brengt een besluit als bedoeld in het tweede lid ter kennis van Onze MinisNr. 5. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming brengt een besluit als bedoeld in het derde lid ter kennis van het College.

Artikel 84

  • Het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en de bedrijfsverenigingen mogen met betrekking tot het personeel en materieel geen verplichtingen aangaan of uitgaven doen die het voor hen vastgestelde budget overschrijden. 2. Wanneer het budget voor de uitvoeringskosten van het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming of een bedrijfsvereniging niet is vastgesteld vóór 1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, zijn het College, de Bank, het Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming of de desbetreffende bedrijfsvereniging bevoegd, teneinde hun activiteiten gaande te houden, te beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van het budget dat laatstelijk voor hen voor een geheel jaar is vastgesteld. 3. Onze Minister kan besluiten dat een in hettweede lid bedoelde rechtspersoon, in een geval als bedoeld in het tweede lid, kan beschikken over meer dan vier twaalfde gedeelten van het budget dat laatstelijk voor deze rechtspersoon voor een geheel jaar is vastgesteld.

Artikel 85

  • De uitvoeringskosten van het College worden toegerekend aan de Bank en de bedrijfsverenigingen. Onze Minister kan hieromtrent regels stellen. 2. De uitvoeringskosten van de Bank worden toegerekend aan het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenfonds, het Algemeen

Kinderbijslagfonds, het Ouderdomsfonds B en het Invaliditeits-en Ouderdomsfonds. 3. De uitvoeringskosten van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming worden toegerekend aan de bedrijfsverenigingen. 4. De uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen worden toegerekend aan de in artikel 1, onderdeel h, onder 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde fondsen, alsmede aan de wachtgeldfondsen en ziekengeldkassen. 5. Het College stelt regels omtrent de in het tweede, derde en vierde lid bedoelde toerekening van uitvoeringskosten. Deze regels behoeven goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 86

Tegen een besluit op grond van artikel 82, 83 of 84, derde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

§ 3. Verslaglegging

Artikel 87

  • Het boekjaar van het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen loopt van 1 januari tot en met 31 decemNr. 2. Het College stelt jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening en jaarverslag over het verstreken boekjaar vast. 3. Onze Minister kan regels stellen omtrent de inrichting van de jaarrekening en het jaarverslag van het College en de daarin te verwerken gegevens. 4. De Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen stellen jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening en het jaarverslag over het verstreken boekjaar vast en bieden deze aan het College aan. 5. De Bank, het Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stellen jaarlijks vóór 1 juli voor elk fonds afzonderlijk de jaarrekening en het jaarverslag over het verstreken boekjaar vast en bieden deze aan het College aan. 6. De jaarrekeningen en jaarverslagen van de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen worden vastgesteld met inachtneming van de door het College te stellen regels. Deze regels betreffen in elk geval de grondslagen voor de waardering van activa en passiva, alsmede voor de bepaling van het resultaat.

Artikel 88

  • Elke rechtspersoon, bedoeld in artikel 87, eerste lid, geeft aan een deskundige als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, opdracht tot onderzoek van elke jaarrekening die de rechtspersoon vaststelt. De opdracht kan worden gegeven aan een organisatie waarin deskundigen als bedoeld in de vorige volzin samenwerken. 2. De deskundige, bedoeld in riet eerste lid, geeft de uitslag van zijn onderzoek in een verklaring weer. De verklaring wordt aan de jaarrekening gehecht.

Artikel 89

  • De jaarrekeningen en jaarverslagen van het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen, waaronder begrepen de in artikel 87, vijfde

lid, bedoelde jaarrekeningen en jaarverslagen, worden door het College vóór 1 november aan Onze Minister aangeboden. 2. Het College biedt jaarlijks vóór 1 november een verklaring over de rechtmatigheid van uitgaven en ontvangsten over het afgelopen boekjaar aan Onze Minister aan. De verklaring wordt verbijzonderd naar de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. 3. Ten behoeve van de verklaring bedoeld in het tweede lid biedt de Rijksbelastingdienst jaarlijks vóór 1 oktober een verklaring omtrent de rechtmatigheid van de ontvangen premies van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet aan het College aan. 4. Onze Minister kan regels stellen omtrent de reikwijdte en strekking die de in hettweede en derde lid bedoelde verklaringen dienen te hebben. 5. Onze Minister brengt zijn oordeel over de jaarrekeningen en jaarverslagen van het College, alsmede zijn oordeel over de in het tweede lid bedoelde verklaring van rechtmatigheid, ter kennis van het College. 6. Onze Minister brengt de jaarrekeningen en jaarverslagen van het College, de in het tweede lid bedoelde verklaring van rechtmatigheid, alsmede zijn in het vijfde lid bedoelde oordelen, ter kennis van de beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 90

  • De Bank draagt op door Onze Minister vast te stellen tijdstippen zorg voor een liquidatiebalans van de verzekeringen, geregeld in de Ouderdomswet 1919 in verbinding met de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919 en in de Invaliditeitswet in verbinding met de Liquidatiewet invaliditeitswetten. 2. In elk kalenderjaar draagt de Bank zorg voor een balans van de vrijwillige ouderdomsverzekering, geregeld in de Ouderdomswet 1919 in verbinding met de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919. 3. Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de in het eerste en tweede lid genoemde balansen.

HOOFDSTUK VII. GEGEVENSVERSTREKKING EN GEHEIMHOUDING § 1. Verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen, de uitvoeringsinstellingen en werkgevers

Artikel 91

  • Een ieder verstrekt op verzoek aan het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wetten door de desbetreffende rechtspersoon ten opzichte van: a. hemzelf; b. hem in wiens dienst dan wel ten behoeve van wie hij werkt of gewerkt heeft; c. hem die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve werkt of gewerkt heeft. 2. De in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen worden op verzoek verstrekt in schriftelijke vorm, of in een andere vorm die redelij-

kerwijs kan worden verlangd, binnen een termijn die schriftelijk wordt gesteld bij het in het eerste lid bedoelde verzoek. 3. Een ieder geeft op verzoek aan een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, inzage in alle bescheiden en andere gegevensdragers, stelt deze op verzoek ter beschikking voor het nemen van afschrift en verleent de terzake verlangde medewerking, voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van wetten door de desbetreffende rechtspersoon. 4. Een ieder verstrekt op verzoek terstond aan de in het eerste lid genoemde rechtspersonen inzage in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten door de desbetreffende rechtspersoon.

Artikel 92

  • De werkgever voert een zodanige administratie dat hij aan de bedrijfsvereniging de inlichtingen kan verstrekken die noodzakelijk zijn voor de administratie die de bedrijfsvereniging ingevolge artikel 59 voert of doet voeren. 2. De werkgever verlangt van de verzekerde alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wetten door de bedrijfsvereniging ten aanzien van de verzekerde zelf en verstrekt deze gegevens en inlichtingen aan de bedrijfsvereniging. 3. De werkgever stelt bij de uitvoering van zijn verplichting bedoeld in het tweede lid, de identiteit van de verzekerde vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en neemt daarvan de aard, het nummer en een afschrift op in de administratie. 4. De werkgever treft in zijn bedrijf zodanige maatregelen dat de daar werkzame personen gedurende de arbeidstijd aan de verplichting bedoeld in artikel 91, vierde lid, kunnen voldoen.

Artikel 93

De werkgever deelt binnen één maand na aanvang of beëindiging van werkzaamheden door een verzekerde, alsmede na wijziging in de arbeidsverhouding met de verzekerde, aan de bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling die aanvang, beëindiging of wijziging mede.

Artikel 94

  • De verzekerde verstrekt op verzoek aan de werkgever de door deze op grond van artikel 92, tweede lid, verlangde gegevens en inlichtingen. 2. De verzekerde verstrekt een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aan de werkgever ter inzage. 3. Indien de verzekerde weigert de op grond van artikel 92, tweede lid, verlangde gegevens en inlichtingen aan de werkgeverte verstrekken, doet de werkgever hiervan mededeling aan de bedrijfsvereniging.

Artikel 95

  • Indien het in artikel 59, vierde lid, bedoelde bericht of het in artikel 59, vijfde lid, bedoelde overzicht, gegevens bevat die niet juist of niet volledig zijn, doet de verzekerde of de uitkeringsgerechtigde hiervan binnen één maand na ontvangst van dit bericht of dit overzicht schriftelijk mededeling aan de bedrijfsvereniging of de uitvoeringsinstelling. 2. Indien de verzekerde het in artikel 59, vierde lid, bedoelde bericht niet binnen de in dat lid bedoelde periode heeft ontvangen en redelijkerwijs

kon weten dat hij dit bericht had behoren te ontvangen, doet hij hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de bedrijfsvereniging of de uitvoeringsinstelling. 3. Indien de verzekerde weet of redelijkerwijs kon weten dat de werkgever niet of niet op de juiste wijze voldoet aan een hem in artikel 92, tweede lid, of artikel 93 opgelegde verplichting, doet hij hiervan uit eigen beweging mededeling aan de bedrijfsvereniging.

Artikel 96

Met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 92 tot en met 95 stelt Onze Minister nadere regels, na overleg met Onze Minister van Financiën.

Artikel 97

Alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen of de uitvoeringsinstellingen, worden aan het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatieen afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen op verzoek, kosteloos, verstrekt door: a. de gemeentebesturen, de belastingdienst, alsmede degene aan wie op grond van artikel 31a van de Arbeidsomstandighedenwet een certificaat als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van die wet is verleend, de Ziekenfondsraad, de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 4 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1992, 391); b. het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, de bedrijfspensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden, en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 6 van de Toeslagenwet als inkomen worden aangemerkt; c. de Kamers van Koophandel en de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening; d. het hoofd van de plaatselijke politie in de zin van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40).

Artikel 98

Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, verstrekken op verzoek, kosteloos, aan het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen alle gegevens, inlichtingen en uittreksels uit of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wetten door de desbetreffende rechtspersoon.

Artikel 99

De werkgever maakt aan zijn verzekerden bekend: a. de naam en het adres van de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever is aangesloten; b. de verplichting tot ziekmelding op grond van de Ziektewet en de verplichtingen die voor de verzekerden voortvloeien uit de Ziektewet; c. het percentage van het loon dat ter zake van de premiebetaling voor de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet wordt ingehouden.

  • Geheimhouding

Artikel 100

  • Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling, en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht, uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit dan wel bij of krachtens deze wet gestelde regels hem mededeling toestaan. 2. Het eerste lid is mede van toepassing op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die door het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling worden betrokken bij de uitvoering van hun taken, en op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die een bij of krachtens de wet toegekende taak uitoefenen.

§ 3. Verstrekking van gegevens en inlichtingen door het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen

Artikel 101

Indien het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling bij de uitvoering van een wet, het gegronde vermoeden krijgt dat het uitbetaalde loon en de vakantiebijslag van een verzekerde minder bedragen dan waarop hij ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) als minimumloon aanspraak heeft, doet het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsvereniging of de uitvoeringsinstelling hiervan mededeling aan de verzekerde en de ambtenaren bedoeld in artikel 18b van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Artikel 102

  • Het College, de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd op verzoek uit de door hen of in hun opdracht gevoerde administratie, aan bedrijfspensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden of bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen instellingen of collectieve voorzieningen voor werknemers, de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de statuten en reglementen van die fondsen, die stichtingen of bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen instellingen of voorzieningen, voorzover de persoon op wie de gegevens betrekking hebben daartoe schriftelijk toestemming heeft verleend. 2. Het College, de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verstrekken, na schriftelijke machtiging door degene op wie de gegevens betrekking hebben, op verzoek aan degene aan wie op grond van artikel 31a van de Arbeidsomstandighedenwet een certificaat, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van die wet is verleend, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet.
  • De schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan schriftelijk worden ingetrokken. 4. Indien het belang van gegevensverstrekking als bedoeld in het eerste lid, opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de gegevens betrekking hebben, kan de verstrekking van die gegevens, zonder de in het eerste lid bedoelde toestemming, op verzoek, plaatsvinden aan organen en instellingen, belast met de uitvoering van pensioenvoorzieningen.

Artikel 103

  • Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld in welke gevallen het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verplicht of bevoegd zijn tot verstrekking van gegevens aan bestuursorganen en in hoeverre kosten voor de verstrekking van die gegevens in rekening mogen worden gebracht. 2. De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats, voorzover het belang van die gegevensverstrekking niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de gegevens betrekking hebben. 3. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen gevallen worden beschreven waarin het belang van verstrekking van gegevens opweegttegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

HOOFDSTUK VIII. GOEDKEURING, SCHORSING EN VERNIETIGING

Artikel 1O4

  • Een besluit dat goedkeuring behoeft ingevolge een wet die wordt uitgevoerd door het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling, treedt niet eerder in werking dan met ingang van de dag, volgende op de dag waarop de goedkeuring is verleend. 2. Goedkeuring die is vereist op grond van een wet als bedoeld in het eerste lid, kan noch voor bepaalde tijd of onder voorwaarden worden verleend, noch worden ingetrokken. 3. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, kan niet gedeeltelijk worden goedgekeurd, tenzij aard en inhoud van het besluit zich daartegen niet verzetten. 4. Tenzij in de wet anders is bepaald, kan goedkeuring die is vereist op grond van een wet als bedoeld in het eerste lid, slechts worden onthouden indien het besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, in strijd is met het recht of niet voldoet aan eisen van doelmatigheid. 5. Gedeeltelijke goedkeuring en onthouding van goedkeuring geschieden bij een met redenen omkleed besluit. 6. Tot gedeeltelijke goedkeuring of onthouding van goedkeuring wordt niet overgegaan dan nadat het bestuur van de rechtspersoon, waarvan het besluit aan goedkeuring is onderworpen, gelegenheid tot overleg is geboden.

Artikel 105

  • De beslissing omtrent goedkeuring van een besluit dat aan goedkeuring van Onze Minister of het College is onderworpen, wordt binnen drie maanden na de verzending ter goedkeuring genomen en meegedeeld aan de rechtspersoon die het besluit heeft genomen.
  • Onze Minister of het College kan zijn beslissing omtrent goedkeuring eenmaal voor ten hoogste drie maanden verdagen. 3. De goedkeuring wordt geacht te zijn verleend, indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn geen beslissing of geen besluit tot verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor de beslissing is verdaagd, geen beslissing aan de rechtspersoon die het besluit heeft genomen, is verzonden.

Artikel 106

  • Een besluit van het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling kan bij koninklijk besluit worden vernietigd voor zover dit besluit met het recht of het algemeen belang is strijd is. 2. Gedurende het onderzoek naar mogelijke redenen voor vernietiging, kan een besluit bij koninklijk besluit worden geschorst. 3. Een besluit kan niet gedeeltelijk worden geschorst of vernietigd, tenzij aard en inhoud van het besluit zich daartegen niet verzetten. 4. Een besluit dat nog goedkeuring behoeft, kan niet worden geschorst of vernietigd. 5. Een besluit ten aanzien waarvan een verzoek om een administratiefrechtelijke voorziening aanhangig of nog mogelijk is, kan niet worden vernietigd. 6. Een besluit waarover de rechter een uitspraak heeft gedaan, of waarbij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd, kan niet worden vernietigd op rechtsgronden welke in strijd zijn met die waarop de uitspraak steunt of mede steunt. 7. Een besluit tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling kan niet worden geschorst of vernietigd, indien drie maanden zijn verstreken na de dag waarop het is genomen. Indien binnen deze termijn schorsing heeft plaatsgevonden, blijft vernietiging binnen de duurvan de schorsing mogelijk. 8. Indien een besluit tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling aan goedkeuring is onderworpen, vangt de in het zevende lid genoemde termijn aan op de dag na die van de goedkeuring. Ten aanzien van het goedkeuringsbesluit is het zevende lid van overeenkomstige toepassing. 9. Indien een besluit naar het oordeel van het College voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat hette zijner kennis is gekomen, mededeling aan Onze Minister. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast. 10. Het College draagt zorg voor de totstandkoming van stukken waaruit de gronden voor zijn in het negende lid bedoelde oordeel blijken en zendt deze stukken, binnen een week na de in het negende lid bedoelde mededeling, aan Onze MinisNr. 11. Het besluitten aanzien waarvan het negende lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister de mededeling is ontvangen dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen een maand na dagtekening van de in het negende lid bedoelde kennisgeving, is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd. 12. Het besluit tot schorsing bepaalt de duur hiervan. 13. De schorsing van een besluit kan worden verlengd en kan, ook na verlenging niet langer duren dan een jNr. 14. Indien de Kroon voor het verstrijken van de termijn, bedoeld in het dertiende lid, advies heeft gevraagd aan de Raad van State omtrent een ontwerp-besluit tot vernietiging, kan zij die termijn eenmaal met ten hoogste drie maanden verlengen. 15. Indien een verzoek om een administratiefrechtelijke voorziening

aanhangig is tegen de geschorste bepalingen, duurt de schorsing, behoudens eerdere opheffing, tot drie maanden nadat op dat verzoek onherroepelijk is beslist. 16. Een besluit dat geschorst is kan, nadat de schorsing is geëindigd, niet meer worden vernietigd. 17. Schorsing stuit onmiddelijk de werking van het geschorste besluit. 18. Zolang een besluit tot het aangaan van een overeenkomst is geschorst, wordt deze, zo zij reeds is aangegaan, niet of niet verder uitgevoerd. 19. Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst, wordt dit door de rechtspersoon die het besluit heeft genomen, bekend gemaakt.

Artikel 107

  • De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door Onze MinisNr. 2. De voordracht wordt niet gedaan dan nadat Onze Minister het bestuur van de rechtspersoon die het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg heeft geboden. 3. Het koninklijk besluit tot vernietiging wordt met redenen omkleed. 4. Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst. 5. Vernietiging van een besluit strekt zich uittot alle rechtsgevolgen daarvan en werkt terug tot het tijdstip waarop het besluit is tot stand gekomen. In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of ten dele in stand blijven. 6. Indien een besluit tot het aangaan van een overeenkomst wordt vernietigd, wordt de overeenkomst, zo zij reeds is aangegaan en voor zover in het koninklijk besluit niet anders is bepaald, niet of niet verder uitgevoerd door de rechtspersoon die het besluit heeft genomen, onverminderd het recht van de wederpartij op schadevergoeding.

HOOFDSTUK IX. STRAFBEPALINGEN EN ANDERE BEPALINGEN

Artikel 108

Overtreding van artikel 64, derde lid, 91, 94, 95 of 99 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 109

  • Overtreding van artikel 92 of 93 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. 2. Indien overtreding van artikel 92 of 93 opzettelijk geschiedt, wordt dit gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van de vierde categorie, hetzij met een van deze straffen.

Artikel 110

Hij, die op grond van bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een veklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehou-

denheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 111

  • De in artikel 109, tweede lid, en 110 bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven beschouwd. 2. De in artikel 108, en 109, eerste lid, bedoelde strafbare feiten worden als overtredingen beschouwd.

Artikel 112

Met de opsporing van feiten die zijn strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens wetten waarvan de uitvoering bij of krachtens deze wet is opgedragen aan de Bank en de bedrijfsverenigingen, zijn belast, behalve de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, aangewezen personen.

Artikel 113

  • De in attikel 112 bedoelde personen hebben toegang tot alle plaatsen, indien de betreding van die plaatsen redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. 2. Wordt aan de in artikel 112 bedoelde personen de toegang geweigerd of belemmerd of wordt niet geantwoord op hun aanmelding tot toelating, dan verschaffen zij zich toegang, desnoods met inroeping van de sterke arm. 3. De artikelen 121 tot en met 123 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 114

  • Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen waarmee wordt bevorderd dat zo min mogelijk een beroep behoeft te worden gedaan op wetten die de bedrijfsvereniging uitvoert. 2. Tijdelijke voorzieningen als bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op samenwerking tussen een bedrijfsvereniging en: a. een of meer andere bedrijfsverenigingen; b. één of meer Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening; c. één of meer gemeenten; d. één of meer diensten of instellingen die werkzaamheden verrichten, verband houdende met de werkzaamheden van bedrijfsverenigingen.

Artikel 115

  • Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval het College uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van de wet, voorzieningen worden getroffen voor het geval de Bank, het

Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming of een bedrijfsvereniging uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.

Artikel 116

De reglementen, bedoeld in de artikelen 8 en 26 worden in de Staatscourant geplaatst.

Artikel 117

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluitte bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel 118

  • Hoofdstuk IV van deze wet vervalt met ingang van 1 januari 1997. 2. Onze Minister bevordert dat uiterlijk een half jaar vóór 1 januari 1997 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend waarin de gevolgen van het vervallen van hoofdstuk IV van deze wet worden geregeld.

Artikel 119

Deze wet kan worden aangehaald als: Organisatiewet sociale verzekeringen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Inhoudsopgave

HOOFDSTUK I. DEFINITIES 1

HOOFDSTUK II. HET COLLEGE VAN TOEZICHT SOCIALE VERZEKERINGEN

Afdeling 1. Samenstelling van het bestuur en werkwijze 2 Afdeling 2. Taken en bevoegdheden van het College van toezicht sociale verzekeringen 4

§ 1. Algemene bepalingen 4 § 2. Toezicht 5

HOOFDSTUK III. DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK

§ 1. Samenstelling van het bestuur en werkwijze 6 § 2. Taken en bevoegdheden van de Sociale verzekeringsbank 7

HOOFDSTUK IV. HET TIJDELIJK INSTITUUT VOOR COÖRDINATIE ENAFSTEMMING 8

§ 1. Erkenning als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming 8 § 2. Taken en bevoegdheden van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming 10

HOOFDSTUK V. DE BEDRIJFSVERENIGINGEN EN DE UITVOERINGSINSTELLINGEN 10

§ 1. Erkenning als bedrijfsvereniging 10 § 2. Erkenning als uitvoeringsinstelling 13 § 3. Taken en bevoegdheden van de bedrijfsvereniging 14 § 4. Aansluiting van werkgevers bij bedrijfsverenigingen 16 § 5. De uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet door overheidspensioenlichamen 18

HOOFDSTUK VI. FONDSBEHEER, UITVOERINGSKOSTEN EN VERSLAGLEGGING

§ 1. Fondsbeheer 18 § 2. Uitvoeringskosten 21 § 3. Verslaglegging 23

HOOFDSTUK VII. GEGEVENSVERSTREKKING EN GEHEIMHOUDING 24

§ 1. Verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen, de uitvoeringsinstellingen en werkgevers 24 § 2. Geheimhouding 27 § 3. Verstrekking van gegevens en inlichtingen door het College, de Bank, het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen 27

HOOFDSTUK VIII. GOEDKEURING, SCHORSING EN VERNIETIGING 28

HOOFDSTUK IX. STRAFBEPALINGEN EN ANDERE BEPALINGEN 30

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.