Nota naar aanleiding van het verslag - Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (houdende wijziging van de financieringsstructuur AKW)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 99a

20892

Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (houdende wijziging van de financieringsstructuur AKW)

20927

Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet tot bijzondere verhoging van de kinderbijslag met ingang van 1989, alsmede herziening van de kinderbijslagbedragen per 1 januari 1989

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 16 december 1988

Het verheugt mij dat de leden van de fractie van D66 kunnen instemmen met deze wetsvoorstellen. Met name het vervallen van de ongelijke behandeling voor wat betreft de premiebetaling van de gehuwde en ongehuwde vrouwen van 45 jaar en ouder heeft hun instemming. Zij hebben nog wel enige vragen gesteld met betrekking tot de peildatumsystematiek van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Ik wil daar het volgende over opmerken. De AKW kent een systematiek waarin wordt uitgegaan van rechten per kwartaal. Bepalend voor het recht over een bepaald kwartaal is de toestand op de eerste dag van dat kwartaal, de zogenaamde peildatum. Handhaving van deze kwartaalsystematiek is thans nog noodzakelijk omdat de Sociale Verzekeringsbank vanwege uitvoeringstechnische problemen thans niet in staat is de kinderbijslagen maandelijks te betalen. Het overstappen op een maandsystematiek is pas mogelijk nadat alle districtskantoren van de Sociale Verzekeringsbank de laatste fase van de automatisering van de kinderbijslagadministratie achter de rug hebben. Dit zal vermoedelijk in 1991 het geval zijn. Het overstappen van een kwartaalsystematiek naar een maandsystematiek brengt slechts kosten met zich mee in het jaar van de omschakeling. Deze eenmalige kosten kunnen worden geraamd op circa 1 miljard gulden. Structureel vallen de kosten van het eerder ingaan van kinderbijslagrechten per saldo weg tegen de opbrengsten als gevolg van het eerder beëindigen van kinderbijslagrechten bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Het lid van de S.G.P. fractie vraagt met welk percentage de kinderbijslag zou kunnen worden verhoogd indien het thans beschikbaar gestelde bedrag zou worden aangewend om ook de kinderbijslag voor het derde en volgende kind te verhogen. Om te bereiken dat gezinnen met en gezinnen zonder kinderen een gelijke koopkrachtontwikkeling ondervinden is wat betreft de vorm van de bijzondere verhoging gekozen voor een opslag op het totale bedrag dat aan kinderbijslag wordt ontvangen. De opslag bedraagt f 17,69 per kwartaal voor een gezin met een kind en f 35,38 per kwartaal voor een gezin met twee of meer

kinderen. Gemiddeld leidt deze verhoging tot een verhoging van de kinderbijslag met 4%. Van een verhoging van de (basis)kinderbijslagbedragen is gegeven de structuur van de kinderbijslag en de beperkte budgettaire middelen door het kabinet afgezien omdat deze zou leiden tot een beperkt koopkrachtverlies voor gezinnen met jonge kinderen en een minimuminkomen. Overigens zou een dergelijke verhoging, gegeven de beschikbare middelen, gemiddeld (ook) leiden tot een verhoging van de kinderbijslag met 4%.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.