De behandeling van het wetsvoorstel Het achterwege laten van de herzieningen van het minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pe... - Handelingen Eerste Kamer 1984-1985 18 december 1984 orde 8


Inhoudsopgave

Tekst

Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel Het achterwege laten van de herzieningen van het minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 januari 1985 en per 1 juli 1985, alsmede het achterwege laten per 1 juli 1985 van de herziening van de basiskinderbijslagbedragen (18687).

De beraadslaging wordt geopend. D De heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Tweeëneenhalf jaar geleden was ik in deze Kamer voor het eerst woordvoerder voor mijn fractie bij een wetsontwerp van het ministerie van Sociale Zaken. Het wetsontwerp dat toen op de agenda stond, behelsde na een forse amendering door de Tweede Kamer, een ingreep in de voorgeschreven indexering van het minimumloon en de sociale uitkeringen. 1 juli 1982 is een keerpunt gebleken. Voordien werd ook wel afgeweken van de exacte koppeling van het minimumloon aan de index van de regelingslonen, maar dat had dan toch een incidenteel effect. Vanaf 1 juli 1982 gaat het echter om een permanente reeks van ingrepen met een structureel effect. Aldus is de brutokoppeling doorbroken, al moet het uiteindelijke debat over de toekomst van de Wet aanpassingsmechanismen nog plaatsvinden, in afwachting van het advies van de SER over de 'herinrichting methodiek vaststelling niveaus van minimumloon en sociale uitkeringen in verband met arbeidsduurverkorting'. Deze keer is de materiële betekenis van het niet toepassen van de WAM niet zo groot, als de prognoses van het kabinet ten aanzien van de inkomensontwikkeling in 1985 tenminste bewaarheid worden. Toepassing van de indexering zou per 1 januari een stijging van 0,3% van het brutominimumloon betekenen. Op jaarbasis zou de stijging beperkt kunnen blijven tot 0,4%. Het kabinet meent in 1985

de koopkracht van alle minima, uitgezonderd de zogenaamde voordeurdelers, op peil te kunnen houden door maatregelen in de secundaire sfeer. Na vier achtereenvolgende jaren van koopkrachtdaling voor de minima is dat het signaleren waard. Er is zelfs een kans dat de koopkrachtontwikkeling van het minimumloon in 1985 in redelijke mate parallel gaat lopen aan de koopkrachtontwikkeling van de overige lonen. Dat is echter met nogal wat onzekerheden omgeven. Met die voorspelling neemt het kabinet een voorschot op zijn optimistische prijsraming voor 1985, op de zeer onzekere afloop van de ziektewetvoorstellen en op de afloop van de ca.o."Onderhandelingen, waarbij onder andere de vraag aan de orde is of werkgevers dan wel werknemers de gevolgen van de ziektewetvoorstellen, als die tenminste van kracht worden, moeten opvangen. Dit weekend voegde de minister van Financiën een nieuwe factor van onzekerheid toe aan dit lijstje, door het dreigement van premieverhogingen halverwege het volgende jaar. Gegeven al die onzekere factoren is het vreemd, dat het kabinet nu al voorstelt de WAM niet alleen per 1 januari 1985, maar ook per 1 juli 1985 buiten werking te stellen. Onder andere de Raad van State gaf het kabinet in ernstige overweging, de termijn van buitenwerkingstelling van de WAM te beperken tot het eerste half jaar van 1985 en om daarna de zaak opnieuw te bekijken. Dat is een zeer voor de hand liggend verzoek. Het feit dat het kabinet daarop niet is ingegaan, geeft aanleiding tot argwaan. Kennelijk vertrouwt het kabinet zelf niet zo sterk op de eigen prognoses voor 1985. Als die prognoses niet zouden uitkomen, zou immers een later voorstel om de WAM ook in de tweede helft van 1985 buiten werking te stellen, wel eens problemen kunnen oproepen. Om dat risico te minimaliseren, acht het kabinet het kennelijk veiliger deze zaken reeds voor geheel 1985 dicht te timmeren. Voorzitter: Feij De heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik vrees dat er nog een reden is waarom het kabinet nu al voor geheel 1985 de WAM buiten werking wil stellen. Het kabinet presenteert de opschorting van de WAM steeds als een maatregel ad hoc, ingegeven door de nood der tijden, en belijdt hierbij dat het streven naar een parallelle inkomensontwikkeling wordt gehandhaafd, als ideaal. Tegelijkertijd gelooft het kabinet echter steeds minder in het ideaal en ziet het dit steeds minder als ideaal, als ik het goed heb begrepen. De motiveringen voor het niet toepassen van de WAM verschuiven in de tijd. De eerste inbreuken op het principe van parallelle inkomensontwikkeling gingen gepaard met veel spijtbetuigingen, onderstreping van de tijdelijkheid en zelfs suggesties over correcties achteraf. 'Uitschuifoperatie' was zo'n suggestieve term en een andere uitdrukking wilde dat bedragen op de lat bleven staan. Ook deze minister gebruikte die uitdrukking, al voegde hij eraan toe: '

Dat is een riskante opmerking, die het gevaar met zich brengt dat ik op voorhand als een dubieuze debiteur kan worden beschouwd.' Ik citeer hem uit de Handelingen van deze Kamer op 28 juni 1983. Toen wilde hij nog niet uitsluiten dat de achterstand in een periode van economisch herstel kon worden goedgemaakt. De uitdrukking 'op de lat blijven staan' heb ik dit jaar niet meer vernomen. Ook de spijtbetuiging over de inbreuk op de parallelle inkomensontwikkeling neemt af en de uitspraken overeen mogelijktoekomstig opnieuw toepassen van de WAM gaan thans gepaard met veel meer voorbehoud dan voorheen. In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer schreef de minister thans dat de doelstellingen van de WAM als centraal uitgangspunt van kracht blijven. Dit is een nogal omslachtig antwoord op de vraag of de WAM nog van kracht is c.q. binnenkort weer van kracht wordt. De toevoegingen over de doelstelling en het centrale uitgangspunt zijn of taalkundig overbodig óf bevatten veel voorbehoud. Ik vrees dat het laatste het geval is. In het debat in de Tweede Kamer zei de minister: '

Ik kan mij voorstellen -ik leg mij daar nu zeker nog niet op vast -dat op de een of andere manier de mogelijkheid van beleidsmatige aanpassingen die een afwijking inhouden van de algemene loonontwikkeling, in de wet zelf wordt verankerd, omgeven met de nodige waarborgen, advisering door de Stichting van de Arbeid en de mogelijkheid van parlementaire toetsing.'

Eerste Kamer 18 december 1984

Machtigingswet inschrijving studenten Bevriezing uitkeringen ca.

370

Van de Zandschulp Wat een beleidsmatige aanpassing betekent, is mij tot dusverre niet geopenbaard, maar de suggestie van verdere ontkoppeling en achterstelling dringt zich op. Ik citeer de minister nogmaals uit het debat in de Tweede Kamer: '

De heer De Korte heeft gesuggereerd om bij een wijziging van de WAM een relatie op te nemen tussen de mate van economische groei en de mogelijkheid om de koppeling van de verschillende inkomensgroepen te handhaven. Ik ben dat zeker theoretisch met hem eens. Of het praktisch te verwezenlijken zal zijn in een vaste formule, die dan ook op de verlangde wijze uitwerkt, betwijfel ik.' Ik meen dat de minister hiermee buigt naar de visie van de heer Leerling, die een parallelle inkomensontwikkeling tussen c.a.o.-lonen en minimumloon en uitkeringen betitelde als een luxe positie. Wie recente uitspraken van leden van het kabinet over afwijkingen van de WAM op een rijtje zet, ziet dat naast de zorg over het financieringstekort en de collectieve lastendruk een nieuw motief opduikt: de inkomensverschillen moeten groter worden onder verwijzing naar de werking van de arbeidsmarkt. Het toekomstbeeld is als volgt. Een mogelijke toekomstige inkomensverbetering wordt bij voorrang of exclusief toegesluisd naar de werkenden met meer dan het minimumloon. Voor het minimumloon en de sociale uitkeringen is behoud van koopkracht het maximaal haalbare. Ik denk hierbij aan de uitspraken van de minister-president in deze Kamer tijdens de algemene beschouwingen. Wellicht is de mallotige introductie van een arbeidstoeslag in de loon-en inkonv stenbelasting, hoe marginaal ook qua effect, alvast een voorschot op een uiteenlopende inkomensontwikkeling van werkenden en baanlozen. De recente grote aandacht voor het inkomenstraject tussen minimum en modaal doorkruist en beïnvloedt het debat over de toekomst van de WAM en ondermijnt het streven naar herstel van een parallelle inkomensontwikkeling in de nabije toekomst. De minister behoort tot degenen die het inkomens traject tussen minimum en modaal willen vergroten, liefst met 1,5 a 2% per jaar, zoals hij in een interview in NRC/Handelsblad, op 6 oktober jongstleden, onthulde. Hier in Den Haag en ook in de publiciteit vinden thans vooral die inkomensplaatjes gretig aftrek, die het inkomensverschil tussen minimum en modaal reduceren tot bij voorbeeld f7 of f4,90 per dag. Het kan nooit kwaad om eerst de feitelijke gegevens te verzamelen, alvorens in dit debat stelling te nemen. Ik heb enkele gegevens opgezocht, maar ik erken dat er nogal wat lacunes in mijn gegegevens zitten. Volgens becijferingen van Flip de Kam, over de alleenverdieners in 1984, ligt het nettoverschil tussen minimumloon en modaal loon op f492 per maand. Aannemende dat de minimumloner in januari van dit jaar de eenmalige uitkering over 1983 kreeg, wordt dit netto-inkomensverschil tussen minimum en modaal gereduceerd tot f406 per maand. Verder aannemende dat beiden een identieke huurwoning bewonen met een kale huur van f450 per maand, dan wordt -dank zij de individuele huursubsidie -het netto-inkomensverschil gereduceerd tot f246 per maand. Tot zover betreft het, denk ik, een tamelijk realistisch beeld dat nogal vaak zal voorkomen in de praktijk. Men kan natuurlijk, al cijferende, alle denkbare varianten samenvoegen in één model. Men kan van een minimumloner een bijstandsgerechtigde maken, die via bijverdienste of kamerverhuur profiteert van de maximale vrijlating in de Algemene Bijstandswet, en die tegelijkertijd gebruik maakt van alle mogelijke inkomensafhankelijke voorzieningen en subsidies. In dat geval wordt het inkomensverschil tussen minimum en modaal gereduceerd tot vrijwel nul of slaat het, in een extreem geval, zelfs over in een licht voordeel voor deze bijstandsgerechtigde. Aldus kan men het dramatische beeld creëren, waarbij de inkomensverhoudingen zo plat als een dubbeltje zijn. Een heel andere vraag is, of zo'n theoretisch denkbaar geval zich ook in de praktijk voordoet en, zo ja, in hoeveel gevallen. Ik veronderstel dat het hierbij gaat om een uitzonderlijke situatie. Ik ben wel geïnteresseerd in de mate van cumulatie van inkomensafhankelijke voorzieningen -huursubsidie, huurgewenningsbijdrage, studiefinanciering, gezinszorg, rechtshulp -, toebedeeld aan de verschillende inkomenscategorieën. Ik acht het zeer wel mogelijk dat bij een cumulatief gebruik van diverse inkomensafhankelijke voorzieningen, het ineendrukkend effect op de inkomensverhoudingen aan de voet van de inkomenspiramide te fors kan worden. Anderzijds dient eveneens te worden bedacht dat de koopkrachttoeslagen voor de echte minima een incidenteel karakter hebben en dat kabinet en regeringspartijen thans nadenken over een gefaseerde terugdringing dan wel afschaffing ervan, waarbij de VVD zich al heeft uitgesproken voor een termijn van drie jaar. Voorts moet worden verdisconteerd dat de gemiddelde huursubsidie aan huishoudens op minimumniveau ongeveer f 1000 a f 1200 lager ligt dan de maximale huursubsidie. In de huidige rage van inkomensplaatjes van minimum en modaal, met een verschil van f4,90 per dag, wordt aan het huishouden met een minimuminkomen de maximale huursubsidie toegekend en wordt aan het huishouden met een modaal inkomen geen enkele huursubsidie toegerekend. Ik beweer niet, dat deze situatie niet voorkomt. Ik stel wel, dat dit beeld niet representatiefis. In deze beeldvorming wordt eveneens voorbijgegaan aan een andere tendens: het sterk gegroei-de aandeel van de vaste lasten in het inkomen, die relatief het zwaarst drukken op de lagere inkomens en die het aandeel van de min of meer variabele uitgaven beperken. Ik meen dat het netto-inkomensverschil tussen minimum en modaal op zich zelf helemaal niet zo klein is en nog steeds aanzienlijk is, wanneer men het althans bekijkt met de ogen van de lagere-inkomensgroepen. Het is het verschil tussen het kunnen inhaken op nieuwe maatschappelijke trends en het volop deelnemen aan het maatschappelijk verkeer aan de ene kant en een achterstand, die wellicht blijvend is, aan de andere kant. Dat is een kwalitatief verschil in levensstandaard. Aan die constatering moet inderdaad toegevoegd worden dat bij gebruik van diverse inkomensafhankelijke voorzieningen en met name bij cumulatief gebruik ervan, die inkomensverschillen fors gereduceerd kunnen worden. Het is heel wel denkbaar dat dit leidt tot knelpunten bij de maatschappelijke aanvaarding van zo'n reductie van inkomensverschillen. Nader onderzoek naar de mate van cumulatie van het gebruik van de diverse inkomensafhankelijke voorzieningen en spreiding over de verschillende inkomenscategorieën, is zeker gewenst. Waar de ineendrukkende effecten van deze inkomensafha ikeüjke voorzieningen te fors liKaknen, is bijstelling ervan gewr ,st. Een algemene vergrotinc, van hat inko-Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

371

Van de Zandschulp mensverschil tussen minimum en modaal is echter een veel te grof uitwerkend middel om specifieke knelpunten aan te pakken. Het hele betoog over de noodzaak tot vergroting van de inkomensverschillen, met name die tussen mini-mum en modaal, wordt vaak opgehangen aan de werking van de arbeidsmarkt. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat dit argument onnauwkeurig gehanteerd wordt en dat het meer berust op ideologische vooroordelen dan op een analyse van de feiten. In het enigszins van de maatschappelijke ontwikkelingen geabstraheerde taalgebruik van het Binnenhof, worden duidelijk de onderscheiden begrippen vaak via associatie met elkaar verbonden of zelfs met elkaar geïdentificeerd. Ik geef daarvan twee voorbeelden. a. Er is een associatie of zelfs identificatie van het louter statistische begrip modaal met dat van geschoold arbeider of vakman. In de werkelijke wereld heeft de werkelijke vakman een loon dat zowel aanzienlijk onder als aanzienlijk boven het modale inkomen kan liggen. b. Er is een associatie of zelfs identificatie van loondifferentiatie met globale denivellering. Voor zover er thans sprake is van enkele specifieke knelpunten in zeer specifieke arbeidsmarktsegmenten, kunnen die wellicht mede opgelost worden door een grotere loondifferentiatie in de betreffende sectoren, bij voorbeeld door gebruikmaking van de post incidenteel. Belangrijker is natuurlijk uitbreiding van bij-, her-en omscholingsmogelijkheden. Een grotere loondifferentiatie in enkele zeer specifieke arbeidsmarktsegmenten is echter volstrekt niet identiek met een globale denivellering in de statistische Haagse inkomensplaatjes. In theorie kan een grotere loondifferentiatie op onderdelen zelfs samenvallen met globale nivellering. Voor een zuiver debat moet tussen begrippen met uiteenlopende betekenis wel onderscheid blijven en mogen zij niet associatief met elkaar verbonden worden. De allocatie op de arbeidsmarkt wordt bepaald doortientallen factoren, waaronder afwisseling in het werk, arbeidsomstandigheden, omgang met collega's, functie, opleiding, promotiemogelijkheden, loondifferentiatie en -deze factor moeten wij vooral niet vergeten -werkzekerheid. Het is opvallend hoe snel en hoe eenzijdig velen bij het signaleren van enkele knelpunten op de arbeidsmarkt terugvallen op vergroting van inkomensverschillen als voornaamste of enige remedie. Bij-, her-en omscholing zijn in Nederland van oudsher slechts mager ontwikkeld. Men moet in dit opzicht eens een vergelijking maken met Zweden. Met nieuwe technologische ontwikkelingen voor de deur kan met gebruikmaking van arbeidstijdverkorting die achterstand ons wel eens snel gaan opbreken. Het lijkt van groot belang aan bedoelde mogelijkheden veel meer aandacht te besteden. Die aandacht is nodig als wij willen komen tot een goede allocatie op de arbeidsmarkt. Een al heel lang geleden gesignaleer-de rem op de arbeidsmobiliteit wordt gevormd door de beruchte pensioenbreuk. Dat probleem sleept zich voort van het ene studiegezelschap naar het andere overlegorgaan, zonder dat het goed wordt aangepakt. Ten aanzien van een goede werking van de arbeidsmarkt, zijn er enkele meer fundamentele zaken die bij voorrang aan de orde gesteld moeten worden en waarvan het belang uitgaat boven dat van loondifferentiatie. Natuurlijk speelt loondifferentiatie een rol als één van de elementen van allocatie op de arbeidsmarkt. Het ligt voor de hand dat dit element een veel grotere rol speelt bij krapte op de arbeidsmarkt dan in een sfeer van massawerkloosheid. Vooral wat de lagere inkomens en de beroepen die sterk bedreigd worden met werkloosheid betreft, zal het element van de werkzekerheid thans duidelijk domineren en het element van de inkomensverschillen overschaduwen. Samenvattend meen ik, dat er aan de ene kant zeker reden is tot grote terughoudendheid inzake eventuele verdere nivellering tussen minimum en modaal. Aan de andere kant is er geen reden tot een globale denivellering. Er zijn specifieke knelpunten denkbaar bij zeer specifieke arbeidssegmenten en bij een cumulatief gebruik van inkomensafhankelijke voorzieningen. Deze eventuele knelpunten vergen nader onderzoek. Zij moeten worden opgelost, waar en wanneer zij zich voordoen. Er is echter geen rechtvaardiging te bedenken voor een beleid waarin men bij een mogelijke welvaartsverbetering de minima niet evenredig laat meegroeien maar relatief achter stelt. Tot slot van mijn betoog, moet ik nog enkele feitelijke kanttekeningen plaatsen bij de lof die mijn partij wegens een verondersteld toegenomen realiteitsbesef recentelijk deelachtig is geworden, na publikatie van de tekst die het partijbestuur heeft voorgelegd aan het aprilcongres van onze partij. Sommige politici zagen de verschillen tussen het kabinetsbeleid en de opstelling van de PvdA al vervagen of geheel verdwijnen. De kans dat deze politici kennis hebben genomen van genoemde tekst, lijkt mij niet erg groot. Deze tekst plaatst immers de ontwikkeling van het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen in het kader van de algemene welvaartsontwikkelingen. In de eerste zin van de passage over de minima, wordt een herstel geëist van de koppeling van het minimumloon aan de index van de regelingslonen. Als de economische groei zodanig is dat er in de toekomst, naast het inkomensbeslaq dat nodig is voor ATV nog ruimte is voor inkomensverbetering, dan zal daarbij voorrang worden gegeven aan de laagste inkomensgroepen. Dit is de stellingname van mijn partij. Vooralsnog staat deze stellingname nogal haaks op het kabinetsbeleid. Degenen die thans het realisme van de Partij van de Arbeid inzake het beleid voor minimumloon en sociale minima prijzen, zullen zich dan ook enige extra inspanning moeten getroosten om aan te tonen waarom hun beleid zo sterk afwijkt van het realisme van de Partij van de Arbeid. D De heer Umkers (CPN): Mijnheer de Voorzitter! In de jaarlijks terugkerende strijd van het parlement tegen de kalender om wetsvoorstellen tijdig in het Staatsblad gepubliceerd te krijgen, wordt dit jaar een aantal records gebroken. Daarbij gaat het om twee records van zeer uiteenlopen-de aard. Enerzijds gaat het om de wetsvoorstellen 18777 en 18778 die door de regering op 4 december jl. bij de Tweede Kamer zijn ingediend. Us en weder dienende zullen deze morgen door de Eerste Kamer worden afgehandeld. Anderzijds gaat het om wetsvoorstellen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de WWV en de AOW. Daarvoor hebben diverse kabinetten zes jaar de tijd gehad en toch hebben zij geen kans gezien een wetsvoorstel in te dienen dat voor het verstrijken van de fatale datum de steun van het parlement zou kunnen verwerven.

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

372

Umkers In beide gevallen is het beschamend hoe met deze zaken is omgegaan. De Eerste Kamer sputtert elk jaar dat dit geen manier van doen is. Zolang ik mij dat herinner, en dat is al vrij lang, doet de Kamer dat zonder de verwachting te koesteren dat hierin ooit verandering zal komen. Toch blijft de hele gang van zaken hoogst onbevredigend. Al met al zal deze werkwijze niet bijdragen tot vergroting van het aanzien van het parlement. Het lijkt mij nu echter het moment om de vraag op te werpen of het geen tijd wordt, aan dat jaarlijks terugkerend ritueel paal en perkte stellen. Ik ben nog in die mening gesterkt naar aanleiding van het uitbrengen van het rapport van de RSV-enquêtecommissie. Een van de vragen die een TV-reporter aan de commissie stelde was, of hetgeen zich had voorgedaan in de werkwijze van het parlement zat opgesloten, zodat herhalingen niet zouden zijn uit te sluiten. De enquêtecommissie moest inderdaad toegeven dat herhalingen tot de mogelijkheden behoren. In wezen heeft zich dat al bij de Walrusaffaire voorgedaan. De rol van de Eerste Kamer in dit soort problemen is beperkt. Ik wil niet pleiten voor uitbreiding van haar bevoegdheden. Wel kunnen wij proberen het beschadigde aanzien van het parlement te verbeteren, bij voorbeeld door duidelijke regels te stellen waardoor de telkens terugkerende druk op de Eerste Kamer in december en vlak voor het zomerreces wordt ingeperkt. De enige mogelijkheid lijkt mij dat via een wijziging van het Reglement van Orde de regering wordt gedwongen de gestelde termijnen in achtte nemen. Artikel 80, lid 2, van ons reglement stelt een termijn van twee dagen na het verschijnen van het eindverslag of de nota naar aanleiding van het eindverslag, eer over een voorstel kan worden beraadslaagd. In lid 4 echter geven wij de Voorzitter de bevoegdheid vanwege een spoedeisend karakter daarvan af te wijken. Wat nu precies een spoedeisend karakter is, staat in het Reglement van Orde niet omschreven. Kennelijk is een door de regering in het wetsvoorstel vermelde datum zo'n aanleiding. Wij hebben echter gezien dat de regering de ene keer aan veertien dagen genoeg heeft, terwijl een andere maal blijkt dat zij in geen zes jaar er kans toe ziet. Toch zou de Kamer er eens over moeten nadenken om aan deze onbevredigen-de gang van zaken een eind te maken.

Het zal voor de bewindslieden geen verrassing zijn dat wij ernstige bezwaren tegen het voorliggende wetsvoorstel hebben. Op zich zelf is het al discutabel een reeks uiteenlopende wetten, onder andere met betrekking tot het minimumloon, sociale verzekeringen, pensioenen en uitkeringen in één wetsvoorstel te behandelen. Vorig jaar hebben wij die bezwaren ook al uiteengezet: een voorbeeld van deregulering a la het kabinet-Lubbers, zullen wij maar denken. Met dit wetsvoorstel wordt verder de koppeling tussen lonen en uitkeringen voor een jaar buiten werking gesteld. De zekerheid die de wet biedt aan mensen met een uitkering, een pensioen en dergelijke wordt daarmee ondergraven. Dit draagt het gevaar in zich dat wetten lange tijd buiten werking kunnen worden gesteld. Na verloop van tijd werkt dit zelfs in de hand dat de bestaande wetten worden geschrapt, omdat ze toch niet meer toegepast worden. Dan is de ontkoppeling wel definitief. Het mag bekend zijn dat onze fractie zich daartegen verzet en in dat verzet gelukkig niet de enige is. Een ander bezwaar is, zoals al meermalen door onze fractie is betoogd, dat het voornamelijk mensen betreft die van een in de regel laag inkomen moeten rondkomen. Een groot deel van hen is reeds het slachtoffer van de onvolkomenheden van deze maatschappij. Zij krijgen daarvoor de rekening dubbel gepresenteerd. Daarbij bevindt zich opnieuw de groep oorlogsslachtoffers. Verleden jaar heb ik ook gepleit voor het handhaven van de ereschuld die de hele Nederlandse samenleving heeft ten opzichte van deze mensen, die tijdens de Duitse bezetting alles in de waagschaal hebben gesteld om onze nationale zelfstandigheid te herwinnen. De regering stelt wederom voor, hun pensioenen te bevriezen. Ook dat stuit op grote bezwaren onzerzijds. Bij de behandeling van de wetsvoorstellen, die met de sociale wetgeving te maken hebben, is de laatste tijd steeds gesproken over de herziening van de sociale wetgeving, die per 1 juli aanstaande haar beslag moet krijgen. Ik heb de indruk dat er nog maar weinig mensen geloven dat dit op de genoemde datum zal gelukken. Los daarvan, wekt de stroom van wijzigingen die het parlement de laatste maanden te verwerken heeft gekregen op zijn minst het vermoeden dat de herziening van het sociale stelsel al sluipend, stukje bij beetje, wordt ingevoerd, waarbij de samenhang geheel in de mist verdwijnt. Wat wel zichtbaar is, is dat steeds meer mensen naar of onder het minimum zakken. Wat nog duidelijker zichtbaar is, is dat de winsten van een reeks ondernemingen fors zijn gestegen, mede dankzij kortingen en bevriezingen. De voorstellen zijn voor ons dan ook onaanvaardbaar. Mijnheer de Voorzitter! Met uw verlof maak ik een enkele opmerking over twee wetsvoorstellen die niet op de agenda staan, maar daarop wel thuishoorden. Ik noem het wetsontwerp inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de WWV. Zoals u weet, is dit wetsvoorstel van de agenda afgevoerd, omdat het door de Tweede Kamer is verworpen. Het wetsontwerp met betrekking tot de AOW moet kennelijk nog aangepast worden in verband met enige ingrijpende amendementen. Nu de oude WWV van kracht blijft, in strijd met de EG-richtlijn, ontstaat een nieuwe situatie, ledere vrouw die per 1 januari aanspraak zou moeten kunnen maken op de WWV en daartoe de rechter in de arm neemt, zal ongetwijfeld gelijk krijgen. Om te voorkomen dat deze groep vrouwen maanden of zelfs jaren moet wachten op toekenning van hun uitkering en om te voorkomen dat de Staat wordt veroordeeld tot het betalen van de kosten van de processen, verzoek ik de staatssecretaris de gemeentelijke sociale diensten de opdracht te geven voorschotten te verstrekken aan hen die volgens de Europese richtlijn recht hebben op een WWV-uitkering, totdat de materie voldoende is geregeld. Daarmee zou iets van het geschonden '

emancipatiegezicht' van het kabinet hersteld kunnen worden. Betalen moet de regering toch. Zij kan het beter uit eigen beweging doen dan daartoe door de Europese rechter veroordeeld te worden. D De heer Franssen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Tijdens de algemene politieke beschouwingen heeft onze fractievoorzitter er al op gewezen dat hij niet alle onderwerpen die onze fractie belangrijk achtte, de aandacht kon geven die ze verdienen. Sociale Zaken en Werkgelegenheid is zeker een van de terreinen waarop hij doelde. De heer Christiaanse zei dat niet alleen de begrotingsc.q. beleidsdebatten, maar vooral de vele te verwachten wetsvoorstellen daartoe ruimere mogelijkheden zouden bieden. In deze laatste maand en

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

373

Franssen zeker ook in het eerste kwartaal van 1985 wordt dat eens te meer bewezen. Het wetsvoorstel 18687 betreffende de bevriezing van een groot aantal minimuminkomensregelingen is in zijn directe financiële ombuigingsbijdrage voor 1985 beperkt. Als wij terugkijken op het relatief korte leven van de Wet Aanpassingsmechanismen tot nu toe, blijkt dat al voor f4 mld. in beperkende zin is afgeweken van de mooie verwachtingen, die wij in beter lijkende tijden hadden. Daartoe was en is overigens alle reden, want wij leefden en leven met z'n allen behoorlijk boven onze financiële stand. Een snel tot bijna f200 mld. gegroeide schuldenlast en een financieringstekort van meer dan f30 mld. leggen niette verantwoorden lasten op heden en toekomst. Het maken van grote schulden lijkt for the time being sociaal, maar het is in werkelijkheid asociaal. Het is asociaal, omdat het te hoge collectieve-uitgavenpatroon ertoe heeft geleid dat onze marktsector vergaand werd uitgehold en de werkgelegenheid schrikbarend terugliep. Niet alleen de overheidsfinanciën vertonen immers een veel te groot tekort; hetzelfde is het geval bij zeer veel bedrijven, waar het eigen vermogen tot macro ongeveer 25% ineenschrompelde. Zo gezien, is onze nationale schuld veel groter dan de overheidsschuld alleen al is. Wij doen er dan fout aan om, zoals de heer Umkers zojuist deed, alleen naar de best draaiende bedrijven te kijken. De meerderheid van onze mensen werkt in andere bedrijven. Hierdoor werd en wordt een groot deel van de financiële middelen, broodnodig voor vernieuwingen om de concurrentieslag bij te houden, in beslag genomen. Dat moet in het belang van het herstelbeleid worden gecorrigeerd. Wij constateren dat steeds meer mensen in en buiten het parlement het eens zijn met voornoemde visie, maar dat men 'de wijze waarop en het tempo waarin', om het met de woorden van de heer Buurmeijer te zeggen, afkeurt. Wat 'het tempo waarin' betreft, zijn wij van mening dat de tussen 1973 en 1980 verloren gegane tijd tot de diepe en snelle ingrepen noodzaakt. Noch de heer Duisenberg, noch de heer Andriessen -twee mensen die tijdig aan de bel trokken -werden gevolgd. Op de afgezwakte c.q. in lager tempo voorgestelde aanpak werd voorheen in de Tweede Kamer zodanig 'geschoten', dat een gatenkaas overbleef.

De terminologie is van de geachte afgevaardigde Van der Jagt. Het gevolg is dat wij nu, naar het zich laat aanzien, nog minstens één nieuwe kabinetsperiode nodig hebben om de gedurende tien jaar scheef gegroeide situatie recht te zetten. Met papieren plannen -die waren er ook in het verleden -komen wij er niet uit, zeker niet wanneer men voor de eerste tegenwind uit de regeringsverantwoordelijkheid vlucht. Mogen wij nog eens aan de ziektewetplannen van minister Den Uyl en zijn bekwame staatssecretaris Dales herinneren? Mijnheer de Voorzitter! Waarom koos ik opnieuw voor deze lange aanloop? Ten eerste deed ik dat, omdat wij vinden dat de mensen die nu de meeste pijn ondervinden van het orde op zaken stellen, recht hebben op onze verantwoording. Zelfs als zij het nu niet of nog niet met ons eens zijn, zal de toekomst leren -de voortekenen zijn daarover steeds duidelijker -dat het meer uitkeringsgerechtigden, meer werklozen kans op werk bieden beter is dan nu tijdelijk meer in de beurs krijgen en de schulden op de toekomst stapelen. Dat geldt vooral voor jeugdigen, waarvan wij het straks moeten hebben. De lasten die dat laatste namelijk oproept, zijn immers bij een nog verdergaande werkloosheid niet meer te dragen. Ten tweede vinden wij dat de kritiek, soms zware kritiek, met de etikettering van 'verlies sociaal gezicht' ons onrecht aandoet en ook voorbijgaat aan wat eigen deskundigen van opponenten zeggen. Wat is socialer: meer mensen met uitkeringen afhankelijk maken van een onbetaalbaar systeem of meer mensen werkgelegenheid bieden c.q. minder mensen uitstoten en een betaalbaar systeem opbouwen? Ook een anders samengesteld kabinet kan nu niet meer aan de harde feiten voorbijgaan. Ten derde brengen wij met dit algemene gedeelte tot uitdrukking, dat wij er nog lang niet zijn. Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Wij behoren dus niet tot degenen die menen dat wij er nu zijn, ondanks de gunstiger uitkomsten en vooruitzichten. Natuurlijk weten ook wij dat Nederland sterk afhankelijk is van externe invloeden, maar het blijft een verdienste van het kabinet, daarvan optimaal gebruik te maken. Dit kabinet doet dat beter dan voorgaande kabinetten en beter dan de meeste ons omringende landen. Het is zeker mede een verdienste van het bedrijfsleven en sociale partners, die met het stichtingsakkoord van 1982 een goede weg insloegen. Ondanks alle tromgeroffel vertrouwen wij erop, dat men niet zal streven naar algemene kostenverhogende verbeteringen van arbeidsvoorwaarden, die de werkgelegenheid zullen schaden, de prijzen opdrijven, de werklozen minder kansen bieden en de van wettelijke basisvoorzieningen afhankelijken sterker onder druk zullen zetten. Benut de ruimte voor instandhouding, uitbreiding en herverdeling van arbeid, zouden wij werkgevers en werknemers willen toeroepen. Mijnheer de Voorzitter! Wij zijn ervan overtuigd, dat wij met het huidige beleid op de goede weg zijn, immers, het financieringstekort, de belastingdruk en de sociale premies dalen. De prijsstijging is aanzienlijk lager geworden en minder dan in de ons omringende landen. Last but not least, de werkgelegenheid toont een lichte keer ten goede. De scheve verhouding tussen consumptie en investeringen in relatie met het nationale inkomen is in de goede richting omgebogen. Vooral het volgende kabinet zal hiervan het volle profijt kunnen trekken. Tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen begrijpen wij best dat de Partij van de Arbeid zeer terughoudend is met toezeggingen om de nu door haar bestreden ombuigingen te zijner tijd terug te draaien. Uit de genomen maatregelen in de sfeer van sociale zaken blijkt, dat juist dit kabinet zeer ver is gegaan in bescherming van de minima en in het bijzonder van de echte minima. Meer dan 90% van het 2,5 mld.-pakket 1985 van het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid moet door de bovenminima worden gedragen. Dat daarbij koopkrachtoverzichten van werkenden met wat hogere inkomens, die overigens geheel voorbijgaan aan tertiaire overdrachtsinkomens er beter uitzien, is een gevolg van ons belasting-, premie-en arbeidsvoorwaardensysteem met zijn progressie, franchises, incidentele factoren en subsidies. Kritiek leveren is heel wat gemakkelijker dan met betere, reëlere plannen komen. Vast staat dat de onvoldoende op de marktsector en schulden gerichte pogingen van voorgaande kabinetten van kwaad tot erger hebben geleid. Een gezonder ondernemingsklimaat en een sterkere concurrentiepositie betekenen een blijvende, stimulering in veel gevallen een

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

374

Franssen tijdelijke, oplossing. Daarom geven wij ook de voorkeur aan behoud en verbetering van de koopkracht langs de weg van collectieve drukvermindering. Vast staat, en ik ben dan concreet bij dit wetsvoorste! aangekomen, dat de zorg en de bescherming voor de basisinkomens, met hun web van koppelmechanismen ertoe hebben geleid dat de netto-inkomens tussen minimum en modaal demotiverend dicht op elkaar zijn gebracht. Dat gegeven heeft onzes inziens tot gevolg, dat bezuinigingen die uitsluitend bovenminimaal zouden worden toegepast steeds moeilijker worden. Het heeft ons verheugd dat ook de heer Vermeer als fractievoorzitter van de PvdA bij de algemene politieke beschouwingen de verkorting van de afstand tussen bruto-en nettotraject vanuit andere invalshoeken onderbouwde. Ook de geachte afgevaardigde de heer Van de Zandschulp heeft zojuist een genuanceerder beeld over de nettominimum en nettomodaalverhoudingen gegeven dan wij in het verleden gewend waren. Toch heeft het kabinet er bewust voor gekozen, om de mimima in 1985 te ontzien, wat voor de bovenminimale uitkeringen en de collectieve sector de volle last van de noodzakelijke bezuinigingen betekent. In de memorie van antwoord heeft de minister dit beleid naar aanleiding van onze opmerkingen nog eens uiteengezet, mede namens de staatssecretarissen. Wij kunnen daarmede instemmen, maar vragen ons toch af of de grenzen niet zijn bereikt, in het bijzonder voor de arbeidsongeschikten. Zij konden deze ontwikkeling niet voorzien en hebben derhalve geen aanvullende verzekeringen getroffen. Dat kan nu ook niet meer worden gedaan. Wij zouden het op prijs stellen wanneer de regering nog eens op deze zorg zou reageren. Mijnheer de Voorzitter! Ofschoon blijkens de laatste berichten het financieringstekort in procenten belangrijk minder ongunstig lijkt te worden dan de laatste verwachtingen aangaven -wij kunnen daar met zijn allen blij om zijn -zijn wij er nog niet, zelfs niet wanneer de doelstelling van het kabinet, namelijk terugdringing tot het niveau van 7,5%, wordt bereikt. Daarom is ons inziens de uit de bevriezing van het minimumloon voortvloeiende volumebeperking van 0,4% -een niveaubeperking van een half procent -in één jaar, die zonder koopkrachtverlies lijkt te kunnen worden doorgevoerd, alleszins acceptabel. Ik gebruik hier echter het woord 'lijkt' omdat de genoemde cijfers op ramingen van loon-en prijsstijgingen zijn gebaseerd. Die ramingen moeten nog worden bewaarheid. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State stelt de minister dat, wanneer de werkelijke loon-en prijsontwikkeling in sterke mate mocht afwijken van de ramingen, een herbezinning wellicht nodig is. Onze vraag is daarbij, of hij de termen 'in sterke mate' en 'wellicht' nader kan omschrijven. Denkt hij dan vooral of alleen aan de echte minima? Ons inziens is er alle reden, zo mogelijk de waardevastheid van de minima na te streven. De noodzakelijke verruiming in het loongebouw wordt dan door de eventuele welvaartsstijging van de werkenden bevorderd. Sprekend over ruimte in het loongebouw willen wij hieraan toevoegen dat wij voorstanders zijn van enige prestatieruimte in de netto-inkomens van de werkende laagstbetaalden ten opzichte van de uitkeringsgerechtigden op minimumniveau. Kennelijk ziet het bedrijfsleven het óók zo, gelet op het feit dat het aantal werkenden, dat het voor het minimum moet doen ongeveer 7,8% van alle werkenden omvat, inclusief de jeugdigen. De discussie, aan de overzijde met betrekking tot dit onderwerp gevoerd, was voor ons een aanleiding, nadere toelichting op dat debat van de minister te vragen. Hij is hierop in de memorie van antwoord uitvoerig ingegaan; wij danken hem daarvoor. Wij vinden dit antwoord duidelijker dan het debat aan de overzijde. Het minimumloon is een contraprestatie voor geleverde arbeid, ten minste gelijk aan het sociaal minimum, zo zegt de minister. Daarmee is tevens aangegeven welke druk het sociaal minimum op het loongebouw uitoefent omdat de werkenden, ons inziens zeer begrijpelijk, voor hun prestaties iets extra's verwachten. Kan de minister dit billijken? De minister is vervolgens nog met enkele speculatieve opmerkingen over de relatie minimumloonsociaal minimumarbeidsduurverkorting met looninlevering gekomen. Mijnheer de Voorzitter! Deze opmerkingen zijn ons niet geheel duidelijk, zodat wij om een nadere uiteenzetting vragen. Denkt de minister aan omrekening per uur? Wil hij een sterke stijging van het mini-mumloon voorkomen? Koppelt hij een en ander ook aan méérverdieners? Mijnheer de Voorzitter! Nu wij, door de omstandigheden gedwongen, de Wet aanpassingsmechanismen opnieuw moeten uitschakelen, rijst de vraag, of deze wet niet een goed bedoeld maar in moeilijke financieel-economische omstandigheden nauwelijks bruikbaar instrument is. De serie ad hoe-ingrepen heeft nu al een stijging van zo'n 10 procentpunten moeten voorkomen en toch is er nauwelijks een nettoafstand ten opzichte van de modale inkomens. Dit bewijst enerzijds dat de ingrepen van verschillende kabinetten noodzakelijk waren en anderzijds dat een herbezinning met betrekking tot deze wet noodzakelijk is. Is hierover iets naders te zeggen? In het verlengde van de bevriezing van het minimumloon worden ook een aantal uitkeringen en pensioenen getroffen. Het gaat daarbij om arbeidsongeschikten, werklozen, oorlogs-en vervolgingsslachtoffers en anderen. Ook wij hadden dit offer liever niet gevraagd. Willen wij de Wet aanpassingsmechanismen, al of niet aangepast op grond van de opgedane ervaringen, echter in principe handhaven, dan is hetvolgen van de bevriezing onvermijdelijk. Wij accepteren dat dan ook, zij het met tegenzin, maar die tegenzin zegt niets over de kwaliteit van de medicijn. Voor de uitgavenmatiging in de basis algemene kinderbijslag is een naar onze mening betere oplossing gevonden als resultaat van de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer dan in de Miljoenennota was aangekondigd. Wij juichen dat toe, omdat wij weten dat de kinderbijslag slechts een beperkt deel van de werkelijke kosten van ten laste komende kinderen dekt. De bezuinigingen op minimumniveau komen dus hard aan in huishoudens waar kinderen opgevoed worden. Het verheugt ons dat het kabinet dit niet alleen in de uitkeringen voor echte minima onderkende, maar dit ook in de normale verhoging met 1,5% per 1 januari a.s. doet. Dat daarbij de aanpassingen voor de geleidelijke overgang naar de leeftijdsdifferentiatie door kunnen lopen, achten wij een goede zaak. Dat in ruil voor deze uitkomst de bevriezing per 1 juli wèl doorgaat, is, gezien onze voorkeur voor brede spreiding van de ombuigingen, acceptabel. Daarbij hopen wij wel dat het niveauverlies conform de ramingen

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

375

Franssen tot 0,5%, overeenkomend met een kwart procent volume over 1985, beperkt blijft. Ook in dit verband zouden wij willen zeggen dat bij sterke afwijkingen herbezinning gewenst is. Deelt de staatssecretaris onze mening? Met instemming hebben wij gelezen dat de staatssecretaris een-en andermaal de suggestie met betrekking tot de inkomensafhankelijke kinderbijslag, kennelijk een stokpaardje van de PvdA, van de hand heeft gewezen. Terugkerend naar de ook onzerzijds gewenste spreiding, wordt in de memorie van antwoord gereageerd op onze opmerkingen betreffen-de de evenwichtige spreiding met het erbij betrekken van kortlopende uitkeringen, i.c. het ziekengeld. Hangende de behandeling in de Tweede Kamer is het ongewenst daar hier en nu dieper op in te gaan. Wel zijn wij het eens met de opmerking dat alternatieven als het korten van minimumuitkeringen en/of verlaging van uitkeringspercentages van langlopende uitkeringen, zeker voor 1985 ongewenst zouden zijn. Als het kabinet de ziektewetvoorstellen noodzakelijk vindt voor het huidige evenwicht van het ombuigingsplan, zal het waarom ons inziens wel verduidelijking behoeven, c.q. zullen de tegenwerpingen weerlegd moeten worden. Mijnheer de Voorzitter! Ombuigingen doen pijn en hebben op zijn minst de gevoelens tegen als ze minima treffen. Feit blijft echter dat in het nominale vlak zware tot zeer zware offers zijn gebracht door bovenminimale uitkeringsgerechtigden. Tegenstanders van het huidige beleid verwijten ons dat wij de tegenstelling tussen werkenden en niet-werkenden oproepen. Wij ontkennen dat, omdat die tegenstelling al groeide naarmate de inhoudingen op werkenden tot ongekende hoogten stegen en het nettobesteedbare inkomen steeds verder van het brute inkomen afzakte. Wie zijn oor 'maatschappelijk' te luisteren legt, kan dit dagelijks horen. Ook solidariteit kan te zwaar op de proef worden gesteld en rijkt niet verder dan het dragelijke en de draagkracht. Wanneer die inhoudingen dan ook nog tot afwenteling, demotivatie en hogere loonkosten leiden, spannen wij het paard achter de wagen. Ook bij een herstelde economie zullen er minima blijven, maar dat zullen er aanzienlijk minder zijn dan nu en met een grotere reële koopkracht. Met dit doel voor ogen kan onze fractie instemmen met dit wetsvoorstel met als troost dat wij ook na de zeer pijnlijke ingrepen nog altijd, ook internationaal gezien, een hoog zekerheidsniveau behouden, zeker voor de minima, ook al blijft inleveren altijd moeilijk en het verdedigen daarvan ondankbaar. D De heer Van der Jagt (GPV): Mijnheer de Voorzitter! De inhoud van dit wetsvoorstel acht ik in het raam van de bekende doelstelling aanvaardbaar, zij het dat hij niet tot vreugde stemt. Wij weten waarom dit voorstel nodig is. De heer Franssen releveerde in het kort al de oorzaak. In de Tweede Kamer is over dit wetsvoorstel vrij uitvoerig van gedachten gewisseld. De reactie van de bewindslieden was helder en voor mij overtuigend. Daarom zal ik nu kort spreken. Ik wil nog terugkomen op twee kernpunten uit dit debat, namelijk de spanning tussen de loonontwikkeling in de collectieve sector en die in de marktsector en de spanning tussen minimum en modaal en tussen de actieven en niet-actieven. In het licht van de ontwikkelingen in de marktsector en in de collectieve sector, is het naar mijn mening een goed uitgangspunt van de minister dat, als er volgend jaar in de markt-sector ongeveer 3% ruimte in de loonsfeer ontstaat, deze moet worden besteed voor arbeidstijdverkorting. Zelf heb ik er wel eens voor gepleit om deze ruimte gedeeltelijk voor investeringen te gebruiken, maar arbeidstijdverkorting is ook een mogelijkheid. Deze aanwending van de ruimte heeft in ieder geval het voordeel dat de collectieve sector niet op afstand wordt gezet. Wie echter de laatste vakbondskrant van de FNV heeft gelezen, kan deze hoop wel laten varen. De messen zijn geslepen; er zullen keiharde c.a.o.-onderhandelingen volgen. De FNV vindt dat de werkgevers de hele verlaging van het uitkeringspercentage moeten compenseren. Het is daarnaast bekend dat de werkgevers tegen de verlaging van de ziektegelduitkering zijn en dat zij zich zullen verzetten tegen een verdere, algemene arbeidstijdverkorting. Welnu, tel uit je winst. Het zit er dik in dat de hoopvolle verwachting van de minister niet uitkomt, met als gevolg dat er een ongelijke loonontwikkeling komt tussen de marktsector en de collectieve sector. Voor de gewenste solidariteit is dat een vervelende ontwikkeling. De regering heeft dit risico genomen; we moeten de ontwikkeling maar afwachten en intussen de vinger aan de pols houden. Er is echter ook spanning tussen het minimumloon en de minimumuitkering. De heer Franssen wees daar al op. Die spanning is er trouwens ook tussen minimum en modaal. In de Tweede Kamer is er naar mijn mening terecht op gewezen dat, als er nagenoeg geen verschil meer is tussen het minimale loon en de minimale uitkeringen, het prestatie-element niet wordt gehonoreerd. Ik vind dat de minister in de Tweede Kamer op dit aspect te weinig is ingegaan. Daarbij raak je natuurlijk aan de nettonettokoppeling, maar je hoort toch ook wel steeds meer geluiden om eens aan de koppeling op geringe afstand te denken. Ook de afstand tussen minimum en modaal is al zo plat geworden als een dubbeltje, zoals vanmiddag al eerder naar voren is gebracht. Die geringe loonafstand tussen actieven en niet-actieven enerzijds en minimum en modaal anderzijds heeft naar de mening van vele deskundigen -hierbij denk ik aan de heer Albeda -tot gevolg dat de arbeidsmarkt niet naar behoren functioneert. Dat wil zeggen, dat de mensen niet meer getrokken worden naar de plek waar zij het meest nodig zijn. Ik zou het bijzonder op prijs stellen, indien de regering op beide door mij genoemde punten nader zou willen ingaan. D Mevrouw Bischoff van Heemskerck (D'66): Voorzitter! Het is erg moeilijk geen plagiaat te plegen na alle discussies over dit onderwerp aan de overkant, hier en, interessanterwijze, op vele andere plaatsen in de maatschappij. In het verlengde van deze wet liggen natuurlijk weer de bevriezing van de uitkeringen en de discussie over de minima. Mijn fractie meent nog steeds dat er gezocht moet worden naar een nieuwe objectiviteit in de discussies over de koopkracht van de minina. Enige jaren geleden waren wij het meer eens dan nu. Immers, toen zouden wij de koopkracht garanderen tot tweemaal modaal. Ik schaam mij er nog steeds voor, dat dit niet is gelukt. De garanties die wij als politiek in het verleden hebben gegeven, bieden dus geen zekerheid. Het kabinet heeft een aantal pogingen gedaan -dat moet eerlijk gezegd worden -om de achteruitgang voor groepen minima voor 1985 te beperken. Een en ander hangt

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

376

Bischoff van Heemskerck natuurlijk af van de inflatie. In het vorige debat heeft de staatssecretaris toegezegd dat hij ernaar blijft streven, de in 1975 door de internationale arbeidsorganisatie geformuleerde basisbehoeften in Nederland te vervullen. Laten wij deze basisbehoeften nu eens aanmerken als de meest absolute criteria van basisbehoeften en indirekt van armoede en minima. Dat was de staatssecretaris ook met mij eens. Ik merk dat er iets nieuws sluipt in de discussie over de minima. Veelal wordt de situatie in het buitenland er namelijk bij gehaald. Het is zeker dat ook nu nog de sociale zekerheid in vele landen, zo die al bestaat, minder is dan in Nederland. Toch vraag ik mij af of die situatie in veel buitenlanden wel als belangrijkst criterium kan dienen voor de relatieve definitie van armoede. Die definitie halen wij ook weer uit de wereld van de ontwikkelingseconomen en deze zou ik als volgt willen omschrijven: gebrek aan toegang tot materiële middelen die volgens het waardesysteem van de eigen maatschappij als gemeengoed worden gezien. Dat waardesysteem kan veranderen. Ik noem als voorbeeld de hygiëne. Nog geen 30 jaar geleden werd persoonlijke hygiëne, het je kunnen wassen, beschouwd als een luxe. Dat is tegenwoordig gemeengoed geworden. Is het niet beter om in plaats van te discussiëren over de vraag wat minima zijn en hoe het daarmee gaat, te proberen om het meer eens te worden over wat gemeengoed is? Zo absoluut mogelijke criteria bestaan al; die zijn internationaal geformuleerd. Relatief geven de rapporten van de sociale diensten en de planbureaus al een goede aanzet om het eens te worden over de relatieve criteria. Dit lijkt mij beter dan het invoeren van indexatiewetten, die vervolgens niet worden uitgevoerd. Het is bekend dat wij een les kunnen leren van de vele aanpassingsprogramma's over de gehele wereld, met of zonder hetlMF. Langzamerhand is er een consensus, in die zin dat men in een tijd van hoogconjunctuur beter niet te veel kan uitgeven dan in een tijd van teruggang heel sterk bezuinigen. Die consensus is algemeen. Het is jammer dat wij in politiek opzicht het niet eens zijn over de absolute en de relatieve basisbehoeften. Een overeenstemming daarover zou voor de politiek als geheel goed zijn. Daarom moeten wij elk wetsontwerp dat stilstand of achteruitgang van de sociale zekerheid beoogt, toetsen aan de eigen alternatieven. De politiek als geheel is het er nog niet over eens. Mijn fractie acht nu naar absolute en relatieve maatstaven het achterwege laten van een herziening, zoals het huidige wetsontwerp beoogt, niet verantwoord. Wij blijven echter openstaan voor een verdere discussie over absolute en relatieve basisbehoeften. D Mevrouw Van Leeuwen (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Deze regering lijkt het erg moeilijk te hebben. Als je alle stukken en Handelingen rond dit wetsontwerp en andere, die vallen onder het credo van verlaging van de collectieve lasten en versterking van de economie, leest, blijken er dilemma's te zijn. Men vindt de doelstellingen van de Wet aanpassingsmechanismen prachtig en wil ze als uitgangspunt van beleid zien, maar de omstandigheden laten dit helaas niet toe. Men beseft zeer wel dat er van de uitkeringsgerechtigden en de mensen met een minimumloon erg veel wordt gevraagd, maar men is helaas genoodzaakt om door te gaan met vragen. Men waardeert de SER-adviezen zeer, maar men luistert in dezen alleen naar de werkgeverskant ervan. Het lijken dilemma's, maar het is allemaal wel duidelijk. Mijnheer de Voorzitter! Ik zal het kort houden. Onze fractie heeft er geen behoefte aan, alle kritieken en wezenlijke alternatieven, die aan de overkant en elders naar voren zijn gebracht, ook hier weer te herhalen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat wij niet hartgrondig zullen blijven opkomen voor al de mensen, voor wie onder andere het begrip 'cumulatie' intussen wel heel duidelijk betekenis heeft gekregen. Men wordt keer op keer '

gepakt', zoals dat heet. De regering kan dat niet ontkennen, maar laat alle kritieken en alternatieven van zich af glijden omdat deze domweg niet in het gekozen straatje passen. Men verlaagt zich soms zelfs tot oneigenlijke partijpolitieke discussiespelletjes, waarin het woord 'puinruimen' wordt vervangen door een term in de geest van 'de hete kolen uit het vuur halen' of 'vuile handenwerk doen', waarvan komende kabinetten van wellicht een wat andere kleur zo goed zouden kunnen profiteren.

Hoewel humor de PSP niet echt vreemd is, nemen wij het onderhavige wetsvoorstel en vooral de mensen die het betreft te ernstig. Wij zullen dus duidelijk tegen dit wetsvoorstel stemmen. D Minister De Koning: Mijnheer de Voorzitter! Zoals u bekend is, is de staatssecretaris opgeroepen door de Tweede Kamer. Hij hoopt nog tijdig terug te zijn om de aan hem gerichte vragen te kunnen beantwoorden. Mocht hem dit niet gelukken, dan zal ik dat overnemen. Evenals drie weken geleden, bij de behandeling in de Tweede Kamer, blijkt ook nu weer dat zeer verschillend over dit wetsvoorstel wordt gedacht. Sommigen wijzen het zonder meer van de hand. Anderen hebben er gelukkig begrip voor, omdat ook met dit wetsontwerp een bijdrage wordt geleverd aan het herstel van de economie. Tegelijkertijd wordt dan echter geconstateerd, dat er toch weer offers worden gevraagd van de mensen met een minimumloon en van de mensen die uitkeringsgerechtigd zijn. In de discussie aan de overzijde heb ik reeds aangegeven, dat wij onderkennen dat door velen in de afgelopen jaren reeds grote inkomensoffers zijn gebracht, ook door de minima. Daarom is in het totale pakket van ombuigingsmaatregelen geprobeerd voor 1985 de bijdrage van de minima aan het totaal van de bezuinigingen zoveel mogelijk te beperken. Het resultaat daarvan is, dat wij voor het komende jaar kortingen op het minimumloon en op de minimumuitkeringen hebben kunnen voorkomen en ons konden beperken tot de nu voorgestelde bevriezing. De gevolgen van dit voorstel voor de koopkrachtontwikkeling zijn dan ook beperkt. De cijfers zijn in deze discussie ook al genoemd. Het was niettemin onvermijdelijk ook nu aan de minima offers te vragen. Terecht is geconstateerd, dat bovenminimale uitkeringen dit jaar relatief gezien meer inleveren. In de nota naar aanleiding van het eindverslag heb ik al aangegeven, dat dit een bewuste keuze is geweest van het kabinet. Dat betekent natuurlijk niet, dat het kabinet geen aandacht heeft voor de positie van de bovenminima. Als je kijkt naar de percentages van de bovenminimale uitkeringen tegen de achtergrond van het totaal van de uitkeringen, blijkt inderdaad dat zeer diep is ingegrepen en dat de positie

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

377

De Koning van velen met een bovenminimale uitkering toch ook zorgelijk is. Ik zeg dit ook naar aanleiding van een opmerking van de heer Franssen. Ik wil overigens wel benadrukken dat niet alleen de uitkeringsgerechtigden in 1985 moeten inleveren. Toen ik het betoog van de heer Van de Zandschulp beluisterde, had ik de indruk dat hij zeer eenzijdig de nadruk legt op offers die door mensen met minimale of bovenminimale uitkeringen moeten worden gebracht. Ik wijs erop dat het beleid van het kabinet voor 1985 bevriezingsmaatregelen of maatregelen die materieel op bevriezing neerkomen inhoudt voor de gehele collectieve sector, evenzeer voor ambtenaren en trendvolgers als voor uitkeringsgerechtigden. De huidige economische situatie met de onevenwichtigheid tussen de collectieve sector en de marktsector vraagt om maatregelen voor de gehele collectieve sector, die alle inkomens in de collectieve sector op vergelijkbare wijze treffen. Ik wijs er in dit verband nog op en ook anderen hebben geconstateerd dat wij erop vertrouwen dat werknemers in de marktsector tot loonmatiging zullen komen, in het bijzonder langs de weg van arbeidsduurverkorting. Op dit punt kom ik terug naar aanleiding van de opmerkingen die verscheidene sprekers hierover hebben gemaakt. Het wekt geen verbazing dat enkele sprekers zijn ingegaan op het functioneren van de Wet aanpassingsmechanismen en dat van verschillende zijden erop is gewezen dat de WAM bijna nooit volgens de letter van de wet is toegepast. Vanzelfsprekend komt dan de vraag naar boven of het wijs is, door te gaan met een wet die gedurende enkele jaren niet meer is toegepast. Inderdaad is vanaf 1982 telkenmale van de WAM afgeweken. Dit wil zeggen dat vanaf die tijd het minimumloon en de sociale uitkeringen de gemiddelde loonontwikkelingen in de marktsector niet meer volgen. Betekent dit dat de WAM hiermee een wet zonder inhoud is geworden? Ik meen dat dit niet juist is. In de eerste plaats is zij niet uitsluitend een technische wet, die de indexering van minimumloon en uitkeringen vastlegt. Zij is ook een wet die een belangrijk politiek uitgangspunt weergeeft, namelijk de wens, de inkomens in de collectieve sector gelijk te laten oplopen met de inkomens in de marktsector. Het uitgangspunt van de parallelle inkomensontwikkeling is voor dit kabinet nog steeds van kracht en wij hebben dit bij verschillende gelegenheden steeds gezegd. Hierbij hebben wij aangegeven dat de economische ontwikkeling en vooral de budgettaire situatie ertoe kunnen leiden dat de gewenste parallelle inkomensontwikkeling niet kan worden bereikt. Deze situatie heeft zich in de afgelopen jaren voorgedaan. Om deze reden kon het uitgangspunt dat in de WAM vastligt, niet worden verwezenlijkt. Dit uitgangspunt, hoe achtbaar op zich zelf ook, heeft moeten wijken voor een naar het oordeel van het kabinet in de huidige situatie nog belangrijkere doelstelling, namelijk economisch herstel en herstel van de werkgelegenheid. Dit geeft ook aan waarom in de afgelopen jaren ondanks het niet toepassen de WAM toch van belang is gebleken. Elke keer dat de wet niet werd toegepast, moest zij worden gewijzigd. Dit betekent dat zowel de SER als het parlement ieder jaar met argumenten moesten worden overtuigd en dat ieder jaar een afweging moest worden gemaakt en een rechtvaardiging moest worden gegeven voor afwijking van het beginsel van de WAM. Dit is het politieke belang van de handhaving van de wet. Ik voeg hieraan toe dat het bij de parallellie die in de WAM is vastgelegd, gaat om gelijkheid in ontwikkeling van de bruto-inkomens. De ontwikkeling van de netto-inkomens, dus de ontwikkeling in termen van koopkracht, is echter net zo belangrijk. De memorie van antwoord, verzonden naar aanleiding van het voorlopige verslag van de Tweede Kamer, geeft hierover verhelderende cijfers. Hierin ziet men dat de verschillen afhankelijk van het inkomensniveau netto, dus voor de koopkracht, beperkt zijn. Nemen wij de hogere premies in aanmerking die hadden moeten worden geheven, indien de WAM volledig van kracht was geweest, dan zien wij dat de verschillen nog kleiner zijn dan in de memorie van antwoord is aangegeven. Het is duidelijk dat het, ook wanneer economisch herstel intreedt, een hele toer zal zijn, de WAM onverkort te blijven toepassen. Ook dan zullen we toch teikeniare moeten bezien, of toepassing van de WAM mogelijk is en of de draagkracht van de economie voldoende sterk daarvoor is. Wel teken ik hierbij aan dat het huidige beleid van het kabinet, gericht op loonmatiging ten behoeve van herverdeling van arbeid, ook in de komende jaren moet worden voortgezet. Dit betekent dat in die komende jaren de algemene loonontwikkeling beperkt zal moeten blijven. Als dat gebeurt, dan zal uiteindelijk de parallele inkomensontwikkeling tussen de marktsector en de collectieve sector voor een belangrijk deel worden bereikt. Er is evenwel geen zekerheid over een dergelijke beperking van de algemene loonontwikkeling: het zal telkenjare moeten blijken uit de resultaten van de onderhandelingen over de loon-en arbeidsvoorwaarden. Zekerheid te dien aanzien, zo zeg ik aan het adres van de heer Van der Jagt, kan voor de toekomst echter niet worden gegeven. Wel kan achteraf worden geconstateerd dat de loonmatiging van de laatste twee jaar in ieder geval wel degelijk een bijdrage heeft geleverd aan het niet verder uit elkaar lopen van de inkomens in de collectieve sector en in de marktsector. Voorzitter! De heren Franssen en Van de Zandschulp hebben gevraagd, hoe het nu verder moet met de WAM. U zult begrijpen dat ik, alvorens er al te veel over te zeggen, eerst het advies van de SER over dit onderwerp wil afwachten. Wel heb ik in de Tweede Kamer aangegeven, dat ik mij kon voorstellen -maar ook niet meer dan dat -dat het door mij geschetste beeld van het jaar op jaar bezien in hoeverre toepassing van het normale indexeringsmechanisme mogelijk is, in de wet zelf zou worden vastgelegd, zonder daarbij de doelstelling van de WAM aan te tasten, te weten een parallelle ontwikkeling van marktsector en collectieve sector. Als men dat zou doen, zouden afwijkende aanpassingen een beleidsmatiger karakter krijgen. Daarbij zouden uiteraard advisering door de SER of door de Stichting van de Arbeid en toetsing door het parlement niet achterwege kunnen blijven. Het is echter niet meer dan een idee. Pas na binnenkomst van het SER-advies zal ik een definitief standpunt bekendmaken. Een aantal sprekers -onder anderen de heer Van der Jagt en de heer Franssen -zijn ingegaan op de functie van het minimumloon. Naar aanleiding van vragen van de leden van de CDA-fractie ben ik daar al op ingegaan in de nota naar aanleiding van het verslag. Ook aan de overzijde heb ik daarover al uitvoerig gesproken. Ik hebaangegeven dat het minimumloon eenminimumgarantie is voor verrichte arbeid. Het is in dat opzicht loon. De

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

378

De Koning werkgever is als zodanig verplicht om minstens dit loon uit te betalen aan de werknemer. Nu kan men zich de vraag stellen of het niveau van het minimumloon zou moeten afwijken van de hoogte van het sociaal minimum. Ik denk, dat dit niet het geval zou moeten zijn. Ik zie er ook geen reden voor. Het vaststellen van een hoger loonniveau dan het minimum -verreweg de meeste lonen liggen boven dat minimumloonniveau -is een zaak van werkgevers en werknemers. Er is dus geen enkele belemmering voor werkgevers en werknemers om ook het minimumloon in hun bedrijfstak, in hun CAO, op een niveau vast te stellen dat hoger ligt dan de bijstandsnorm. De beloning voor extra prestaties wordt niet door de overheid vastgesteld, maar door de sociale partners. De heer Franssen vroeg om een nadere uiteenzetting van de relatie tussen minimumloon en het sociaal minimum in verband met arbeidsduurverkorting. Welnu, bij een verdergaande arbeidsduurverkorting behoort een verdergaande, evenredige looninlevering. Dit betekent dat ook het minimumloon -en daarmede het sociaal minimum -evenredig zal moeten inleveren. Als er sprake is van een forse arbeidsduurverkorting, met evenredige looninlevering, kun je je afvragen, of het minimumloon als norm voor het sociaal minimum van een huishouden nog wel juist is. Je zou je dan kunnen voorstellen dat een andere norm voor het sociaal minimum moet worden gekozen. Dit is dan echter een politieke beslissing. Over het exacte niveau dat men dan politiek zou willen vaststellen, valt op dit ogenblik nog niets te zeggen. Wij zijn ook nog niet feitelijk voor deze vraag gesteld. Als je in die omstandigheden van een aanzienlijk verdergaande arbeidsduurverkorting, ook het sociaal minimum in beschouwing zou moeten nemen, zul je kunnen constateren, zo denk ik, dat er aanzienlijk meer tweeverdieners zijn. Daarmee zul je dan rekening kunnen houden. De heer Van de Zandschulp en ook de heer Van der Jagt hebben gesproken over het verschil tussen minimum en modaal. De standpunten op dit punt liepen overigens nogal uiteen. Ik wil er allereerst op wijzen dat het verschil tussen het minimuminkomen en het modale inkomen in de afgelopen periode vooral kleiner is geworden door de verhoging van de marginale lastendruk, de druk van belastingen en premies. Die verhoging heeft het modale inkomen zwaarder getroffen dan het minimuminkomen. Daardoor is als het ware de onderkant van het loongebouw in elkaar gedrukt. Deze ineendrukking werd nog versterkt door allerlei inkomensafhankelijke voorzieningen ten behoeve van de lagere inkomensgroepen. De heer Van de Zandschulp heeft hierop terecht gewezen. Men moet dus constateren dat onbedoeld en ongewild de afstand tussen minimum en modaal in de afgelopen jaren is verkleind. Een omgekeerde ontwikkeling in de vorm van een verkleining van het brutonettotraject met als gevolg een vergroting van de afstand tussen het minimum en modale inkomen omdat de druk van belastingen en premies minder zwaar is geworden, is dus op zich zelf een heel goede zaak. Dat betekent namelijk dat er ruimte komt voor wat meer flexibiliteit in de hoogte van de lonen. Daardoor kan dan ook de arbeidsmarkt beter functioneren. Ik geef de heer Van de Zandschulp graag toe dat inkomensverschillen niet de enige factor vormen om op de arbeidsmarkt tot verbetering te komen. Inkomensverschillen vormen echter wel één van de factoren. Gelet op de verstarringsverschijnselen die toch al zo kenmerkend zijn voor onze arbeidsmarkt, is naar mijn mening versterking van alle factoren, dus ook van deze factor, van groot belang. Het is dus niet zo dat het vergroten van inkomensverschillen tussen het minimum en modaal een afzonderlijk beleid is. Wij doen dat vanuit de positie van de minima. Naar wij verwachten is in het komende jaar voor hen handhaving van de koopkracht mogelijk. Vanuit het gegeven dat de druk van belastingen en premies door allerlei overwegingen gelukkig wat teruggebracht kan worden, is de consequentie een lichte vergroting van de afstand tussen minimum en modaal, een logische reactie op het indrukken van het inkomensgebouw aan de onderkant gedurende de afgelopen jaren. Mijnheer de Voorzitter! Ik constateer met genoegen dat ook de heer Van de Zandschulp van mening is dat bij een opeenhoping van inkomensafhankelijke voorzieningen uit dien hoofde een bijstelling van de ontwikkeling nodig kan zijn. De heer Franssen vraagt naar een nadere precisering van de herbezinning waarop in de stukken gedoeld wordt. Die herbezinning zou nodig zijn als de loon-en prijsontwikkeling anders verloopt dan door het kabinet is geraamd. Op het ogenblik hebben wij nog geen aanwijzingen dat de feitelijke ontwikkeling zal afwijken van de geraamde ontwikkeling. Dat betekent dat ik ook nog niet precies kan zeggen waartoe een herbezinning eventueel leidt. Ik zou dan uit moeten gaan van veronderstellingen die op het ogenblik nog niet door feiten worden ondersteund. De heer Van der Jagt vraagt zich af of het arbeidsvoorwaardenoverleg wel de gewenste inkomensmatiging zal opleveren. Wij gaan in het arbeidsvoorwaardenoverleg inderdaad een onvoorspelbare periode tegemoet. De opvatting van het kabinet is in ieder geval duidelijk. De hoofdlijnen van het stichtingsakkoord zijn naar onze mening nog steeds actueel. Wij vinden daarom dat in decentraal overleg afspraken gemaakt moeten worden over de aanwending van de beschikbare loonruimte voor arbeidsduurverkorting, rendementsherstel en eventueel voor, zo daarvoor ruimte is, inkomensverbetering. Het kabinet heeft van zijn kant getracht een bijdrage te leveren aan het loon-en arbeidsvoorwaardenoverleg door via verlaging van belastingen en premies een zekere mate van extra koopkracht te realiseren. Dat zal natuurlijk bij dat loonoverleg mede in aanmerking worden genomen. Het is dus mogelijk ook bij arbeidstijdverkorting en gelijke nominale brutolonen op zijn minst koopkrachthandhaving te realiseren. Ik ben het met de heer Van der Jagt eens dat de standpunten zoals die op dit moment door de centrale organisaties van werkgevers en werknemers worden uitgedragen, nogal uiteenlopen. De werkgevers zeggen dat de gewenste ruimte er niet is en de werknemers weten te berekenen dat er wel een ruimte van 3% a 4% zou moeten zijn. De heer Van der Jagt heeft zelf de huidige posities aangeduid als tromgeroffel. Ik wil hem in die uitspraak wel volgen. Noch hij noch ik zullen ons door tromgeroffel alleen al te zeer van de wijs laten brengen. De heer Franssen (CDA): Die fanfare kwam uit Limburg! Minister De Koning: Mijnheer de Voorzitter! In deze fase van het onderhandelingsspel kun je nog niet verwachten dat partijen het achterste van hun tong laten zien. Waar men echter op decentraal niveau al onderhandeld heeft en tot resultaten is gekomen, zijn de resultaten toch bepaald niet onbevredigend.

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

379

De Koning Het gaat om kleine ca.o. s en er wordt nog geen trend aangegeven voor een verdere ontwikkeling. In de tijdschriften-en boekenuitgeverijbedrijven is men gekomen tot een herverdeling van arbeid en tot een arbeidstijdverkorting tot 36 uur vanaf begin 1985. Bij de Avebe is men een uitbreiding van de arbeidsduurverkorting vanaf begin 1986 overeengekomen. Men staat niet afwijzend tegenover een 36-urige werkweek. Bij Heineken en Bols -ik noem deze afzonderlijke firma's maar in een adem -heeft men besloten tot een 36-urige werkweek vanaf eind 1986. Daarnaast zijn er een groot aantal afspraken gemaakt over VUT-regelingen, jeugdwerkplannen en dergelijke. Nogmaals, het is te vroeg om ons uit te spreken over het eindresultaat. De onderhandelingen tot dusverre stemmen op zich zelf niet tot ontevredenheid. Ik kom nu toe aan de beantwoording van vragen die aan de staatssecretaris gesteld zijn. De heer Franssen heeft naar voren gebracht dat hij kan instemmen met de in 1985 te nemen maatregel ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar zijn mening zijn de grenzen wel bereikt. Wat de arbeidsongeschikten betreft, merkte hij op dat zij de ontwikkelingen niet konden voorzien en daarom ook geen aanvullende verzekering hebben kunnen treffen. Ik teken hierbij aan dat de zogenaamde bovenwettelijke uitkeringen voor de verantwoordelijkheid zijn van de sociale partners. Ten aanzien van de wettelijke verzekering vindt de regering een uitkeringspercentage van 70 gewenst, gezien de hele economische situatie en ook omdat niet goed te verdedigen is dat voor deze uitkering en andere uitkeringen blijvend verschillende percentages moeten gelden. Men heeft behoefte aan een evenwichtig beeld. Daarom zal dan ook in 1985 de Ziektewet in de ombuigingstaakstelling betrokken worden, evenals dat in 1986 het geval zal zijn. In welke mate de langlopende uitkeringen in 1986 kunnen worden ontzien, is op dit ogenblik nog niet aan te geven. Ik heb voorts begrepen dat de heer Franssen de behoefte van het kabinet om de Ziektewet in 1985 en 1986 bij de ombuigingen te betrekken, deelt en dat hij dat ook een bijdrage vindt aan de evenwichtige spreiding van de diverse ombuigingsmaatregelen. In de memorie van toelichting zijn verschillende argumenten voor deze maatregelen weergegeven. Daarin is betoogd dat het heffen van premies over ziekteuitkeringen alleszins rechtvaardig is. Zieke werknemers zijn immers ook verzekerd via de verschillende wetten. Door de fracties in de Tweede Kamer wordt dit standpunt onderschreven. Een verlaging van het uitkeringspercentage in de Ziektewet is ook van belang voor het terugdringen van de collectieve uitgaven en voor een vermindering van de werkgeverslasten. Hiermee heb ik in het kort de argumenten voor de ziektewetmaatregel aangegeven. In de memorie van toelichting zijn uitgebreide uiteenzettingen te vinden. Ik ben voorts blij dat de heer Franssen zijn steun verleent aan het voorstel van het kabinet over de kinderbijslag. Ik kan mededelen dat de feitelijke ontwikkeling van het prijsindexcijfer, dat relevant is voor de aanpassing van de bedragen per 1 juli 1985, niet bekend is. Zoals ik reeds zei, zijn er op dit moment geen redenen te veronderstellen dat de feitelijke ontwikkeling van het prijsindexcijfer sterk zal afwijken van de raming. Mevrouw Bischoff van Heemskerck sprak over criteria voor het behoeftenminimum. Ik ben het met haar eens dat wij niet al te veel naar het buitenland moeten kijken, al is dat zo nu en dan toch wel leerzaam. Als men met Nederland vergelijkbare landen, zoals Duitsland, België en in zekere zin ook Engeland, beziet, dan valt het op dat het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid in al zijn geledingen stukken beter functioneert, al is een en ander ook wel veel duurder. Dit geldt niet alleen voor de sociale zekerheid in engere zin maar ook voor het gehele pakket van sociale voorzieningen tot en met de bejaardenoorden toe. Het behoort tot de Nederlandse collectieve inspanning om zwakke groepen zo goed mogelijk op te vangen en aan hun wensen zoveel mogelijk tegemoet te komen. Ik heb al eerder gezegd dat voor het sociaal minimum geen objectieve criteria te geven zijn, maar dat het een politieke vraag is. Rapporten van bij voorbeeld de sociale diensten kunnen natuurlijk nuttig zijn, omdat ze inzicht geven in de bestedingen van de minima. Ze zijn echter niet geschikt om het niveau van het sociaal mini-mum te bepalen. Dat zal moeten gebeuren in een politieke afweging. Daarbij is heel belangrijk of men spreekt over een stijging of een daling voor alle inkomensgroepen op een wat evenwichtige wijze dan wel of men bij een stijging voor hogere inkomensgroepen een daling tot stand wil brengen voor lagere inkomensgroepen. Dan zullen de spanningen natuurlijk snel oplopen. Dan zal inderdaad de relatieve armoede -mevrouw Bischoff heeft hiervan een definitie gegeven -daardoor snel toenemen. Mevrouw Bischoff heeft armoede gedefinieerd als gebrek aan toegang tot de materiële middelen die volgens het waardesysteem van de eigen maatschappij als gemeengoed worden gezien. Ik wil niet op de politieke discussie vooruitlopen. Wel durf ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te voorspellen dat men dan precies zal uitkomen op het modale inkomen. Dat bepaalt namelijk wat gemeengoed in de maatschappij is. De heer Umkers heeft deze behandeling van het wetsontwerp over de bevriezing van het minimunloon en sociale uitkeringen aangegrepen om in te gaan op de gelijke uitkeringsrechten in de WWV. Naar zijn mening zal de overheid een voorschot moeten verstrekken aan vrouwen die in de eerste helft van 1985 een beroep willen doen op deze regeling. Staatssecretaris De Graaf heeft vandaag een brief over de gelijke uitkeringsrechten in de WWV aan de Tweede Kamer gestuurd. In die brief is aangegeven op welke wijze naar de mening van het kabinet kan worden voldaan aan de richtlijn van de EG, nu een eerder voorstel in de Tweede Kamer is afgewezen. Gelet op de noodzakelijke voorbereidingstijd voor een wetswijziging heeft de staatssecretaris gemeend een mogelijke nieuwe maatregel met terugwerken-de kracht te moeten laten ingaan. Hij is van mening dat hiermee kan worden voldaan aan de richtlijn van de EG. Tot het verlenen van voorschotten wil de staatssecretaris echter niet overgaan. D De heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Het is te merken dat het jaar ten einde loopt. Ik heb de minister wel eens iets beter op dreef gezien dan vandaag. Zijn betoog was naar mijn mening nogal vlak. Ik zal niet proberen hem vandaag te verlokken tot een grondig debat. Wel heb ik met enige verbazing geconstateerd dat hij vergroting van inkomensverschillen tussen minimum en modaal nu afschildert als een bijpro-Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

380

Van de Zandschulp dukt van verkleining van het brutonettotraject. Hij geeft er weliswaar bij aan dat het een door hem gewenst bijprodukt is, maar meer dan een bijprodukt is het niet. Dat verbaast mij nogal. Ik herinner mij dat deze minister eerder in Trouw heeft gezegd dat het verschil 10% groter moest worden. Later zei hij in NRC/Handelsblad dat er de komende jaren tussen 1,5 en 2% per jaar tussen minimum en modaal gedenivelleerd zou moeten worden. Mede gelet op de uitlating van de minister-president in deze Kamer dat de inkomensverbetering bij voorrang naar de werkenden moet worden gesluisd en dat voor de uitkeringsgerechtigden ten hoogste de koopkracht op peil kan worden gehouden en zij dus relatief op een achterstand gezet kunnen worden, vermoed ik dat er toch iets meer bewust beleid achter zit dan uitdrukkingen die het nu degraderen tot een bijprodukt van verkleining van het brutonettotraject. Als men het brutonettotraject wil verkleinen -ik ben daar volstrekt geen tegenstander van -kan men dat natuurlijk qua inkomenseffecten ook anders invullen. Hoe je het invult is een politieke keuze. Waarom noem ik dat? Ik vermoed dat er een verband bestaat tussen eerdere uitlatingen over het inkomenstraject tussen minimum en modaal en, als ik het goed heb opgesnoven, toenemende aarzelingen om te zeggen dat een herstel van inkomensparallellie voor het kabinet een ideaal is dat zo snel mogelijk moet worden gerealiseerd. Ik heb er al op gewezen dat deze uitdrukking nog wel aanwezig, maar ondergeschoven, is. Er worden andere uitlatingen gedaan. Er wordt gesproken van een beleidsmatige koppeling. Er is sprake van een zekere buiging naar de heer De Korte, die herstel van de koppeling afhankelijk wil maken van de mate van economische groei. Het zijn allemaal suggesties dat de koppeling, de parallelle inkomensontwikkeling haar tijd gehad heeft. Dit soort signalen worden afgegeven. Kan de minister mij duidelijk maken of ik deze signalen op juiste wijze heb geïnterpreteerd? Is bij het kabinet de neiging tot koerswijziging aanwezig? Op mijn nogal genuanceerde betoog over het traject tussen mini-mum en modaal is de minister nauwelijks ingegaan. Ik neem aan dat wij een andere keer gelegenheid krijgen voor een uitgebreidere discussie.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om een opmerking van collega Franssen tegen te spreken. Hij zei dat inkomensafhankelijke kinderbijslag een stokpaardje van de Partij van de Arbeid is. De laatste keer dat ik hierover gesproken heb, was bij het debat over de eenmalige uitkering. Inkomensafhankelijke kinderbijslag is voor ons geen stokpaardje. Een zeker inkomensafhankelijk element is voor ons echter wel bespreekbaar. In incidentele vorm juicht de heer Franssen dit overigens ook toe: '

de kinderdifferentiatie' bij de eenmalige uitkering van echte minima is door hem ondersteund. Bij het debat over de eenmalige uitkering heb ik verwezen naar een advies van het College voor de Algemene Bijstandswet. In dat advies wordt geconstateerd dat het besteedbaar inkomen van een gezin met twee kinderen -ik geloof dat dat tegenwoordig een 'maatgezin' heet -met een bijstandsuitkering 10% lager ligt dan dat van een gezin zonder kinderen. Ik vind dat dit cijfer te denken geeft. Ik hoop dat de heer Franssen met ons bereid is erover na te denken hoe het 'welvaartsgat' van 10% op het laagste niveau kan worden gedicht. Het genoemde college doet hiertoe enkele suggesties, waaronder inkomensafhankelijke. Nogmaals, ik ben niet de grootste voorstander van inkomensafhankelijke kinderbijslag en een tegenstander van een extreme vorm ervan. Ik heb daarnet al iets gezegd over cumulatieve effecten van inkomensafhankelijke regelingen. Het liefst zou ik de kinderbijslag kostendekkend maken, gemeten naar het bestedingsniveau van de minima. Dat zou ongeveer f 1 mld. extra kosten en ik begrijp dat dat op dit moment nogal bezwaarlijk is. Als wij het probleem, dat het zwaarst weegt in huishoudens met kinderen, serieus nemen, moeten wij een zeker inkomensafhankelijk element, hoe beperkt ook, bespreekbaar achten. Ik nodig de heer Franssen uit daarover ook eens na te denken en het advies van het College voor de Algemene Bijstandswet nauwkeurig te lezen. D De heer Franssen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik begin met de minister dank te zeggen voor zijn antwoord. Het heeft mij plezier gedaan dat hij er nog eens op gewezen heeft dat niet alleen uitkeringsgerechtigden, maar ook werkenden nogal wat geofferd hebben, in het bijzonder in de collectieve sector. In de marktsector heeft alleen al de stijging van de premies in de afgelopen jaren een niet-onaanzienlijke verlaging van de koopkracht tot gevolg gehad. Wij begrijpen best dat de minister over de WAM zegt: ik vind het op zichzelf een goed principe. Wij vinden alleen dat je deze wet nader moet bezien, nu men er zo frequent van moet afwijken. Wij hebben daarover overigens geen meningsverschil, gezien het aan de SER gevraagde advies. Ik hoop dat men daar kiest voor een dusdanige aanpak, dat wij niet iedere keer opnieuw uitzonderingen moeten maken. Deze uitzonderingen roepen immers ook steeds opnieuw weerstanden op, omdat er bepaalde verwachtingen zijn gewekt. Over het minimumloon en de minimumuitkering blijven wij van mening dat het voor de hand ligt dat degene die een prestatie verricht c.q. werk doet, wat meer krijgt dan degene die dat niet doet. Ik ga er daarbij uiteraard van uit, dat voor degene die dat niet doet, wel aan bepaalde behoeften wordt voldaan. Het roept evenwel weerstanden op wanneer het verschil nul is. De minister formuleerde zijn opvatting vandaag overigens iets anders dan in de memorie van antwoord. Uit mijn betoog heeft de minister wat al te gemakkelijk geconcludeerd, dat ik achter de ziektewetplannen sta. Ik wil dat toch corrigeren. Ik heb primair gevraagd om een verduidelijking. Op dat terrein zou ik ook heel graag alternatieven zien. Ik ben het wel eens met de bredere spreiding, waarbij ook kortlopende uitkeringen kunnen worden betrokken. Het grote bezwaar dat men allerwegen tegen de plannen aanvoert, is dat zij in feite geen directe verbetering zouden opleveren van de financiële situatie. Zij zouden namelijk voor de financiële situatie van bedrijven een verslechtering inhouden. De plannen zouden uitsluitend een verschuiving van de lasten inhouden. Dat is eigenlijk het hoofdbezwaar dat men zowel van werkgevers als van werknemers hoort. Misschien wil de minister daarover nog iets zeggen. Wat het kijken naar het buitenland betreft, weet ik niet of de geachte afgevaardigde mevrouw Bischoff daarbij doelde op het feit dat ik twee maal het buitenland heb genoemd. Ik wil erop wijzen, dat ik sprak van de 'omliggende landen', zoals Duitsland, België, Frankrijken Engeland. Met deze landen moeten wij op de markt concurreren en deze invalshoek mag men natuurlijk niet vergeten. Wij kunnen uiteraard van ons welvaartsniveau uitgaan.

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

381

Franssen Het is volledig juist dat dit subjectief blijft. Bij een stijgende welvaart zal het minimum ook meestijgen en zal men ook een beter gevoel hebben voor het feit dat men op het minimum zit. Je ontkomt er echter niet aan om ook eens over het 'tuinhek' heen te kijken naar hetgeen andere landen doen, landen die ook produkten maken die je zelf maakt en waarmee je dus moet concurreren. De heer Van de Zandschulp heeft mij gecorrigeerd maar ook wel plezier gedaan met betrekking tot de nuancering in de kinderbijslag. Ik heb van hem nu zeer nadrukkelijk gehoord, dat hij het niet als een stokpaardje ziet. Bij andere woordvoerders van de PvdA had ik die indruk gekregen, aangezien men daarop iedere keer weer terugkwam, maar ook indrukken zijn subjectief. Ik zie de eenmalige uitkering niet als een kinderbijslag in strikte zin. Ik denk dat met name bij de mensen met de laagste inkomens de kosten van kinderen het zwaarst worden gevoeld. Daarin verschillen wij niet van mening. Als het ergens aan die onderkant moet worden gezocht, dan moet er een modus te vinden zijn om eruit te komen. Als men de kinderbijslag echter zonder meer als inkomensafhankelijk betitelt in die zin dat je het over de hele range van inkomens moet bekijken, dan hebben wij daartegen overwegende bezwaren. Bovendien pakken de nominale belastingvrije bedragen uiteraard het gunstigst uit voor de koopkracht van de laagstbetaalden. Dat is op zichzelf een goede zaak, maar het blijft een feit. Ik wil thans ingaan op een opmerking van de heer Van de Zandschulp over het brutotraject modaalminimum en nettotraject modaalminimum. Wij zouden de zaak op haar kop zetten, als wij in de naaste toekomst bleven uitgaan van de verhoudingen in de huidige netto situatie. Hoe zijn deze onmogelijke situaties ontstaan? Zij zijn ontstaan door de drukverzwaring. Deze werkt uit tot het plat drukken tot een dubbeltje, zoals hier werd opgemerkt. Naar mate de drukverzwaring weer kan worden teruggebracht -dat is een beleidspunt van dit kabinet, waar wij volledig achter staan -zullen er ook redelijker netto verhoudingen tussen modaal en minimum ontstaan. Ik zou het absoluut fout vinden om dan ingrepen te doen om de netto verhoudingen, zoals zij nu zijn uit een scheef gegroeide toestand, weer terug te brengen.

De heer Van der Jagt (GPV): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil de minister hartelijk danken voor zijn antwoorden. Ook nu weer viel het mij op, dat de minister het prestatie-aspect in deze materie wat onderbelicht, ja er bijna niet toe komt om het evenwichtig te overwegen in het totale vraagstuk. De minister heeft gesteld, dat werkgevers en werknemers vrij zijn om in de onderhandelingen over de ca.o. een hogere loonsom af te spreken dan het minimumloon aangeeft. Dat was mij bekend. Dit had de minister ook aan de overzijde van het Binnenhof gesteld. Wat kan, hoeft dus niet. Daarmee heb ik moeite. Het aspect prestatie wordt, als op het minimumloon wordt afgestemd, niet in rekening gebracht. Dat is onbevredigend. Er zijn gevallen bekend, waarin acceptatie van werk ontbreekt, omdat men financieel niet vooruitgaat. Er is geen prikkel meer. Vandaar dat Albeda onlangs in Trouw schreef, dat daardoor de arbeidsmarkt niet naar behoren functioneert. Hij durfde zelfs stellen, dat een te hoog minimumloon veel ongeschoolden werkloos maakt. Ook het verschil tussen minimum en modaal is zo gering geworden, dat ik mij afvraag of wij de grens van wat rechtvaardig is niet hebben overschreden. Ik ben het met de minister eens, dat de gememoreerde afgelopen ca.o.'s inderdaad passen in het beleid dat het kabinet heeft uitgezet. Ik hoop met hem dat de komende c.a.o.-onderhandelingen zo verlopen, dat solidariteit met de collectieve sector wordt betracht en ook met de niet actieven. Zoals gezegd, ik heb daarover grote zorg. D Mevrouw Bischoff van Heemskerck (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ook ik dank de bewindsman voor zijn antwoord. Ik wil op twee punten ingaan. Ik ben het veel meer eens met collega Franssen dan met de minister. Ik ben van meninig dat men heel vaak naar het buitenland moet kijken en wel om drie redenen. De eerste reden is, dat de meest absolute armoedecriteria -basisbehoeftecriteria -internationaal zijn geformuleerd. Dat is iets, waarnaar wij moeten blijven kijken. De tweede reden is dat wij van de aanpassingsprogramma's van het IMF heel veel kunnen leren. Een algemene overeenstemming die daaruit komt, maar waarop de minister niet is ingegaan is, dat men in een tijd van hoogconjunctuur niet te snel moet stijgen. Men behoeft dan in een tijd dat men naar beneden gaat ook niet sterk te bezuinigen. Men moet ook niet alleen naar de sterk ontwikkelde landen kijken. Ik blijf van mening en dat is geen populaire boodschap, dat er nu een aantal tendensen in onze economie is, waarvan wij in de jaren zestig hebben gedacht, dat deze alleen voor ontwikkelingslanden golden. Ik denk hierbij aan de onbeweeglijkheid van de produktiefactoren en aan de grote informele economie. Het zijn allemaal tendenzen, waarvan wij dachten dat wij er voor goed overheen waren gegroeid. Men moet om deze redenen naar het buitenland blijven kijken. Wat betreft het relatieve armoedecriterium wordt voor de algemene definitie de eigen maatschappij centraal gesteld. Ik heb die definitie niet verzonnen. De minister weet, gelet op zijn verleden, wel dat zij gangbaar is in de litteratuur over basisbehoeften enz. Als de minister zegt, dat men ten slotte op modaal uitkomt, moeten wij even nagaan waar dit woord 'modaal' vandaan komt. Als men een kansverdeling maakt, geeft de modus de concentratie van uitkomsten aan. Dat is wel heel wat anders dan het gemeengoed van de maatschappij. Ook de heer Van der Jagt wees erop dat de mensen, die'modaal'verdienen, vaak 's ochtends zeer vroeg het huis uit moeten, de bus moeten nemen en misschien wel een vervelende baas hebben. Dergelijke factoren doen wellicht aan de welvaart af. Ik ben het dan ook niet eens met de minister, dat men grofweg kan zeggen dat de modus dient als het gemeengoed van een maatschappij. D Minister De Koning: Mijnheer de Voorzitter! De heer Van de Zandschulp heeft mij een zekere matheid verweten bij de beantwoording van de door hem gemaakte opmerkingen. Ik denk dat wij enigszins langs elkaar heen hebben gepraat. Dat risico hebben wij althans gelopen omdat hij in een ruime beschouwing is getreden ten aanzien van de positie van de uitkeringen, minima enz. terwijl ik in mijn antwoord, gelet op de mocivering voor de maatregelen die nu aan de orde zijn, veel meer ben ingegaan op maatregelen, die nodig zijn voor de collectieve sector. Als hij stelt dat de ontwikkeling van de koopkracht van de minima van de

Eerste Kamer 18 december 1984

Bevriezing uitkeringen ca.

382

De Koning marktsector afwijkt vanwege het niet doorgaan van de WAM, geef ik toe dat nu een wetsontwerp aan de orde is, gericht op het bevriezen van het minimumloon, maar dan moet ik er toch aan toevoegen dat het hier gaat om een onderdeel van een veel groter geheel, waarbij inderdaad de koopkracht van de collectieve sector een andere ontwikkeling ondergaat dan voor de marktsector geldt. Is dat nu zo vreselijk erg? Mijnheer de Voorzitter! Het is een betrekkelijke zaak. Het kabinet heeft bewust een keuze gedaan, waarbij een aantal bezuinigingen zou moeten worden aangebracht in de sfeer van de kosten van de collectieve sector, óók wat betreft de daarin geldende arbeidsvoorwaarden. Natuurlijk zal met de pakketvergelijking meer duidelijkheid worden geboden in de verhoudingen tussen collectieve en marktsector. De vraag is bovendien in welke mate die verhoudingen door de feiten worden gerechtvaardigd. Ik vind het echter niet oneigenlijk, erop te wijzen dat in de afgelopen jaren honderdduizenden zijn ontslagen in de marktsector, waardoor zij een zeer groot inkomensverlies leden en gingen behoren tot de collectieve sector. Tegelijkertijd werden er bijna evenveel mensen aangesteld in de collectieve sector om daarmee de werkgelegenheid te bevorderen. Daardoor is die sector zo'n zware last geworden voor een verzwakte economie. Die onevenwichtigheid maakt het noodzakelijk, de collectieve sector te corrigeren, óók wat betreft het beloningsniveau. Het is in dit kader dat de bevriezing van het wettelijk minimumloon moet worden gezien. Als de heer Van de Zandschulp een zekere gefixeerdheid vertoont op de WAM, beziet hij in feite een te smal gedeelte van de gehele operatie. Het gaat niet alleen om de WAM maar ook om de algemene beloningsontwikkeling in de collectieve sector. De geachte afgevaardigde sprak over de verhouding tussen minimum en modaal. Hij zegt dat ik net doe alsof ik dit zie als een weliswaar gewenst bijprodukt, dat geplaatst wordt tegen de achtergrond van de ontwikkelingen ten aanzien van belastingen en premies. De afgelopen jaren hebben wij moeten accepteren dat de afstand tussen minimum en modaal telkenmale verkleind werd door een verzwaring van de belasting-en premiedruk. Wij hebben die verkleining niet beoogd,

Eerste Kamer 18 december 1984

maar zij was een onontkoombaar gevolg van die verzwaring van die belasting-en premiedruk. Nu die belasting-en premiedruk weer iets lichter wordt, kan een aantal van die niet gewenste, niet bedoelde effecten van de afgelopen jaren ongedaan worden gemaakt als men de effecten ervan maar richt op dezelfde groep die in het verleden door drukverzwaring in omgekeerde richting werden beïnvloed. Politieke randvoorwaarde daarbij is wel dat de koopkracht van de minima ten minste wordt gestabiliseerd, omdat het buitengewoon moeilijk verkoopbaar is dat modale inkomens in koopkracht zouden stijgen, terwijl de minimuminkomens in koopkracht achteruit zouden gaan. Het moet dus met zorgvuldigheid en voorzichtigheid gebeuren met inachtneming van bepaalde randvoorwaarden. In een interview heb ik wel eens gezegd dat die kleine stapjes van 1 a 2% afstandsvergroting per jaar ten gevolge van verdergaande verlaging van belasting-en premiedruk naar mijn mening een aantal jaren herhaald zouden moeten worden. Het zou erg goed zijn als dat zou kunnen, in de eerste plaats omdat dan zou blijken dat de belasting-en premiedruk ook in volgende jaren geleidelijk aan wat verder kan dalen. Dat lijkt mij voor de ontwikkeling van onze economie van buitengewoon groot belang, maar ook voor de werkgelegenheid, omdat de arbeidskosten daardoor dalen zonder dat de betrokken werknemers minder inkomen krijgen. In de tweede plaats zou het erg goed zijn, omdat daarmee één van de factoren die werkzaam zijn op de arbeidsmarkt, nl. inkomensverschillen, toch weer iets meer profiel zou krijgen terwijl het nu een volstrekt weggesleten profiel is dat kemmerkend is voor die inkomens, met name in het onderste deel van het loongebouw. Wat de minister-president ook in deze Kamer heeft gezegd, betreft het accentueren van het belang dat koopkrachtachteruitgang van inkomens kan worden voorkomen. Dat standpunt deel ik helemaal met hem en onze beide invalshoeken vinden elkaar dan, want ik zeg dat een politieke randvoorwaarde voor verbetering in de afstand van mini-mum en modaal is dat de koopkracht van de laagste inkomens, de minima, ten minste wordt gehandhaafd. De heer Franssen is nog eens teruggekomen op de herbezinning op de WAM. Hij vroeg of ik als dat advies van de SER binnenkomt, niet eens wil

Bevriezing uitkeringen ca.

kijken naar een zodanige aanpak dat uitzonderingen op het functioneren van de WAM minder vaak voorkomen dan in de afgelopen jaren het geval is geweest. Ik wil dat graag doen, maar ik moet wel zeggen dat als het, ook de komende jaren, onvermijdelijk zou zijn om de WAM niet te laten functioneren zoals bedoeld is het dan toch heel goed is om een daarover een zo duidelijke beslissing te nemen dat de politieke signaalfunctie die de WAM nu vervult daardoor niet verminderd wordt. Zowel de SER als het parlement moet mijns inziens telkens heel nadrukkelijk stilstaan bij het feit dat de WAM niet onverkort kan worden toegepast. Ik kom op het belonen van de prestaties boven het minimum, zoals dat door de heren Franssen en Van der Jagt naar voren is gebracht. De laatste zei heel beeldend: Werkgevers en werknemers hebben op dat punt de eerste verantwoordelijkheid; zij kunnen boven het niveau van het sociaal minimum (= het wettelijk minimumloon) gaan, maar dat hoeft niet. Dat.is juist en als men vindt dat men er niet boven kan gaan, ben ik het wel eens met de heer Van der Jagt dat de prikkel om te gaan werken op dat minimumniveau daardoor wordt weggenomen. Het is dus in het belang van werkgevers èn werknemers om er wel boven te gaan. Men doet dat vrijwel overal als het gaat om het volwassenenloon. Een heel miniem percentage -de heer Franssen noemde 7,5, incl. jongeren; als de jongeren buiten beschouwing worden gelaten, dan gaat het om ten hoogste 2 a 3%. Dit betekent dat het toch niet echt een brandend probleem is, omdat datgene wat weliswaar niet hoeft toch gedaan wordt door werkgevers en werknemers in het vaststellen van de beloning. Ik vind het buitengewoon moeilijk om van overheidswege het wettelijk minimumloon hoger vast te stellen, in de eerste plaats omdat het in economisch opzicht erg ongewenst zou zijn om nu te zeggen dat het wettelijk minimumloon 5% hoger moet zijn, omdat dit moet aangeven dat er toch een verschil moét zijn. Daarmee zegt de overheid dat een verschil van 5% voldoende is. Dan zal er onmiddellijk iemand opstaan die zegt dat het veel meer moet zijn. Dat is natuurlijk volstrekt arbitrair. Als het om economische redenen dan niet mogelijk is om het wettelijk minimumloon te verhogen, kun je natuurlijk besluiten om de uitkeringen te verlagen.

383

De Koning Daarmee neem je wel een sociaal-politieke beslissing met een zeer grote betekenis. Ook daarbij zal het de vraag zijn hoe groot de afstand moet zijn. Ik vind het overigens niet nodig om in het wettelijk minimumloon het prestatie-element tot uitdrukking te brengen. De functie is, om voor degenen die in loondienst zijn een minimumniveau aan te geven. Dat moet men tenminste verdienen, want van minder kun je niet leven. Dat heeft tot gevolg dat die twee niveaus zo dicht bij elkaar worden gebracht dat ze in feite in eikaars verlengde liggen. Ik ben het geheel eens met wat de heer Franssen heeft gezegd over de betekenis van de kosten van ons stelsel van sociale zekerheid voor onze economische positie, mede gezien onze concurrentiepositie ten opzichte van ons omringende landen. De heer Van der Jagt sprak zijn zorg uit over de loononderhandelingen. Noch hij, noch ik zijn geheel overtuigd door de enkele zwaluwen die thans de zomer op dit gebied zouden aanduiden. Wij moeten geduldig afwachten tot werkgevers en werknemers hun rol hebben gespeeld op hun manier. Mevrouw Bischoff heeft gezegd dat wij naar het buitenland moeten kijken, ook gezien de relatieve armoede. Zij en ik weten dat er een aantal landen is waarop formeel dezelfde redenering gezien worden toegepast, maarten aanzien waarvan materiee het verschil zo groot is dat ze totaal niet vergelijkbaar zijn. In het ons omringende buitenland is die vergelijking veel beter mogelijk. Dan zie je dat er bij voorbeeld op het terrein van bejaardenzorg frappante verschillen zijn, niet zozeer in het niveau van sociale zekerheid, maar veeleer in het aanbod van voorzieningen voor betrokkenen. Ik blijf erbij dat, als wij in een samenleving nagaan wat men normatief noodzakelijke bestaansbehoeften acht, heel dicht zal worden uitgekomen bij het 'boodschappenlijstje' van de modale man. Die bepaalt nu eenmaal de norm. Dat is een sociaal-psychologisch mechanisme dat vrijwel niet is te ontwijken. Daarom geloof ik niet zo erg in die methode. D Staatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb met heel veel interesse geluisterd naar de discussie tussen de heer Van de Zandschulp en de heer Franssen over het al of niet inkomensafhankelijk maken van de

Eerste Kamer 18 december 1984

kinderbijslag. Ik wil er nog op wijzen dat bij een beoordeling hiervan rekening moet worden gehouden met het feit dat kinderbijslag en kinderaftrek inmiddels wel zijn geïntegreerd. Bovendien wachten wij nog op een advies van de SER over het stelsel als zodanig. Pas daarna zullen principiële beslissingen worden genomen. De heer Franssen maakte zich -althans dat was mijn indruk -enige zorg dat wij uitgingen van zijn instemming met de ziektewetplannen. Hij was nog niet helemaal zover; althans hij had nog behoefte om enige nuancering aan te brengen. Ik heb begrepen dat hij daarmee te kennen gaf, zijn kruit nog even droog te willen houden. Dat begrijp ik heel goed. Op zichzelf lijkt het mij juist dat deze maatregel een zekere verschuiving in het geheel van betalingen van sociale verzekeringen tot gevolg heeft. Die verschuiving is niet zonder betekenis, ook niet voor de collectieve druk. Wij geven nu de wettelijke reikwijdte van de ziektewetmaatregelen in de collectieve sector aan. Die is beperkter dan vamdaag de dag het geval is. In die zin is het wel degelijk een maatregel die beoogt, de wettelijke collectieve lastendruk terug te dringen. Bovendien is er door de verbreding van het draagvlak -de heer Franssen wees daar zelf ook op -ruimte gecreëerd voor een verbetering van de koopkracht, met name ook voorde minima uit het inkomensplaatje. Dat is juist van grote betekenis voor de koopkrachtontwikkeling in 1985. Men kan min of meer zeggen dat door onze wijze van invullen een deel van de sociale verzekering wordt geprivatiseerd. Het wordt uit de collectieve sector gehaald. Daarmee zijn de verantwoordelijkheden van het bedrijfsleven, de sociale partners en de overheid opnieuw afgebakend. De beraadslaging wordt gesloten. Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen. De Voorzitter: De aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de PSP, D'66 en de CPN wordt aantekening verleend dat zij geacht wensen te worden, tegen het wetsvoorstel te hebben gestemd.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.